Translate

maandag 13 juni 2016

Vol verwachting

Afgelopen weekend ontving Yuda in Bali zijn overgangsrapport naar de derde klas. Vol verwachting klopten onze hartjes. Moeder Elsa was teleurgesteld over zijn prestaties van de laatste zes maanden: voor sommige vakken ging hij iets achteruit. Dat kan gebeuren. Als verwachtingen (te) hoog zijn gespannen, kunnen resultaten tegenvallen. Elsa is ambitieus en intelligent, Yuda is jong en nogal speels. Bovendien realiseert zij zich dat wij sponsors zijn van zijn educatie maar wij leggen niemand druk op, niet op moeder noch op het mannetje zelf. Yuda is snel afgeleid en bovendien ging zijn geliefde papa Ketut zes maanden geleden aan de slag op een Amerikaans cruiseschip.

Toen mijn liefje en ik Yuda’s cijferlijst in detail doornamen, vonden wij het erg meevallen. Op zijn eindlijst had hij vier 7s en vier 8en. Voor het vak natuurkennis  scoorde onze jongeling zelfs 92 (van 100) punten! Wat ons betreft, bracht hij een mooi rapport naar huis. We appten Elsa terug dat wij trots waren op haar oudste zoon. Ik pakte mijn eigen rapporten van de lagere school erbij; dankzij mijn moeder bleven die bewaard. Een foto van mijn overgangsrapport van de tweede klas stuurde ik terug met de tekst “Better than me. No worries!” Het hoogste cijfer op het rapport van dat jaar (81/2) kreeg ik voor rekenen en Nederlandse taal, het laagste cijfer (6) was voor handwerken. Tijdens mijn lagere schooltijd behaalde ik alleen 9s voor tekenen en lichamelijke oefening.

In klas 2b werd ik leerling van juffrouw Van Haastert. We troffen het niet: het was een oude, strenge juf die stoute kinderen er regelmatig van langs gaf. Ze leed aan een ernstige vorm van reumatoïde artritis. Als je pech had, nam ze je hoofd tussen haar gekromde vingers en rammelde ze je met haar knokkels heen en weer. Geen prettige ervaring. Gelukkig overkwam het mij zelden. Ik was geen braaf kind maar wel vlijtig. Op het overgangsrapport van de eerste naar de tweede klas scoorde ik een 6 voor gedrag. In de daaropvolgende jaren behaalde ik voor dat ‘vak’ nooit een hoger cijfer dan een 7. Ik was een prater, een bijdehandje en een gangmaakster.

En ik was eigenwijs. In mijn tijd op de lagere school kregen de jongens handenarbeid en de meisjes handwerken. Ik had een broertje dood aan dat vak. De juf wier naam ik verdrong (maar wier gelaat ik mij nog helder voor de geest kan halen), vond namelijk dat ik als linkshandige rechtshandig moest leren haken, naaien, borduren en wat dies meer zij. Ik vond dat stom en gooide de kont tegen de krib. Mijn moeder was in het oosten des lands hoofd van een groot naaiatelier voordat ze mijn moeder werd. Zij kon maken wat haar ogen zagen, patronen tekenen en lezen kon ze in haar slaap.

Ik probeerde het aanvankelijk met mijn rechterhand maar het resultaat was niet om over naar huis te schrijven. Ik liet steken vallen, mijn broddellapjes vertoonden altijd fouten. Mijn moeder was het met mij eens: ik mocht handwerken met mijn dominante hand. Wanneer ik huiswerk meekreeg, haakte, borduurde en naaide zij gelijkmatige lapjes voor mij. De week erop overhandigde ik het werk aan de juf, zonder een greintje schaamte. Ik bleef mijn linksheid verdedigen totdat het escaleerde. Als die juf werk in de klas uitdeelde, liet ze het mijne op de grond vallen net voordat ik het kon aanpakken, en ander gesar. Op enig moment weigerde ik naar handwerkles te gaan.

De juf kwam op een avond naar mijn ouderlijk huis om de situatie te bespreken terwijl ik boven verwachtingsvol op mijn kamertje zat. Mijn ouders, beschaafde lui, luisterden aandachtig naar haar relaas. Mijn moeder kon bij tijd en wijle verlegen zijn maar ze was ook een trotse vrouw met een goed stel hersenen. Ze kwam voor mij op en verdedigde het standpunt dat je best linkshandig kunt handwerken. Daarmee was voor haar de kous af. De daarop volgende week overlegden mijn ouders met het hoofd van de school over mijn overplaatsing naar handenarbeid, met de jongens van mijn klas. Het had wat voeten in de aarde maar het gebeurde. Ik gutste, figuurzaagde en kleide er daarna op los. Met links. De handwerkjuf kruiste mijn pad nooit meer.
De school bestaat nog steeds.

Illustratie: Michael Leunig
Onlangs las ik een interessant artikel in het blad Psychologie waarin hoogleraar Gezondheidspsychologie Andrea Evers (Universiteit van Leiden) werd geïnterviewd. Het gesprek ging over de kracht van de psychologische factor ‘verwachting’. Evers vertelt enthousiast over het vernieuwende onderzoek dat haar afdeling gezondheids-, medische en neuropsychologie doet en dat tamelijk uniek is in de wereld. 

Haar stelling is dat je met positieve verwachtingen sterke lichamelijke reacties op gang kunt brengen waardoor mensen minder medicijnen nodig hebben. Doordat je verwacht dat je lichaam een bepaalde stof aanmaakt, gaat het lichaam daadwerkelijk aan de slag om die stof te produceren.

Het lichaam leert dat aan met behulp van een medicijn en een opvallende prikkel. Het team gaf proefpersonen een bepaald drankje in combinatie met een pil die een allergische reactie verminderde. Korte tijd later kwamen die personen terug voor een vervolgbehandeling. Deze keer kregen ze wel het drankje maar niet de pil. Toch vertoonden ze daarna allemaal dezelfde verlaagde allergische reactie als daarvoor. Bij mensen met de huidziekte psoriasis werd het effect reeds wetenschappelijk aangetoond. Patiënten konden uiteindelijk met de helft van de hoeveelheid hormoonzalf toe. De psyche als medicijn, ofwel het placebo-effect in een nieuw jasje. Evers vindt de resultaten zelf fan-tas-tisch. Dat schept verwachtingen!

Yuda begint vandaag aan de eerste dag van zijn schoolvakantie.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten