Translate

donderdag 18 juni 2026

Zorgen voor morgen

Maanden geleden las ik een boeiend interview in de serie ‘Het ideaal’ (Volkskrant). Daarin worden mensen geïnterviewd die hun hele leven aan een ideaal wijden of hebben gewijd. Het bleef mij bij en sindsdien maakte ik notities. Zo werd het een longread - met een leestijd van ongeveer 10 minuten. 

Ik knip de tekst in tweeën, beide delen worden wel op dezelfde dag gepubliceerd. 

Klaas van Egmond (79), voormalig directeur Milieu van Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), ex-directeur van het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) en emeritus-hoogleraar Milieukunde aan Universiteit Utrecht was de geïnterviewde. In dat interview noemt Van Egmond zichzelf ‘een salonidealist’ alhoewel hij betwijfelt of hij wel in het rijtje van idealisten past. Hij is immers nooit ‘met gevaar voor eigen leven naar vreselijke oorden op aarde gegaan om er te helpen.’ Wel is hij altijd voor de belangen van milieu en duurzaamheid opgekomen. Wel een bergopwaartse strijd maar geen sisyfusarbeid, wat hem betreft.  

In 2011 richtte Van Egmond met twee ex-bankiers (Herman Wijffels van Rabobank en Peter Blom van Triodos) het ‘Sustainable Finance Lab’ (SFL) op. Een academische denktank die gemeenschap en planeet weer centraal zet. De financiële sector, met zijn gerichtheid op het hoogste rendement op een zo kort mogelijke termijn, draagt in zijn ogen eraan bij dat we (milieu)vraagstukken niet oplossen maar voor ons uitschuiven. Van Egmond noemt het huidige financiële bestel ‘feodaal en immoreel’. Feodaal, omdat grote publieke belangen in handen zijn van een kleine, private elite. Immoreel, omdat de financiële sector zich niets aantrekt van menselijke waarden. Hij noemt de verontwaardiging die hij voelt over hoe de wereld nu draait ‘een drijvende kracht’. Ondanks zijn hoge leeftijd heeft hij aan strijdlust niks ingeboet!  

In de jaren '70 en '80 had milieu de wind in de zeilen. In de Rijnmond was er destijds een groot smogprobleem waardoor jaarlijks tienduizend mensen, hoofdzakelijk bejaarden, wat eerder doodgingen. Zo gingen er levensjaren verloren. De Tweede Kamer nam dat hoog op en gaf de club jonge onderzoekers van het RIVM alle middelen om er iets aan te doen. (Those were the days...)

Na de val van de Muur (1989) ontstond er een overwinningsroes. Het Westen had ‘gewonnen’ en dat maakte de weg vrij voor de krachten van het neoliberalisme. Destijds was er in Nederland een sterke tendens om het bedrijfsleven ruim baan te geven; er moest worden geprivatiseerd, de overheid moest plaatsmaken. 

Van Egmond werkte mee aan het rapport ‘Zorgen voor Morgen’ (1988). Het was de eerste nationale milieuverkenning en bevatte langetermijnscenario’s. Er werd 25 jaar vooruitgekeken en alle aspecten werden in de modellen meegenomen: economie, demografische ontwikkeling, landbouw, mobiliteit, energiegebruik, enzovoort. (Kom er eens om..!) Die geïntegreerde beleidsaanpak was een noviteit, ook in het buitenland ontstond veel interesse.

Koningin Beatrix citeerde dat jaar een zin uit het rapport in haar ‘groene’ kersttoespraak: ‘Langzaam sterft de aarde [..].’ De mens was de natuurlijke bronnen rigoureus aan het uitputten, tegen het eigen belang in maar dat mocht niet hardop worden gezegd. Lobbyclubs, zoals werkgeversorganisatie VNO-NCW, ageerden ertegen. De majesteit had zich, volgens hen, laten meeslepen en deed aan onnodige paniekzaaierij. Tja. 

Er kwam niet alleen kritiek vanuit het bedrijfsleven en uit neoliberale hoek. Ook links deed op haar manier mee aan het grote feest dat we welvaart noemden. Van Egmond haalt in dit verband een uitspraak aan van Joop den Uyl (partijleider PvdA) die stelde dat arbeiders ook ieder een auto voor de deur moesten krijgen.

‘Het was doodeenvoudig geweest effectief beleid te voeren waarmee je de CO2-uitstoot en stikstof had kunnen aanpakken; meer dan twee A4’tjes waren niet nodig geweest. In plaats daarvan heeft de overheid het 40 jaar lang op zijn beloop gelaten’. ‘We zijn zorgeloos overgegaan op steeds grotere auto’s, verdere vliegreizen en buitenlandse beleggingen. De mentaliteit is en blijft er een van: na ons de zondvloed, ook al is er inmiddels een overweldigende hoeveelheid bewijs is voor de immensiteit van de problemen.’ 

Al jaren gaat het er veel te vrijblijvend aan toe maar verbazing wekt dat niet bij Van Egmond. Individualisme en materialisme zijn in de afgelopen decennia de dominante waarden geworden in de westerse wereld. Volgens hem moeten we weg van het hedonisme, weg van de ‘na ons de zondvloed’-houding. Een zinvol leven bestaat uit bijdragen aan het algemeen belang.

We leven nu in een cruciale tijd. Zorgen voor morgen is nu minstens zo relevant als toen. Alles is tegelijkertijd op zijn fundamenten aan het schudden. Het klimaatprobleem, het financiële bestel en Trump zijn nog niet op hun dieptepunt beland, aldus de geïnterviewde. Hopelijk kan worden voorkomen dat kernwapens worden ingezet. Hij denkt dat de mensheid het uiteindelijk wel gaat redden, ‘mits we in staat blijken om tot een hoger bewustzijn te komen.’ Aldus de geïnterviewde. 

Onlangs las ik ook een interview met de Franse econoom Arnaud Orain (1977). Hij spreekt en schrijft over het zogenaamde ‘eindigheidskapitalisme’. Het neoliberale ideaal van voortdurende welvaartsgroei is een utopie gebleken. Daarover publiceerde hij in 2025 een boek met dezelfde titel. Daarin wordt gesteld dat de koek niet meer kan groeien. Het neoliberalisme is ten einde, rijkdom is eindig. Wat de een wint, verliest de ander. Dus als je zelf meer wilt, moet je het deel van je buurman inpikken. Hij spreek dan ook over roofkapitalisme.

Orain stelt dat dit geen uniek verschijnsel is maar een herhaling van patronen uit het vroege kolonialisme van de 17de eeuw (denk bijvoorbeeld aan de VOC). Volgens Orain bereidt het systeem van eindigheid zich voor op een wereld met beperkte grondstoffen en hulpbronnen. Daar de mens de consumptie niet gaat verminderen, zullen de resterende middelen met harde hand moeten worden geclaimd. Die handelswijze zien we nu al duidelijk bij het beleid van de regering-Trump...

Van Egmond en Orain zijn niet de enigen die de publiciteit zochten met een kritisch verhaal over de tijd waarin we leven. Peter Kanne (61), onafhankelijk opiniepeiler bij Ipsos I&O, schreef een boek met de titel ‘Lang zal ik lekker leven’. De ondertitel luidt ‘De genotzuchtige Nederlander: van ik-verslaving naar wij-gevoel’. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Dit boek schreef hij op persoonlijke titel, niet als opiniepeiler. Kanne schetst de stand van het land op zo’n beetje alle denkbare terreinen, onderbouwd met veel cijfers en citaten uit recent verschenen boeken, artikelen en onderzoek van zijn eigen werkgever.

Ook hij ageert tegen het heersende hedonisme. ‘We genieten ons te pletter.’ De Nederlander werd een genotzuchtige individualist die overal recht op meent te hebben; een die weinig ambitie heeft, zichzelf chronisch ziek eet en drinkt, er onbekommerd op los vliegt, verslaafd is aan socialemedia, nauwelijks gesprekken voert met mensen van buiten de eigen bubbel en intussen uiterst tevreden is met het eigen leven. ‘We verweken en verzwakken omdat we vooral aan onszelf denken.’ Nergens ter wereld is men zo individualistisch als in Nederland, meent Kanne.

De markt zegt: we nemen onze verantwoordelijkheid, zonder die ooit echt te nemen. Er is een overheid die teveel mogelijk maakt of juist laat waaien. ‘Politiek betekent niet de burger pleasen maar soms impopulaire keuzes maken in het belang van het geheel.’ Het ultieme relativeren, wat Peter Kanne ‘cynisch nihilisme’ noemt, raakte zo wijdverbreid dat bijna niemand nog ergens voor durft te gaan staan.  

Historicus, schrijver en activist Rutger Bregman trekt al jaren ten strijde tegen moreel verval in de westerse wereld. Ook dat resoneert bij mij. Zijn vrienden noemen hem een zendeling of dominee. (Herkenbaar.) Bregmans vrienden noemen zichzelf ‘nuchtere kapitalisten’, zij laten zich kritisch uit over Bregmans idealisme. (Ook herkenbaar.)

Diens laatste boek is getiteld ‘Morele revolutie’, een vervolg op morele ambitie. Daarin kijkt hij kritisch naar de westerse moraal en roept hij mensen op de wereld een beetje beter te maken. In die zin is moraliteit een soort eigen intellectuele gedragscode, iets dat zetelt in iemands geweten. Simone Weil, de bekende Franse filosofe en activiste zei ooit dat als iets knaagt je in ieder geval weet dat je een geweten hebt... Tja.

Zijn advies aan ons is: denk zelf na en kom in actie. Ieder goedwillend individu kan het verschil maken. Elk kleine beetje goedheid helpt en veel kleine beetjes maken een groot verschil. Dus kijk om je heen en probeer iets te verbeteren. We moeten actiever verdedigen wat er is te verliezen. Het gaat om kleine, haalbare daden, geen heroïsche opoffering. Onze samenleving wordt er weerbaarder van. (Wordt hieronder vervolgd.)


[Vervolg ‘Zorgen voor morgen] Al die verhalen spreken mij aan. Hun verontwaardiging over het doorgeschoten individualisme, materialisme, neoliberalisme, hedonisme en het gebrek aan moreel besef, voel ik ook. 

Ik weet waar dat vandaan komt maar ik kom niet uit een geëngageerd nest dus het is niet genetisch bepaald. Mijn ouders, van de vooroorlogse generatie, waren brave burgers die op de KVP (het latere CDA) stemden. Ze stonden wel voor sociale rechtvaardigheid maar dat werd niet breed uitgedragen. Altruïsme zat niet in mijn familie.

Zelf ben ik van ná de tijd dat links streed voor de verzorgingsstaat, voor goede sociale voorzieningen voor iedereen. Het was ruim vóór mijn tijd dat progressieve politici streden voor vrouwenkiesrecht. Ik sta op de schouders van vrouwen die door het glazen plafond braken. Daarvan ben ik diep doordrongen.


Illustatie: Michael Leunig

Qua gedachtegoed zat ik al vroeg in mijn leven links van het midden. Klein en groot onrecht was mij op jonge leeftijd al een doorn in het oog. 

Een meisje met een ooglapje voor dat werd gepest op school, arme kindjes in Afrika, hongersnood in Biafra, apartheid in Zuid-Afrika, oorlog in Vietnam. Ik trok mij het leed aan van mensen in mijn directe omgeving en het grote leed op afstand. Mijn liefje zegt dat ik nog steeds (te)veel leed van de wereld op mijn schouders meetors...

Als jongvolwassene werd ik zelf activistisch: opkomen voor gelijke rechten voor vrouwen, voor vrijheid om te zijn wie je bent (LHBTI+), opstaan tegen racisme, protesteren tegen militarisme en kernkoppen en -energie. In die tijd kwam ik Anneke tegen. Zij was overtuigd communiste en lid van de toenmalige CPN. Gemeenschappelijk eigendom, klasseloze maatschappij, iedereen produceert naar vermogen en neemt naar behoefte, daar snapte ik wel iets van. Maar kritische burgers opsluiten achter hoge muren met prikkeldraad? Landgenoten hun vrijheid afnemen, net als hun stemrecht? Censuur en surveillance? Deportaties naar strafkampen in onherbergzame gebieden? Moord op dissidenten? Daarvan snapte ik helemaal niets! Hoe kun je zo’n systeem verdedigen als vrije Westerse? We kwamen er niet uit. Er zijn veel gradaties links. 

“Wie niet links is op zijn dertigste heeft geen hart, wie na zijn dertigste nog steeds links is heeft geen verstand.” Deze uitspraak werd toegeschreven aan Winston Churchill maar dat blijkt onjuist. De werkelijke bedenker van deze uitspraak is onbekend. 

In de kern ben ik een progressieveling maar wel een mèt verstand (denk ik). Naast salonidealist ben ik sociaal-democraat in hart en nieren. De klassenstrijd van weleer is passé. De Nederlandse arbeider van weleer behoort inmiddels tot de middenklasse. De situatie van de 21ste eeuwse proletariërs (maaltijd- en pakjesbezorgers, bijvoorbeeld) is nog even treurig. De ongelijkheid in Nederland loopt anno 2026 nog steeds langs sociaal-economische lijnen. We waanden ons lange tijd een klassenloze maatschappij vanwege goede sociale voorzieningen die voor iedereen toegankelijk waren. Dat is niet meer zo. Een goede toekomst wordt voor ‘havenots’ steeds onbereikbaarder. 

Het maatschappelijke middenveld en ‘de gemeenschap’ moeten weer centraal worden gesteld. De kleine groep met grote monden moeten maar eens zwijgen, de zwijgende meerderheid moet de mond maar eens opentrekken. De samenleving moet rechtvaardiger en de overheid moet weer meer gaan reguleren. Goede publieke voorzieningen maken een individu vrijer en de maatschappij eerlijker. 

De Duitse filosofe Eva von Redecker, in het weekblad Der Spiegel een van de eigenzinnigste filosofen van haar generatie genoemd, zei onlangs in een Nederlandse krant: ‘publieke luxe is de enige luxe die we ons in de toekomst nog kunnen veroorloven’. Haar term ‘publieke luxe’ doelt op woningen, energie, mobiliteit, onderwijs en zorg: dat zou voor iedereen volop toegankelijk moeten zijn. 

Waarom willen we toch altijd meer-meer-meer? En waarom dan alleen voor jezelf of de eigen groep? Ik snap best dat we ons geen economische achteruitgang kunnen veroorloven. Een liberale vriend -jawel, die heb ik in ruime mate- legde mij laatst uit dat 1,5% economische krimp funest is voor het huidige welvaartsniveau. Maar ik heb het niet over krimp. Ik heb het over genoegen nemen met wat we hebben, tevreden zijn met het huidige niveau. Filosofe Lena Bril pleitte laatst in de Volkskrant voor een soort zorgeconomie: een systeem waarin het draait om zorgen voor de ander, in plaats van zorgen voor de Dikke Ik.

Mijn liefje bleek eenzelfde gedachtengoed aan te hangen toen ze mijn liefje nog niet was. Toen we elkaar ontmoetten, bleken we beide meisjes in Azië en Zuid-Amerika financieel te steunen (via Foster Parents Plan). Dat was een goed begin van de relatie! Zo lang als ik haar ken (37 jaar en 4 maanden) spreekt zij over de keuze tussen welvaart en welzijn. Welvaart heeft betrekking op je materiële rijkdom en financiële situatie terwijl welzijn draait om levenskwaliteit en -geluk. Het eerste is meetbaar in geld en bezit, het tweede kijkt naar zaken als gezondheid, sociaal netwerk en kwaliteit van de leefomgeving. 

Het ging ons goed tijdens ons werkzame leven en we hebben onze welvaart met plezier gedeeld met anderen. Sharing is caring. Ook voor haar gaat algemeen belang voor eigenbelang. Ook zij zet groei tegenover leefbaarheid. Daarin blijven we elkaar vinden. We betalen belasting omdat we weten welke goede dingen ermee worden gedaan voor de gemeenschap, we geven aan goede doelen, zorgen voor behoeftige buren, zijn gastvrij voor onze vrienden, steunen een gezin in Indonesië. 

Maar ja, we eten ook nog steeds vlees (flexitariërs), rijden een dieselauto, hebben een gaskachel die snort tijdens de wintermaanden en we vliegen graag ver weg. We zijn idealisten maar we zijn zelf verre van ideaal. Tja. 

De Nederlandse identiteit wordt altijd geassocieerd met dominees en kooplui. Het typeert de worsteling tussen ons pragmatisme en onze handelsgeest (winstbejag) en onze neiging om het vingertje op te heffen naar de rest. Ik weet heus wel dat er ook maatschappelijk betrokken ondernemers bestaan en dat je ook geld kunt verdienen door goed te doen. De koopman lijkt het in mijn geboorteland steeds vaker te winnen. Het is duidelijk aan welke zijde ik sta maar mijn dominee is zeker geen orthodoxe of dogmatische predikant die alles verbiedt. Die roept juist op tot meer gemeenschapszin.

Idealen heb ik nog steeds, diepverankerde doelen die je op termijn hoopt te verwezenlijken. Dat is lastiger in je eentje dan met anderen (maar ik draag ze graag uit). Daarom vind ik stemmen zo belangrijk. Nooit eerder werd ik lid van een politieke partij maar dat veranderde recent. Voor mij zijn solidariteit en kansengelijkheid grote idealen.

Mijn standpunten veranderden wel in de loop van de tijd maar niet radicaal. Ook ik laat mij niet gemakkelijk overtuigen van het tegenovergestelde. Geloven in je eigen gelijk is niet per se verkeerd. Als je maar blijft luisteren naar het andere geluid. Dat noemt filosoof Lammert Kamphuis in zijn boek ‘Verslaafd aan ons eigen gelijk’ perspectivistische lenigheid. 

Mijn liefje noemt mij soms ‘intens’, zelf noem ik het vooral gepassioneerd. Als ik discussieer doet ik dat met hart en ziel. Mijn gedachtegoed vertegenwoordigt tegenwoordig een minderheid in de Nederlandse maatschappij en dat is ook zo in onze vrienden- en kennissenkring. Iedereen mag stemmen waarop hij/zij wil maar al te grote verschillen maken een gesprek over politieke kwesties al snel ongemakkelijk. Dan is het beter om het te vermijden. Soms reageer ik eenvoudigweg niet meer op uitspraken. Ik ben -door schade en schande- wijzer geworden. De beste aanpak is om het eens te worden over het feit dat je het met elkaar oneens bent. Voor mij is vriendschap belangrijker dan gelijk krijgen.

Als individu zijn we een zandkorrel in een woelige zee van mensen. Ik realiseer mij dat goeddoen geen betekenis heeft zonder het slechte in de wereld. Komen tot een hoger bewustzijn als mensheid (zoals Van Egmond hoopt)... daarover heb ik mijn twijfels. Steun ontwikkelingshulp en help de wereld vooruit. Betaal belasting en help je land vooruit. Deel een pannetje soep en help je buur vooruit. Als ieder van ons een extra stap zet, kunnen we bergen verzetten met elkaar. Daarin geloof ik! 


zondag 14 juni 2026

Blauw bloed (rood vlees)

Toen de piepjonge Spaanse kroonprinses Leonor de Borbón y Ortiz, prinses van Asturië, onlangs uit een militair vliegtuig sprong voor een parachuteoefening, zal menig Spanjaard met een mengeling van trots en spanning hebben toegekeken. Al ben ik niet per se fan van welk koningshuis dan ook, ik vond het een stoere actie. 

Mijn liefje, de Royalty Watcher van Huize Barefoot, houdt mij regelmatig op de hoogte van het wel en wee van Leonor (20), ons bijzondere buurmeisje. Vorig jaar zag ik een prachtige foto van haar waarin ze zelfstandig een vliegtuig bestuurt boven Cabo de Palos, onze favoriete snorkelplek in Murcia. (Die foto gebruikte ik in mijn Oudejaarsblog van 2025.) 

Een van de grappigste nieuwe ontdekkingen was dat zij en haar vliegeniersmaatjes van de Algemene Luchtmachtacademie (AGA) van San Javier recent een restaurant in Pilar de la Horadada bezochten. Het ging om ‘La Terrazita de Cristobal’. Je zou deze in elkaar geknutselde eetlocatie -deels in de openlucht-  het best kunnen omschrijven als een Man Cave waarin vrouwen ook van harte welkom zijn. Cristobal is een uitermate vriendelijke knul met gulle lach en prettige uitstraling. Hij is geboren en getogen Pilareen en woont in Torre de la Horadada (een buitenwijk als de onze).

Als je vis, vegetarisch of vegan wilt eten, moet je daar niet zijn. Het gaat daar om vlees, vlees en nog eens vlees. Uitsluitend rood van kleur en vakkundig op open vuur bereid. Dit basisingrediënt komt van over de hele wereld: Australië, Amerika, Argentinië, Duitsland (Holstein-koeien) en Japan (Wagyu). Wij bezochten dit restaurant inmiddels twee keer en vonden het er erg gezellig en smakelijk. Je kunt het ons heimelijke genoegen (stiekeme genot) noemen. 

Jong en oud komt er, vooral Spanjaarden en weinig buitenlanders. Zelf ben ik geen groot liefhebber van biefstuk maar de T-Bone Steak is daar ongekend goed. Het stuk vlees in de vorm van een T dat hij ons serveerde, bevat een stukje ossenhaas en een stukje entrecote. Dat moet je dan zelf nog op de plancha  omwentelen voor de gewenste cuisson. Ultra juicy! Als je dan een keer vlees kiest, moet je het goed doen. Cristobal is degene die alles aan tafel aansnijdt, drapeert en op theatrale wijze van grof zeezout voorziet. De groenten komen ook van de grill en zijn eenvoudig maar lekker. Ik snap dat de stoere collega’s van Leonor haar daarmee naartoe namen. De gemiddelde bicepsomvang van de jonge mannelijke clientèle ligt er ruim boven 50cm. Ik keek mijn ogen uit.  

Niet iedere troonopvolger kan zeggen dat hij of zij letterlijk uit een vliegtuig stapt om zich voor te bereiden op de toekomstige majesteitelijke taken. Voor Leonor vormde parachutespringen het sluitstuk van een jarenlange intensieve militaire opleiding die haar moet voorbereiden op haar toekomstige rol als staatshoofd én opperbevelhebber van de Spaanse strijdkrachten. Dat klinkt indrukwekkend en dat is het ook.

Vanaf 2023 doorliep de Spaanse kroonprinses stap voor stap de militaire vorming die traditioneel hoort bij de voorbereiding van een Spaanse monarch. Ze begon aan de militaire academie van het leger, vervolgde haar opleiding bij de marine en heeft nu dus net haar traject bij de luchtmacht afgerond. Daarmee volgde zij hetzelfde pad als haar vader, Felipe VI, voordat hij koning werd. 

Het Spaanse koningshuis hecht veel waarde aan deze militaire vorming. Hoewel de daadwerkelijke militaire beslissingen door een democratisch gekozen nationale regering worden genomen, vindt men het belangrijk dat een toekomstige vorst(in) de krijgsmacht van binnenuit leert kennen. En daarom sprong Leonor uit een vliegtuig. 

Na de zomer gaat ze beginnen aan een studie politieke wetenschappen aan de Carlos III Universiteit van Madrid. Ons ex-buurmeisje zegt ernaar uit te kijken, volgens mijn liefje. 

Ook kroonprinses Amalia van Oranje (22), eveneens ex-buurmeisje van ons (zij woonde op Paleis Huis ten Bosch in Den Haag), bereidt zich zorgvuldig voor op haar toekomstige taak als koningin van Nederland. Zij studeerde PPLE aan de Universiteit van Amsterdam en behaalde haar kandidaatsdiploma. Tijdens deze studie verdiepte ze zich in politiek, economie, recht en geschiedenis. Inmiddels is ze overgestapt naar een vervolgstudie Nederlands Recht (UvA). Tijdens haar eerste studie maakte zij ook kennis met staatsbezoeken, staatsbanketten, officiële ceremonies en de vele maatschappelijke organisaties waarmee een toekomstige Nederlandse vorstin te maken krijgt.

Waar Leonor tanks, schepen en vliegtuigen leerde besturen en ervaring opdeed me militaire oefeningen en parachutes, rondde Amalia begin 2026 een vrijwillig traject aan de Algemene Militaire Opleiding (AMO) af. Ze werd bevorderd tot korporaal en ontving haar donkerblauwe baret. 

De AMO is onderdeel van de opleiding die ze volgt aan Defensity College. Als ze bij Defensie aan het werk is, zal ze een militair uniform dragen. Ze gaat haar opleiding aan dit college eveneens vervolgen. Na als werkstudente werkzaam te zijn geweest bij de Bestuursstaf van het ministerie van Defensie, doet ze dat nu als militair studente bij de Koninklijke Luchtmacht. Zij hoeft niet uit een vliegtuig te springen. 

Er is van oudsher een hechte band tussen de krijgsmacht en het Koninklijk Huis. Willem van Oranje was legeraanvoerder, latere koningen hadden het oppergezag over de krijgsmacht. Sinds de grondwet van 1983 berust het oppergezag bij de Nederlandse regering. Koning Willem-Alexander vervulde zijn dienstplicht bij de Koninklijke Marine. Daarna diende hij bij de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht. De Nederlandse koning voert geen operationeel bevel over de strijdkrachten maar is wel formeel onderdeel van de regering en vervult daarin een ceremoniële rol. 

De militaire opleiding van de ene kroonprinses is niet zwaarder of belangrijker dan de andere, wat mij betreft. Het is geen competitie. Beide kroonprinsessen worden serieus voorbereid op de specifieke rol die hun land van een monarch verwacht. Toch spreekt een parachutesprong op duizenden meters hoogte bij mij iets meer tot de verbeelding. 

Beide jongedames delen iets veel belangrijkers dan hun verschillen: als Gen Z’ers weten ze al sinds hun geboorte dat hun toekomst grotendeels vastligt. Wat dat betreft, zitten ze in hetzelfde schuitje-vliegtuigje... 

Terwijl leeftijdgenoten vrij kunnen kiezen tussen carrières bereiden Leonor en Amalia zich al jarenlang voor op één functie waarvoor geen sollicitatieprocedure bestaat. De één leert nu hoe je veilig uit een vliegtuig springt, de ander hoe je veilig door een politiek mijnenveld navigeert.

Wie krijgt uiteindelijk de lastigste opdracht? Dat is voor nu volkomen onbelangrijk. Er bestaat geen wedstrijd ‘Koningin Zijn’. De jonge vrouwen kennen elkaar goed, hebben een goede band. (Den Ko-ho-ho-ho-ning van Hispanje hep sij altijd geëerd...) De beide koningshuizen onderhouden een warme band. Eén ding staat vast: Leonor en Amalia werken serieus aan hun voorbereiding op een taak die ooit het hoogste ambt in hun geboorteland zal zijn. En dat verdient respect.


woensdag 10 juni 2026

Una perla

Ik herinner me nog goed wanneer het begon. Mijn liefje zat naast mij op de bank lekker bezig te zijn, zoals ik ook deed. Zij met een koptelefoon op luisterend naar muziek, ikzelf zoals altijd met een boek in de hand. Haar ogen hingen aan een filmpje van een jonge Catalaanse zangeres met een stem die zowel eeuwenoud als futuristisch klonk. 

Aanvankelijk had ik geen mening over die adoratie. Iedereen mag toch muzikale helden hebben? Bovendien was het niet de eerste keer dat ze ‘vreemdging’. Haar vorige vlam was een oudere Spaanstalige zangeres die onder andere ‘La Paloma’ op innemende wijze ten gehore bracht. Dat moest ik destijds dagelijks aanhoren. Ik denk dat ze in die periode een koptelefoon aanschafte. (Het is niet uitgesloten dat ik haar die kado deed...)

Mijn liefje raakte deze keer volledig in de ban van de Spaanse jonge zangeres Rosalía (1992). Dit wordt een blijvertje, vermoed ik... De vlammen worden wel jonger in de loop van de tijd?! Zij kent weliswaar niet alle songteksten uit haar hoofd maar kan wel alle liedjes van haar recentste album ‘Lux’ opsommen. Dat is tevens de naam van de wereldtour die de zangeres momenteel maakt. Terwijl de meeste mensen denken dat flamenco iets is voor Spaanse restaurants die een toeristisch avondje organiseren, kan mijn liefje uitleggen hoe Rosalía eeuwenoude Spaanse tradities vermengt met pop, elektronica, urban muziek en experimentele klanken. Geloof het of niet.

Deze zangeres kreeg haar opleiding aan de Taller de Músics in Barcelona. Twee jaar lang studeerde ze er piano, muziektheorie, zangtechniek, flamenco- en jazz-zang en gitaar. Daarna deed ze een vervolgopleiding aan Colegio Can Fabra, eveneens in Catalonië. Daar verdiepte ze zich in vakken als muziekgeschiedenis, flamenco-harmonie, muziektheorie voor gevorderden en de grondbeginselen van compositie; alles onder begeleiding van docenten die bekend zijn in hun vakgebied.

Eerlijk is eerlijk: ik begon Rosalía ook te waarderen. Terwijl ik dit typ, galmt haar lied ‘La Perla’ door mijn hoofd. Daarin wordt op creatieve wijze afgerekend met een nare ex. La Perla wordt in het Spaans regelmatig gebruikt in ironische zin. De bezongen ‘parel’ is namelijk een rotzak, een emotionele terrorist, een harteloze hartenbreker. Het woord zou ook refereren aan de naam van de achterbuurt in Puerto Rico waar Rosalía’s ex opgroeide: zanger en danser Rauw (Raúl) Alejandro (1993). Het stel ging in 2023 uit elkaar. 

We wandelden terug naar huis na een tapaslunch bij Claudia, de jonge eigenaresse van restaurant Mediterráneo in onze woonwijk. Daar was dat lied te horen. Ik vroeg Claudia wat zij vindt van Rosalía’s muziek. Dit was haar antwoord: ‘me gusta regular’... (Ik vind het oké.) Waarom die gematigdheid? Claudia zei haar als mens geweldig te vinden maar niet alle liedjes spreken haar aan. Logisch. Je muziekkeuze is een van de allerpersoonlijkste voorkeuren. Daarover valt nauwelijks te deliberen.   

Vervolgens begon ze uitgebreid te praten over het nummer ‘Berghain’ dat ze geweldig vindt. Het is de naam van een Berlijnse discotheek waar vele jongeren zouden willen dansen maar niet iedereen wordt toegelaten. Niemand weet precies waarom wel of niet. Een enigma. Bij thuiskomst luisterde ik naar het nummer en bekeek ik de bijbehorende videoclip.

Het lied begint heel rustig. Een symfonieorkest speelt en Rosalïa zingt opera. Het orkest speelt in de clip op uiteenlopende locaties (in een huiskamer, een hotelkamer, een tram, etc.). Met af en toe korte teksten in de Duitse taal. 
Voor dit nummer werkte ze samen met zangeres Björk. De bijdrage van dj Yves Tumor, die een vrouwonvriendelijke tekst in het Engels herhaalt, kon mij niet bekoren. 

Het nummer is boeiend, net als de soms surrealistische clip. Maar het zal nooit in mijn Evergreen Top10 komen of worden gedraaid tijdens mijn afscheidsdienst. De song gaat zeker niet over een of andere mysterieuze discotheek in Berlijn, Claudia! Het gaat wederom over een giftige relatie met een ex. Ik heb goed geluisterd. 

Wat wèl mijn hart wel beroerde, was Rosalía’s optreden met de Portugese zangeres Carminho in Lissabon. Samen zongen de jongedames in het Portugees het nummer ‘Memória’. Prachtige stemmen, un dueto con mucho amor! De wederzijdse waardering spatte er vanaf. Zacht als een zomerregentje... Mmm.  

Haar stem kan fluisteren als een liefdesgedicht en even later uitbarsten met de intensiteit van een zomerstorm boven de Middellandse Zee. Haar stem heeft een zeer groot bereik, het zou tot 3,5 octaaf reiken. (Mariah Carey, Whitney Houston, Freddy Mercury en Luciano Pavarotte zouden dat ook -net- halen.) Ze wordt geclassificeerd als lyrische sopraan met een kristalheldere stem die kan wisselen tussen zachte noten en krachtige uithalen.

Wat mij persoonlijk vooral fascineert, is haar lef. Veel artiesten kiezen een veilige weg naar succes. Rosalía deed precies het tegenovergestelde. Ze nam financiële risico's, brak regels, mengde genres die volgens de muziekpolitie nooit bij elkaar mogen komen en creëerde daarmee een geheel eigen universum, een waarin traditie en vernieuwing hand in hand gaan.

Mijn liefje raakte ondertussen meer en meer verslingerd aan haar nieuwe vlam. Elke nieuwe videoclip die ze ontdekte, was een ware happening. Elke nieuwe foto was het onderwerp van gesprek gedurende tenminste één lunch of diner. Elke nieuwe muzikale samenwerking werd uitvoerig geanalyseerd alsof het een medisch dossier betrof.

Zo’n fan wil je toch plezieren?! Als Rosalía iets eerder op mijn pad was gekomen, had ik kaarten gekocht voor haar concert in Madrid (april 2026). We moesten die maand immers naar de hoofdstad voor de vernieuwing van onze paspoorten bij de Nederlandse ambassade. Een gemiste kans. Rosalía’s wereldtour eindigt op 3 september in Puerto Rico.

Nu kan ik wel schrijven ‘hoe ouder hoe gekker’ maar daarmee doe ik mijn liefje tekort. Doorgaans geeft ze blijk van goede smaak. Ook ik gaf mij uiteindelijk gewonnen. Hoe kun je als ‘tot tweede viool gemaakte’ niet onder de indruk raken van een eigenzinnige vrouw die al op jonge leeftijd uitgroeide tot een wereldwijd icoon? Van Barcelona tot Buenos Aires, van Madrid tot Miami: overal herkennen mensen die unieke stem, die gedurfde stijl en haar uitstraling van zelfvertrouwen. Rosalía bezit de zeldzame kwaliteit die haar tegelijkertijd een popster en een kunstenares maakt.


Onlangs werd in Huize Barefoot een nieuwe dimensie aan dit liefdesverhaal toegevoegd. Mijn liefje vertelde dat Rosalía een novia heeft, genaamd Loli Bahía. Ik zag weer die bekende glinstering in haar ogen. Haar muzikale heldin voegde wéér een hoofdstuk toe aan een verhaal dat miljoenen fans wereldwijd met plezier volgen. 

Deze Loli is in Frankrijk geboren, heeft een Algerijnse moeder en een Spaanse vader. Ze is actrice en model voor onder andere Louis Vuitton, Prada en Chanel. Naast de catwalk, in haar vrijetijd, kiest ze voor een nogal androgyne stijl die je nonchalant cool kunt noemen.

Ik kon alleen maar glimlachen. Alhoewel ik weleens grap dat ik mijn liefje moet delen met Rosalía begrijp ik waar haar fascinatie vandaan komt. Rosalía staat voor creativiteit zonder grenzen, voor de moed om jezelf steeds opnieuw uit te vinden en uit te d(r)agen. Zij staat voor passie, vakvrouwschap en een ontembare nieuwsgierigheid naar wat het leven haar heeft te bieden.

Dus als mijn liefje tegenwoordig een nieuw lied deelt en mij enthousiast vertelt wat de zangeres nu weer heeft bedacht, luister en kijk ik mee. Ik betrap muzelluf erop dat ik ook een beetje bevangen raakte. Flarden van haar songs klinken dagelijks in mijn hoofd. Sommige sterren schijnen zo helder dat ze niet alleen podia verlichten maar ook de fans om hen heen. Rosalía is zo iemand: jong, briljant, eigenzinnig en onweerstaanbaar. Een artieste die niet simpelweg muziek maakt maar fantasieën creërt en ze ons (mede) laat beleven. Het is Rosalía zelf die een ware parel is. Daarin klinkt uit mijn mond geen sprankje ironie door.


zaterdag 6 juni 2026

Liefdesbrief aan mijn gevederde vriendjes

et is weliswaar geen lente meer dus de piek van het broedseizoen is voorbij maar dat wil niet zeggen dat er niet nog wordt gezorgd voor nieuw leven. Wij maakten het van dichtbij mee. In onze tuin staat een boom of grote struik (Durante erecta) die we ‘Stoute Jongensboom’ noemen. Het is niet alleen een verfraaiing van onze tuin, het is een prima broedplek voor vogels. In onze tuin leven een grote residente groep Spaanse huismussen en een vaste kern merels. Die strijden jaarlijks om de beste plek om een nest te bouwen en nageslacht te produceren.

Dit jaar was er een duidelijke win-winsituatie voor alle betrokkenen. We bleken een merelnest in de stoute jongens te hebben en een mussennest in de gele Bougainvillehaag. Het gepiep kwam dagelijks van twee kanten. Het is zoals Nederlands beste vogelaar zegt (Arjan Dwarshuis): ‘horen is scoren’. Je ziet ze niet maar ze zijn er wel!

Op een vroege avond streek een klein, donkergrijs bolletje veren met grote ogen neer voor onze neus. Wij zaten op de patio en keken naar de jonge merel (ook wel ‘takkeling’ genoemd) die weliswaar recht op zijn pootjes stond maar niet bewoog. Het dier stond stokstijf en reageerde niet op onze aanwezigheid. Ik moest denken aan jonge kinderen die verstoppertje spelen en dan de handen voor hun eigen ogen slaan, zo suggererend dat anderen hem of haar niet kunnen ziet. 

Van deze vogelsoort (turdus merula) is bekend dat de jonkies uit het nest springen (of zich laten vallen) voordat ze kunnen vliegen; dat wordt de ‘uitvliegfase’ genoemd. Ze kunnen dan nog niet vliegen, zijn nog niet volledig op gewicht en hebben nog een kort staartje. Dat was hier ook het geval. 

Het duurt dan nog ongeveer een week voordat ze aan hun vlieglessen beginnen. Gedurende die tijd op de grond winnen ze aan vliegkracht door veel met hun vleugens te wapperen. Ze worden dan nog steeds gevoederd door hun ouders, die in de buurt blijven. Mijn liefje stelde voor het diertje water te geven, ten faveure van het groeiproces. Dus even later kwam ik terug met een bakje vers water dat ik naast het vogeltje wilde neerzetten. Toen ik iets te dichtbij kwam naar zijn of haar zin hipte het weg, richting een hoek van het terras. Dat vond ik op zich een betere, meer verscholen plek dan middenop de patio; zichtbaar voor alles en iedereen. Ik zette het waterbakje neer en trok mij terug. Echter niet zonder foto’s te hebben gemaakt. Je kent mij. 

Op de vroege volgende ochtend keek ik door het raam toen ik iets zwarts over de grond zag wegschieten. Was dat een kat? Vader merel vloog tegelijkertijd op. Dat gaf geen goed gevoel. Ik liep naar buiten en zag wat ik vreesde: de jonge merel lag dood in de buurt van de stoute jongens, zijn voormalig veilige nest. Met een bloedveeg op de tegel naast het diertje. Kasian. Een merel in je tuin is doorgaans een teken van een gezonde, gevarieerde leefomgeving; met voldoende beschutting en voedsel. Dat wil echter niet zeggen dat het er ongevaarlijk is. Dat blijkt! Samen namen we afscheid van het dode vogeltje. 

De merel is geen vogel die in mijn nieuwste vogelboek wordt beschreven omdat deze soort niet wordt bedreigd. Tenminste, niet in de wijde wereld. Deze vogel wordt daarin wel terloops genoemd als ‘achtertuintroubadour’. Een toepasselijk en creatief woord. Vriend Piet bracht het boek onlangs mee uit Nederland. 

De Nederlandse titel is ‘Het vogelboek’, geschreven door de Britse auteur en natuurkenner Robert Macfarlane en rijk geïllustreerd door de Britse schrijfster en illustratrice Jackie Morris. De Engelse titel is wat explicieter: ‘The Book of Birds. A Field Guide to Wonder and Loss’. Het tweetal werkte zes jaar aan dit bijzondere boek. Het moet ook een grote klus zijn geweest om het te vertalen, vanwege de hoge literariteit. Voor de Nederlandse vertaling tekende literair vertaler Nico Groen, neerlandicus, gerenommeerd vertaler van non-fictie en docent aan de Leidse Schrijversacademie. Hij is de vaste vertaler van Macfarlane. 

Dit vogelboek werd inmiddels besproken in mijn favoriete natuurprogramma op NPO1-radio ‘Vroege Vogels’ en afgelopen weekend in het onderhoudende radioprogramma ‘Nieuwsweekend’. Beide besprekingen waren lovend. Het is een compendium van 49 vogelsoorten, waaronder de ijsvogel, nachtegaal, nachtzwaluw, zanglijster, stern, torenvalk en bosuil die in het VK worden bedreigd of waarvan de aantallen achteruithollen. (Dat is overigens ook van toepassing op Nederland.) 

Dit prachtige boek begint met een sombere boodschap: de dagenraad en de lente zijn stiller, de lucht leger. ‘Een eeuwenoud vogelorkest verstomt.’ Er zijn nu drie miljard minder vogels in Noord-Amerika dan 50 jaar geleden en vijf miljoen minder vogels in Europa. Wereldwijd is bijna 50% van de vogelsoorten in aantal aan het afnemen.

Dit is geen klassieke vogelgids; het is veel meer. Waar traditionele veldgidsen vooral zijn gericht op het herkennen en classificeren van vogels, proberen Macfarlane en Morris een andere vraag te beantwoorden. Niet ‘wat is die vogel?’  maar ‘wie is die vogel?’ Daarmee plaatsen zij zich nadrukkelijk in de traditie van de literaire natuurbeschouwing, waarin verwondering en betrokkenheid even belangrijk zijn als kennis. 

Elke vogel kreeg een eigen tekst waarin Macfarlane feitelijke observaties vermengt met poëtische beschrijvingen, met een sprankje folklore en veel persoonlijke fascinatie. Zijn schrijfstijl is heel beeldend. Soms balanceert hij op de grens van proza en poëzie. Daardoor geeft hij de lezer het gevoel dat vogels geen studie-objecten zijn maar medebewoners van dezelfde wereld.

De visuele kracht van het vogelboek komt door de prachtige illustraties van Jackie Morris. Haar aquarellen, verrijkt met subtiele kleuraccenten, zijn verbluffend mooi. Ze hebben niet de precisie van wetenschappelijke tekeningen maar stralen leven, beweging en karakter uit. Elke afbeelding lijkt een eerbetoon aan de vogel die zij verbeeldt. Tekst en beeld versterken elkaar voortdurend, waardoor het boek evenzeer een kunstwerk is. Goed voor op de koffietafel! 

Dit vogelboek is niet alleen een viering van schoonheid. Op vrijwel elke pagina ligt onder de tekst een gevoel van verlies. In het hoofdstuk over kievitten (vanellus vanellus) staat het als volgt: ‘Ooit waren er zo veel dat het was, wanneer ze keerden op hun vlucht, alsof de hemel draaide om zijn as.’ Dat is helaas van toepassing op alle vogelsoorten die in dit boek worden besproken en afgebeeld. 

De auteurs wijzen op de wereldwijde afname van vogelpopulaties en laten zien hoe de lucht boven onze hoofden steeds stiller wordt. Dat gebeurt niet op moralistische toon maar door de liefde voor vogels centraal te stellen. Hun impliciete boodschap is helder: mensen beschermen alleen wat zij werkelijk leren waarderen.

‘Het vogelboek is opgedragen aan alle vogels, om hun schoonheid en hun leven in het wild’. Dit is de laatste zin van dit fraaie 383 pagina’s tellende boek. Het is een ode aan de rijkdom van het vogelleven én een herinnering aan wat verloren dreigt te gaan. Mijn eigen exemplaar leest als een liefdesbrief aan mijn gevederde vriendjes. Aanrader!


dinsdag 2 juni 2026

Krijn & Co.


Illustratie: Jean Goudens

Wanneer bepaalde politici spreken over ‘de oorspronkelijke Nederlander’ lijkt daarin een verlangen naar een gedroomd verleden door te klinken. Naar een land van uitsluitend mensen met blonde haren, lichte huid en blauwe ogen. Nieuwe partijleider Lidewij de Vos van Forum voor Democratie (FvD) stelde vorige week tijdens een debat in de Tweede Kamer dat de mensen die “van oorsprong” in Nederland wonen, in de meerderheid moeten blijven. Daarmee doelde zij, impliciet maar overduidelijk, op blanke Nederlanders. (Het woord ‘blank’ in plaats van ‘wit’ is een extreemrechts hondenfluitje, een verhulde boodschap voor ingewijden.)

‘Maak blanke kindjes stond er op een sticker die was aangebracht tijdens de recente demonstraties tegen de komst van een asielzoekerscentrum (AZC) in Loosdrecht. Daar zit geen woord Spaans bij. 

Al ten tijde van aanvoerder Thierry Baudet noemde deze partij het blanke ras superieur aan gekleurde rassen. Baudet was geobsedeerd door raszuiverheid. Enkele jaren geleden stelde hij voor om alle fractiemedewerkers van Forum in de Tweede Kamer te laten testen op de aanwezigheid van Arisch bloed. Germaans, Noord-Europees raszuiver bloed. (Dit was te lezen in het Historisch Nieuwsblad.) 

Hiermee hangt de complottheorie over ‘omvolking’ samen, ook wel de ‘Grote Vervanging’ genoemd, die door deze politieke partij eveneens wordt aangehangen en inmiddels ook uitgedragen. Men is er in die kringen van overtuigd dat Europa's witte bevolking door een (Joodse) elite bewust wordt vervangen door gekleurde migranten van buiten Europa.

De Nederlandse inlichtingendienst AIVD noemt dit een ‘feitelijk onjuiste complottheorie’ en waarschuwde al in 2017 voor de opkomst van aanhangers ervan. Het o-woord is een vertaling van het Duitse woord ‘Umvolkung’, een term die in de jaren '30 van de vorige eeuw door de nazi's werd geïntroduceerd. Zij waren groot voorstanders van omvolking. Zij wilden alle inheemse bewoners van de veroverde gebieden ‘germaniseren’, om zo het Germaanse ras te laten groeien en ze ‘Lebensraum’ te geven. Dat mondde in de Tweede Wereldoorlog uit in de grootschalige vernietiging van Joden en het ondergeschikt maken en verdrijven van Slavische volkeren (die de nazi’s ‘Untermenschen’ noemden). 

Het o-woord werd rond 2011 populairder door het boek ‘Le grand remplacement’ van de radicaalrechtse Fransman Renaud Camus. Hij schreef dat autochtone Fransen binnen twee generaties zouden worden vervangen door Afrikanen en Arabieren. 

Het goede nieuws (nou ja...) aan dat openbare Kamerdebat is dat Forum voor Democratie publiekelijk werd ontmaskerd als fascistische, racistische en antisemitische partij. In gewoon Nederlands: een doodenge club. Dat beweer ik al jaren. De nieuwe leider van deze partij zette zich tot voor kort graag neer als de redelijke stem van niet-gehoorde Nederlanders. Zelfs politieke hardliners op rechts (Mona Keijzer, Dilan Yesilgöz c.s.) gingen de opmerkingen van De Vos te ver. Kunnen we nu spreken van de Grote Ontmaskering? Is het Lidewij-effect hiermee ongedaan gemaakt? De peilingen tonen iets anders. Uit het Nationaal Kiezersonderzoek blijkt onder andere dat het vertrouwen in de politiek niet toeneemt maar de steun voor autoritair leiderschap wel en dat Nederlandse stemmers niet per definitie de liberale democratie steunen. Tja. 

Onze nationale geschiedenis en de wetenschap vertellen een heel ander verhaal over oorspronkelijke bewoners. Een veel complexer en rijker verhaal. De Nederlandse bodem, of beter gezegd de Noordzeebodem, gaf in de afgelopen jaren resten prijs van zeer oude bewoners van wat nu Nederland heet. Een jongeman vond een schedelfragment aan de Zeeuwse kust. Op basis hiervan reconstrueerde men ‘Krijn’, de oudste oer-Nederlander. Hij was een neanderthaler die tijdens de Steentijd in Doggerland leefde, het verdronken land tussen Nederland en Groot-Brittannië; nu dus de Noordzee. 

Men ontdekte dat hij circa 20 jaar oud moet zijn geweest toen hij overleed. Hij leefde waarschijnlijk met mammoeten, rendieren en wolharige neushoorns. De twee Nederlandse paleo-artiesten die deze oer-Nederlander een gezicht gaven “[..] wilden niet zo'n heel stijf oermens-stereotype, we wilden een gewone jongen maken die je ook op straat kan tegenkomen. En een neanderthaler kan ook ergens om gelachen hebben.” Nice to meet you, Lidewij! 

Dat verrassende beeld werd eerder bevestigd door Britse onderzoekers die de beroemde ‘Cheddar Man’ reconstrueerden: een van de oudste gevonden Britten bleek donkerbruin van huid en had blauwe ogen. In 1903 werd een skelet ontdekt uit het Mesolithicum in Gough's Cave in Cheddar Gorge, Somerset. (Die indrukwekkende kalkstenen kloof bezochten mijn liefje en ik eens toen we in het Verenigd Koninkrijk woonden.) 

Deze Cheddar-man, jager-verzamelaar, leefde ongeveer 10.000 jaar geleden en is het oudste bijna complete skelet van onze soort, homo sapiens. Cheddar Man heeft de genetische kenmerken van huidpigmentatie die doorgaans worden geassocieerd met Afrika ten zuiden van de Sahara.

Weer andere genetici kwamen in 2014 tot de conclusie dat het stereotype van de oer-Europeaan als blond en wit historisch onhoudbaar is. Er werden botresten gevonden in twee grotten in het noordwesten van Spanje. Genetische tests die werden uitgevoerd onder leiding van wetenschappers van het Instituut voor Evolutionaire Biologie in Barcelona toonden aan dat de jagers-verzamelaars die 7.000 jaar geleden leefden, de ongebruikelijke combinatie van een donkere huid, donker haar en blauwe ogen hadden. Dat verraste hen. Zij verwachtten dat de vroege bewoners van Europa een lichte huidskleur hadden. Het onderzoeksteam ontdekte dat de vroege Europeaan genetisch gezien het nauwst verwant was aan toenmalige mensen in Zweden en Finland. 

Genetisch onderzoek naar vroege Europeanen en bewoners van dit gebied wijst er dus op dat de eerste mensen in grote delen van Europa vaak een donkere huid hadden, gecombineerd met lichte ogen. Daarvan stammen wij allemaal af, ook de mannen met zwarte capuchons die ‘Wij zijn Nederland!’ brullen tijdens demonstraties.

De ironie in al die wetenschappelijk bevindingen kan niet worden misverstaan. Juist degenen die in Nederland het hardst roeptoeteren over het beschermen van een ‘blanke oerbevolking’ beroepen zich op een verleden dat nooit heeft bestaan. 

Europa is namelijk altijd een continent van migratie geweest. Volkeren kwamen en gingen. Jagers-verzamelaars trokken vanuit de hoorn van Afrika en het Midden-Oosten naar het noorden. Later kwamen er landbouwers uit Anatolië aan. Daarna verschenen Indo-Europese stammen, Romeinen, Germanen, Vikingen, Joden, Spanjaarden, Fransen, Molukkers, Surinamers en talloze anderen. Nederland is geen zee van raszuiverheid maar een delta: een plek waar veel stromen samenkomen. 

Zelfs het idee van ‘ras’ blijkt wetenschappelijk uiterst wankel. Moderne genetica laat zien dat verschillen binnen bevolkingsgroepen vaak groter zijn dan tussen bevolkingsgroepen. Huidskleur is bovendien geen cultureel -laat staan moreel- kenmerk, het is een evolutionaire aanpassing aan zonlicht en vitamine D. Een lichtere huid werd in Noord-Europa pas dominant nadat de landbouw zich er verspreidde en ons voedsel veranderde. (Doordat Anatolische landbouwers meer granen aten, zou onze huid lichter zijn geworden.) 

Dat betekent echter niet dat er geen sprake kan zijn van een sociale of culturele identiteit (eigenheid), nationaal of individueel. Mensen hechten aan taal, geschiedenis, gewoonten, normen en waarden. Maar praten over identiteit wordt gevaarlijk zodra het verandert in een begrip met mythologische betekenis. Als extreemrechtse politici (van partijen als FvD, PVV en DNA) doen alsof Nederland ooit een etnisch homogene samenleving was, doen zij de werkelijkheid geweld aan en betreden zij het terrein van het zogenaamde ‘romantisch nationalisme’. Men idealiseert de oorsprong van de eigen natie op basis van wensdenken. 

Saillante details in deze context zijn dat Geert Wilders een gemengde Indonesisch-Nederlandse achtergrond heeft en dat hij al sinds het begin van zijn politieke carrière zijn haar blondeert en dat de leider van De Nederlandse Alliantie (DNA) Gideon Markuszower in Israël werd geboren (diens vader is van Pools-Joodse afkomst). Ook zij zijn het die complottheorieën aanhangen, zoals die over omvolking. Ook zij willen Nederland blank houden. Tja.    


Illustratie: Van Handelsman
De theorie van omvolking is kwaadaardig en in vele opzichten problematisch. Het begrip suggereert niet alleen dat bevolkingsverandering een boosaardig complot is maar ook dat sommige personen nederlandser zijn dan anderen. Alsof Nederland eigendom zou zijn van één menstype met één specifieke set lichaamskenmerken?! De oer-Hollander uit extreemrechtse fantasieën lijkt eerder op een personage uit een 19de eeuws schilderij dan op een mens van vlees en bloed. 

De wetenschap prikt die illusie genadeloos door en dat is maar goed ook, al zullen er altijd mensen zijn die twijfels houden over de rol van de wetenschap (dat is ook een met name extreemrechtse hobby). 

Een van de belangrijkste conclusies omtrent Krijn en zijn collega oerbewoners is dat zij donkerder zijn dan veel hedendaagse Nederlanders of Europeanen. Een andere conclusie is dat identiteit geen fossiel is. Het is geen doods begrip, het is juist springlevend. Identiteit is dynamisch, het verandert en vermengt zich voortdurend. Wie diep genoeg graaft in de Nederlandse geschiedenis vindt die constante verandering en vermenging. 

Die gekleurde voorouders maakten Nederland tot óns land. Nederland heeft een nationale identiteit waarvan diversiteit en verscheidenheid altijd de grootste krachten waren. Daar ligt onze toekomst, dát is Nederland! 


zaterdag 30 mei 2026

Brief aan Rob

Illusttratie: Hajo de Reijger
In de afgelopen periode deed ik ervaring op met het schrijven van open brieven (zie mijn ‘Brief aan Etty - deel 1 en 2’). Zo kreeg ik de smaak te pakken. Daarom richt ik mij nu publiekelijk tot de premier van Nederland, Rob Jetten. Ik weet nog niet of ik er een gewoonte van ga maken...

Beste Rob,

waar ben je?

Ik stel die vraag niet als cynicus of beroepsmopperaar maar als iemand die ooit geloofde in de bevlogen, progressieve D66'er die je was. Is die verleden tijd terecht of ben je dat nog steeds? Waar is de man die sprak over klimaatverantwoordelijkheid alsof het een morele plicht was. De politicus die zei dat economische groei nooit belangrijker mocht zijn dan menselijke waardigheid en een leefbare aarde. De klimaatdrammer, zoals je door tegenstanders smalend werd genoemd. Een geuzennaam die jou paste en jij met trots droeg.

Waar is die man gebleven?

Als ik naar het optreden van kabinet-Jetten kijk, zie ik een regering die zich gedraagt alsof de VVD nog steeds de dominante politieke partij van Nederland is. Alsof de verkiezingsuitslag een administratieve vergissing was die zo snel mogelijk moest worden gecorrigeerd in de achterkamers van Den Haag. Waar is de leider van de partij die de verkiezingen won? De man die beweerde dat het wél kon, die positiviteit uitstraalde waardoor velen zich na desastreuze politieke jaren weer aangesproken voelden?

Je bent nu premier maar tegen welke prijs?

Rob, op vrijwel alle beleidsterreinen heb je je laten inpakken door coalitiegenoot VVD. Is er te snel geformeerd? Kreeg je slappe knieën? Wilde je wellicht te graag? Wat heb je in vredesnaam in een coalitie met deze partij te zoeken? Je verkocht jouw ziel aan de duivel. Je kwam aan de macht maar je komt nog niet aan regeren toe. Ooit noemde je jouw partij ‘de progressieve motor van de coalitie’ (Rutte III, 2019). Nu vind je bestuurlijke regels, coalitiediscipline en het pluche kennelijk belangrijker dan regeren op basis van progressieve waarden en normen. De principes waarmee je ooit schermde, lijken ingeruild voor compromissen die telkens dezelfde kant op lijken te vallen: naar rechts. Ik zie vooral sociaal-economisch conservatisme en behoudzucht.

Hoe heeft de sociaal-economische agenda van ‘jouw’ kabinet zo conservatief kunnen uitpakken?

Er kwamen monsterbezuinigingen op de sociale zekerheid en zorg (verhoging AOW-leeftijd, begrenzing van WW en WIA). Onder jouw bewind mag er meer worden gevlogen in plaats van minder (Lelystad Airport open en Schiphol behoudt 478.000 vluchten per jaar). Onder jouw leiding zijn er meer in plaats van minder fossiele subsidies en coulance voor vervuilende bedrijven (geen CO2-heffing, geen rekeningrijden). Met kabinet-Jetten komt er meer geld voor de beter gesitueerden in plaats van voor minderbedeelden (hypotheekrenteaftrek en bankiersbonus). Waarom? 

Waarom klinkt er uit jouw kabinet zoveel begrip voor begrotingsdiscipline maar ogenschijnlijk zo weinig urgentie op woningnood, sociaal-economische ongelijkheid, voedselarmoede en uitgeholde publieke voorzieningen? Waarom blijft de vermogensongelijkheid vrijwel onaangetast? Onlangs hoorde ik een deskundige beweren dat als de winstbelasting met een half procent wordt verhoogd, de kosten van sociale voorzieningen voorlopig zijn gedekt. De urgentie waarmee je ooit sprak, lijkt nu verdwenen in een mist van bestuurlijke terminologie.

Andere openstaande dossiers vervreemdden progressieve Nederlanders in korte tijd van deze regering. Het steeds hardere migratiedebat, waarin menselijkheid verdween achter kille cijfers en afschrikbeleid. Burgerprotesten die steeds meer invloed kregen terwijl lokale bestuurders in de kou staan. Raddraaiers en hun acties die nauwelijks of te laat krachtig werden veroordeeld. Ondemocratisch politiek gekonkel dat niet aan banden werd gelegd. De verruwing in de Tweede Kamer en onder politici is een doorn in veler ogen. Dit kan niét! 

Het gemak waarmee demonstranten tegenwoordig als veiligheidsprobleem verdacht worden gemaakt, leidt tot vraagtekens bij kritische maar welwillende burgers. Ook de groeiende surveillancehonger van de staat veroorzaakt buikpijn bij velen. Dat doet ook de aarzelende houding tegenover machtige techbedrijven die onze publieke ruimte koloniseren en het geestelijk welzijn van onze jongeren aan de haaien voert. De rode lijn is echt een rode lijn, geen snel Instagram-praatje of -plaatje. Om over de handhaving van internationaal recht maar helemaal te zwijgen. Je weet toch dat halve maatregelen leiden tot hele mislukkingen?

Nederland is vastgelopen, het land staat stil en het probleemoplossend vermogen van de overheid schiet ernstig tekort. Bij jouw aantreden beloofde je er iets aan te gaan doen. Je wekte de indruk dat grote problemen snel zouden worden opgelost door Kabinet-Jetten. Is de hoop nu gevestigd op het nieuwste speeltje van staatssecretaris Eric van der Burg (VVD): Project Slagvaardige Overheid? Ik snap best dat niet alles kan worden gerepareerd of hersteld in enkele maanden tijd.

Ooit sprak je over een nieuwe generatie politici die zou aantreden. Millenials aan de macht! Inmiddels hoor ik vooral dezelfde technocratische ‘oude politiek’-taal die Nederland al twintig jaar lamlegt: draagvlak, haalbaarheid, efficiëntie, marktwerking, internationale concurrentiepositie. Woorden zonder gevoel, zonder hartslag. Woorden die nauwelijks resoneren bij mensen zoals ik.

Wat wel een opsteker is, is het recente besluit van partijgenote Willemijn Aerdts (D66), staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit. Zij verbood de overname achter DigiD, de digitale toegangspoort tot onder andere de Nederlandse Belastingdienst, en kwam daarmee op voor het algemeen belang. Eindelijk iets positiefs! 

Begrijp mij goed: ik begrijp dat regeren neerkomt op compromissen sluiten. Dat begrijpt iedereen in polderland Nederland. Niemand verwachtte deze keer dan ook een revolutie vanuit het Torentje. Maar er is een verschil tussen compromissen sluiten en jezelf verliezen of de eigen principes verloochenen. Er is een verschil tussen verantwoordelijkheid nemen en je idealen verdunnen tot er niets meer van overblijft behalve een keurige glimlach in een praatprogramma of een glad verhaal tijdens de wekelijkse persconferentie. De hoopvolle politicus van weleer veranderde in een beheerder van wat hij ooit openlijk verafschuwde. 

Om al deze redenen schrijf ik je deze brief.

In 1966 werd jouw partij opgericht door bezorgde Nederlandse democraten. Ze schreven een paginalang Appèl aan iedere Nederlander die ongerust was over de ‘ernstige devaluatie van onze democratie’. Iets dat nu ook zorgen baart. Het  Nederland van nu heeft evenmin behoefte aan pappen en nathouden. Het land heeft allereerst behoefte aan een zichtbare premier, niet alleen op sociale media. Iemand die zich helder -niet omfloerst- uitspreekt over misstanden in het land en daarbuiten. Iemand die ook zijn hart laat spreken. (Ik weet dat je een integer mens bent.) Heel veel lijkt nu juist niet te kunnen vanwege dit minderheidskabinet dat jouw naam draagt. Het is de constructie waarvoor jij koos. Er was een beter alternatief. Voor héél Nederland.

Illustratie: Bas van der Schot
Een progressieve partij zonder moed en moreel kompas is slechts decoratie in een steeds rechtser wordend speelveld. Weet, dat er nog steeds mensen zijn die ergens in geloven. Ga voortvarend aan de slag voor iedereen, niet alleen voor een geprivilegieerde bovenlaag. 

Het vertrouwen in kabinet-Jetten onder Nederlanders is na drie maanden regeren minder dan in het rampzalige kabinet-Schoof dat aan het jouwe voorafging: 24% (Ipsos I&O Publiek). Het gepeilde zetelaantal van D66 is inmiddels gehalveerd. Het optimisme lijkt verdwenen. Doe daar wat aan! Politieke daadkracht, opbouwende (haalbare) plannen, betrouwbaar bestuur en betere samenwerking met oppositie en sociale partners. Het klinkt zo simpel...

Dus nog één keer de vraag, beste Rob:

waar is de man die ooit zei dat politiek méér moest zijn dan pragmatisch overleven?

Met oprechte deelneming en een restje hoop,

Barefoot on the Beach


  

dinsdag 26 mei 2026

Bibliobesitas

‘Het is een krankzinnige, ongeneeslijke verslaving’. Dat zei Nop Maas over zijn boekenaddictie. ‘Het verwerven van een boek blijft behoren tot de grootste genoegens des levens.’ 

Literatuurhistoricus en Reve-biograaf Nop Maas (Norbert Maria Hubert Maas, 1949-2026) overleed vorige week in Haarlem, op 76-jarige leeftijd. Het nieuws werd pas enkele dagen later bekendgemaakt door uitgeverij Van Oorschot. De Volkskrant publiceerde een mooie necrologie over hem, geschreven door neerlandicus en biograaf Onno Blom. 

Dit jaar is het twintig jaar geleden dat schrijver Gerard Reve (1923-2006) overleed. Zoveel jaar na zijn dood waart hij nog altijd rond in de Nederlandse literatuur en de literaire wereld. Zelf was ik groot fan (Reviaan) van deze eigenzinnige zonderling. Op 8 april 2006 overleed hij in Zulte (België) op 82-jarige leeftijd, aan de gevolgen van Alzheimer. Daarmee eindigde het leven van een schrijver die niet alleen boeken, novelles, brieven en gedichten schreef maar ook zelf personage werd in een best wel spannend leven. Hij was mysticus, volkskomiek, querulant, katholiek, ironicus en poseur. Maar bovenal: getalenteerd auteur. 

Dat Reve twintig jaar later nog steeds wordt gelezen, geciteerd en besproken, zou hem vermoedelijk hebben verheugd maar wellicht ook hebben teleurgesteld. Tegenstrijdigheden waren er bij hem altijd. Hij had een nogal sombere kijk op literaire onsterfelijkheid. “Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht,” zei hij ooit. “Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten.” Hij had kennelijk vooruitziende gaven. Er zijn inderdaad Gerard Reve-straten en -lanen in heel Nederland en een Gerard Reve-brug in Amsterdam-Zuid. Bekende columnisten als Sylvia Witteman (Parool), Frits Abrahams (NRC) en Max Pam (Volkskrant) citeren de overleden auteur nog geregeld dus vergeten is hij allerminst.

Zijn werk was als een frisse wind door het bedompte Nederland van toen. De Avonden (1947) beschreef tien grauwe dagen (elke dag een hoofdstuk) uit het leven van kantoorbediende Frits van Egters, een jongeman die zich door de naoorlogse benauwdheid sleept met een mengeling van verveling, sadisme (mentale kwelling) en absurdistische humor. Nog altijd klinkt de beroemde slotzin na: “Het is gezien [..], het is niet onopgemerkt gebleven.” Het boek vestigde Reve als groot stilist. De kale dialogen, de verstikkende huiselijkheid en de onderhuidse wanhoop maakten het werk tot een monument van de Nederlandse literatuur.

Later ontwikkelde Reve zijn typische stijl: plechtige zinnen waarin verheven religieuze taal plotseling omsloeg in huiselijke banaliteit of seksueel getinte  groteske. In boeken als Op weg naar het einde, Nader tot U, Lieve Jongens en Het Boek van Violet en Dood vermengde hij katholieke mystiek met erotiek, ironie en zelfspot. Hij combineerde devotie met vulgariteit, melancholie met het komische. Reve bedacht het Revisme, een door hem in de jaren '60 bedachte sadomasochistische filosofie en levensstijl.

Hij schreef brieven alsof het toneelstukken waren: zorgvuldig gecomponeerd, literair precies en muzikaal qua ritmiek; voortdurend balancerend tussen ernst en parodie. Reve was de meester van de absurde formulering. Over religie zei hij ooit: Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook, en bedoeld voor alle mensen, te land, ter zee en in de lucht. (Uit Het boek van Violet en Dood). Beroemd werd zijn zelfverklaarde status als ‘Grote Volksschrijver’, een titel die zowel potsierlijk als slim was. Over alcohol schreef hij met bijna sacrale eerbied, terwijl hij tegelijkertijd de aftakeling vreesde die ermee samenhing.


Foto: ANP

Zijn openbare optredens waren minstens zo opmerkelijk als zijn boeken. Reve sprak gedragen, archaïsch en uiterst precies, alsof iedere zin eerst langs een streng kerkbestuur moest. Hij kon een zaal laten schateren met een minieme pauze of een overdreven plechtig uitgesproken “Lieve jongens”. Ik was er dol op! 

Tegelijk joeg hij voortdurend (conservatieve) mensen tegen zich in het harnas. Zijn uitspraken over religie, homoseksualiteit, politiek en rassenvraagstukken veroorzaakten geregeld opschudding. En dan was er zijn fameuze ‘ezelpassage’ uit Nader tot U, waarin God verschijnt als ezel waarmee de verteller de liefde bedrijft. Dat leidde tot het beruchte Ezelproces wegens godslastering. In 1968 werd Reve definitief vrijgesproken. Die zaak groeide uit tot een symbool van artistieke vrijheid in Nederland. 

Hij leek vaak bewust te provoceren om te zien hoeveel rek er nog in de Nederlandse tolerantie zat. Zo sneerde hij eens over collega-schrijver Harry Mulisch: Mullis is vullis. Nee Reve, dat is pas leven! Toch was achter alle provocatie en bravoure ook iets kwetsbaars zichtbaar: de eenzaamheid van iemand die voortdurend verlangde naar liefde, erkenning en verlossing. Iemand met een obsessie met de dood, met God. Reve zocht troost in een troosteloze wereld. Hij schreef over angst, ouderdom, verval en dood met een ernst die des te harder werd gevoeld omdat hij die vermomde als grap. Dat alles verklaart wellicht waarom zijn werk, ondanks alle ironie, ons als lezer nooit koud liet (laat).

In 1969 ontving Reve de P.C. Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre. Daarover zei hij in zijn dankwoord (onder andere): “Eindelijk is het zover: ik ben in heel Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht wereldberoemd”. Hij zag zichzelf bij uitstek als een ‘romantisch-decadente eenling’ die zich niet verwant voelde met enige Nederlandse tijdgenoot. Zelf zou hij vermoedelijk weinig ontzag hebben gehad voor de vele homages en herdenkingen die volgden na zijn dood. Misschien had hij die afgedaan in een karakteristieke stijl: plechtig en potsierlijk maar tegelijkertijd oprecht. Niemand in de Nederlandse literatuur beheerste die combinatie beter dan hij. Twintig jaar na zijn dood heeft zijn werk nog steeds heul veul lezers. Het behoort tot de literaire canon van Nederland.

Zijn biograaf Nop Maas vatte het leven van Reve samen in zes woorden: ‘Hij heeft geschreven, gedronken en gemasturbeerd.’  


Foto: Mike Roelofs
Maas speelde een cruciale rol in het conserveren van Reves nalatenschap. Hij schreef de monumentale driedelige biografie Kroniek van een schuldig leven, gebaseerd op jarenlang onderzoek. Ik herinner mij dat ik uitkeek naar deel 1 (De vroege jaren 1923-1962), vervolgens naar deel 2 (De rampjaren 1962-1975) en ook het extreem lange wachten op deel 3 (De late jaren 1975-2006) werd uiteindelijk beloond. Even werd door fans -ook door mij- getwijfeld of dat ooit nog zou verschijnen. 

Reves levenspartner Joop Schafthuizen (alias ‘Matroos Vosch’ en ‘Anusje van Alles’) trok het citaatrecht van Maas namelijk in en spande een kort geding aan. In dit laatste deel van de biografie wordt een ontluisterend beeld geschetst van de ‘barokke’ relatie tussen de ‘Tamme Wolf’ (Reve) en de agressieve, geldbeluste Matroos Vosch. Het boek verscheen maar allerlei seksueel getinte of financiële passages moesten worden geschrapt. Op die plekken noteerde Maas drie sterretjes. ‘In deel drie vormen die *** een verduisterende sterrenhemel’, aldus Blom. 

Maas’ overlijden kreeg in literaire kring een bijzondere symbolische lading. Hij was jarenlang de nauwgezetste chroniqueur van Gerard Reve, een schrijver die zelf bezeten was van sterfelijkheid, verval en herinnering. Reve werd zijn leven. In de biografie legde Maas niet alleen Reves leven vast, hij beschreef ook een verdwenen literair tijdperk waarin schrijvers nog publieke figuren waren: excentrisch, polemisch en voortdurend in gevecht met elkaar en hun omgeving.

Maas werkte decennialang aan de Reve-biografie. Hij vond het een voorrecht om het te mogen doen en zat elke dag hardop te lachen achter zijn bureau. Hij reconstrueerde de werkelijkheid achter Reves zelfgecreëerde mythologie minutieus. Daarbij moest hij zich dus geregeld door juridische conflicten en persoonlijke spanningen heen werken (vooral rond Joop Schafthuizen). Juist daardoor kreeg zijn biografie een zeldzame status: niet alleen als levensbeschrijving van een van Neerlands beste schrijvers maar ook als document van botsende ego’s, literaire reputaties en de moeizame omgang met nalatenschap. Daarnaast stelde hij brievenboeken samen en het 5-delige Verzameld Werk.  

Tot aan zijn dood bleef hij actief als schrijver, uitgever en margedrukker. Volgens Uitgeverij van Oorschot werkte hij nog aan een laatste boek met de veelzeggende titel Ratatouille, door Maas zelf omschreven als ‘zijn zwanenzang’. 

Er zit een Reviaanse ironie in het feit dat de biograaf stierf in hetzelfde jaar waarin twintig jaar dood van de schrijver wordt herdacht. Reve schreef ooit dat de dood “het enige volstrekt democratische instituut” is. Nop Maas heeft zijn leven besteed aan het behoud van een schrijversstem tegen die verdwijning. Nu behoort hijzelf ook tot de geschiedenis die hij zo zorgvuldig documenteerde.


P.S. Op de foto in de header staat het zomerpaleis -ook wel bekend als het geheime landgoed’- in de Drôme (Frankrijk) dat Reve zelf bouwde in de jaren 70. Daar schreef hij jarenlang en probeerde zich aan de publiciteit te onttrekken.