Onlangs las ik een interessant interview met Marleen Stikker (1962) in de serie ‘Het ideaal’ (Volkskrant). Daarin worden mensen geïnterviewd die hun leven wijden aan een ideaal. Eerder werd Klaas van Egmond geïnterviewd. Over hem en zijn idealen blogde ik in juni (titel van een tweeluik ‘Zorgen voor morgen’). Deze serie interesseert mij zeer.
Stikker was in de jaren '90 van de vorige eeuw oprichtster van het internetplatform ‘De digitale stad’. Deze excentrieke internetpionier heeft mij altijd geboeid, toen en nu; als mens en ondernemer. Zelf was ik ook al vroeg in mijn carrière (jaren '80 van de vorige eeuw) actief in de informatietechnologie en bepalende mensen stonden op mijn vizier.
Zij schreef het boek ‘Het internet is stuk’ in 2019, over hoe grote technologiebedrijven (Big Tech) en commercieel kapitaal het internet overnamen, waardoor onze digitale soevereiniteit, privacy en democratie werden aangetast. Maar dat kunnen we veranderen, is haar mening. Het boek is gratis te downloaden (in PDF-vorm) via de website van Waag Futurelab, een onderzoeksinstituut en culturele instelling die Stikker met Christine Nevejan oprichtte.
In het VK-interview geeft Stikker een boekentip: ‘De man zonder eigenschappen’ van de Oostenrijkse auteur Robert Musil. Dit nogal filosofische boek dat bol staat van de ironie -over de industriële revolutie die de menselijke waarden van destijds onder druk zette- maakte grote indruk op mij toen ik het las als jongvolwassene. Het beschrijft een samenleving op drift waarin hoofdpersoon Ulrich staat voor iemand die zich aan elke situatie aanpast zonder zich ermee te verbinden. Dit boek werd destijds door Duitse auteurs uitgeroepen tot de belangrijkste roman van de 20ste eeuw.
Stikker vertelde in het interview dat Elinor Ostrom (1933-2012) een grote inspiratiebron was voor haar. Ik dook in het verhaal van deze Amerikaanse. In 2009 gebeurde iets bijzonders in de wereld van de economie. De Nobelprijs ging voor de eerste keer naar een vrouw: Elinor Ostrom was de bekroonde. Ze kreeg de prestigieuze prijs voor de analyse van economisch bestuur, vooral voor gemeenschappelijke voorraden (commons). Haar werk bracht een dominant economisch idee aan het wankelen. Gemeenschappelijke hulpbronnen moeten uiteindelijk óf door de staat, óf door burgers worden beheerd om niet ten onder te gaan aan misbruik. In 2018 werd het nieuwe gebouw van de faculteit der Management wetenschappen van de Radboud Universiteit naar haar vernoemd.
Ostrom onderzocht hoe mensen in de praktijk samen bossen, visgronden, irrigatiesystemen en andere schaarse hulpbronnen beheerden. Haar conclusie was eenvoudig maar verstrekkend: mensen zijn niet uitsluitend egoïstische individuen die zoveel mogelijk voor zichzelf willen nemen. Gemeenschappen kunnen regels maken, verantwoordelijkheid nemen, elkaar aanspreken op gedragingen en gezamenlijk zorgen voor wat zij delen. De volgende stelling is daarom bekend als de wet van Ostrom: een ordening van hulpbronnen die in de praktijk werkt, kan ook in theorie werken. Zo kwam homo economicus tegenover homo socialis te staan.
Terwijl economen er lang van uit gingen dat gemeenschappelijk gebruik van natuurlijke hulpbronnen automatisch tot overmatig gebruik en uitputting ervan zou leiden, kwam Ostrom tot een tegengestelde conclusie na onderzoek onder kleine groepen die dit probleem onderling hadden opgelost. Ze gaf daarmee het oude begrip ‘commons’ nieuwe betekenis; een begrip dat leidraad werd in Stikkers leven. Commons staat voor iets dat van niemand is. Het is iets waarvan mensen samen gebruik maken en waarvoor zij samen verantwoordelijkheid dragen. Niet de technologie moet centraal staan maar de mens. Niet het bezit staat centraal, wel de menselijke betrokkenheid.Dat idee lijkt vandaag de dag extra relevant. Kijk naar de wereld waarin we leven... Een steeds groter deel van onze gemeenschappelijke werkelijkheid bestaat uit digitale ruimte. Internet is onze bibliotheek, marktplaats, krant, archief, ontmoetingsplaats en openbare ruimte. Daar bovenop komt kunstmatige intelligentie, die zich steeds dieper nestelt in onderwijs, wetenschap, communicatie, gezondheidszorg, economie en cultuur.
Maar wie bezit en beheert die digitale wereld nou werkelijk?
Een aanzienlijk deel van de infrastructuur (klantbestanden, data, rekenkracht en AI-technologie) bevindt zich in handen van een relatief klein aantal zeer grote ondernemingen en hun aandeelhouders. Dat is niet per definitie verkeerd. Grote investeringen en visionair ondernemerschap hebben indrukwekkende technologische vooruitgang mogelijk gemaakt. In de loop van de tijd ontstaat echter wel een fundamentele vraag: kunnen zaken die inmiddels zo bepalend zijn voor ons leven worden beschouwd als private eigendommen?
Ostrom stelt in haar werk niet dat alles van de overheid moet zijn. Evenmin zegt ze dat privé-eigendom moet verdwijnen. Haar onderzoek liet juist zien dat er méér mogelijkheden zijn dan de klassieke tegenstelling tussen overheid (gemeenschap) en markt. Er is een derde mogelijkheid: samen beheren wat voor ons allemaal van wezenlijk belang is.
Er is iets merkwaardigs aan de hand met kennis. Als ik een idee met een ander deel, ben ik daarmee niet minder eigenaar van dat idee. Als een wetenschapper zijn ontdekking publiceert, wordt de wetenschap er niet armer van. Integendeel. Kennis groeit juist doordat mensen het delen, verbeteren en hergebruiken.
Hetzelfde geldt voor een groot deel van de digitale wereld. Het internet werd ooit groot dankzij open standaarden, vrije kennisuitwisseling en gemeenschappelijk belang. Wikipedia, open-source software (zoals Linux) en talloze andere open initiatieven tonen dat samenwerking op wereldschaal mogelijk is.
Niet alles van waarde hoeft te worden verkocht. Niet alles dat belangrijk is, hoeft privébezit te worden. Stikkers boek is een oproep om het internet te repareren. Ze pleit ervoor om de mens en publieke waarden weer centraal te stellen in plaats van de economie, door open technologieën te omarmen en betere regulering toe te passen.
Met een beetje goede wil zouden we AI kunnen beschouwen als een soort nieuwe maatschappelijke infrastructuur. Het is krachtig genoeg om onze economie en cultuur te veranderen. Juist daarom is het tè belangrijk om over te laten aan degenen die het meeste kapitaal, de meeste servers of de meeste data bezitten. Daarmee zeg ik niet dat iedere burger morgen eigenaar moet worden van een datacentrum. Het betekent wèl dat we onszelf de vraag moeten stellen of burgers niet juist zeggenschap moeten hebben over technologie die hún leven steeds sterker bepaalt.
Ostrom
herinnerde ons eraan dat gemeenschappelijk bezit niet hetzelfde is als
vrijblijvend bezit. Een commons vraagt om regels, transparantie, toezicht,
wederkerigheid en verantwoordelijkheidsgevoel. Het vraagt om mensen die niet
alleen rechten opeisen maar ook bereid zijn verantwoordelijkheid te dragen.
Een samenleving wordt niet bepaald door wat mensen individueel bezitten maar juist door wat ze samen hebben en beheren.
In een tijd waarin een handvol machtige technologiebedrijven steeds meer invloed heeft op de informatie die wij tot ons nemen en de intelligentie die we ontwikkelen, is de gedachte van Elinor Ostrom heel interessant. Haar kijk nodigt ons uit vooruit te denken. Internet is immers vooral een publieke ruimte.
Kunstmatige intelligentie (AI) is niet uitsluitend een commercieel product. Het is tevens een maatschappelijk product, een gemeenschappelijke infrastructuur. De technologie wordt doorgaans voor burgers ontwikkeld. Waarom zouden we dan niet een stap verder gaan? Waarom ontwikkelen we het niet met elkaar? En waarom zou het niet (deels) door burgers wordt beheerd? Internet is van ons allemaal en daarom onze gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Kom
daar eens om bij Elon Musk, Mark Zuckerberg, Sam Altman, Sundar Pinchai en
Dario Amodeis, tech-bro's en belangrijkste spelers in de huidige digitale
wereld. Stuk voor stuk mannen die hun verantwoordelijkheid juist niet lijken
te nemen. Tja.






















