Translate

vrijdag 11 september 2026

Camino de Sefarad

We zijn weer op pad. Dit jaar vieren we de verjaardag van mijn liefje wederom iets verder van huis. Dit is een kroonjaar en het wordt haar ‘diamanten’ verjaardag genoemd, al zijn diamonds niet langer ‘this girl’s best friend’. (Das war einmal.) We vieren dit met ons tweeën in Lorca, de Murciaanse stad die we kennen van een eerder bezoek maar dat is lang geleden.

Lorca wordt wel ‘de stad van de zon’ genoemd, omdat het fort op de heuvel (10de eeuw) zo ver de lucht in steekt; die citadel wordt ook wel het Zonnefort genoemd. Inmiddels is er daar veel gerenoveerd na de recentste aardbeving (2011) en is de stad een tweede leven begonnen toen de rijke Joodse geschiedenis recent werd ontdekt. Lorca is inmiddels onderdeel van een uitgebreid Joods netwerk in Spanje (‘Red de Juderías’) maar ook wereldwijd. Het trekt inmiddels geïnteresseerde (joodse) toeristen uit vele landen.

Op de heuvel van het kasteel (waar ook de parador staat waar we overnachten) zijn sporen van bewoning gevonden uit de Iberische tijd. Onder Romeins bewind heette deze stad ‘Eliocroca’, dat lag aan de Via Augusta, de grote Romeinse verbindingsweg die door Hispania voerde (en aansloot op de Via Domitia). Later gaven de Moorse bezetters deze stad de naam ‘Lurqa’. Na de christelijke verovering (13de eeuw) werd Lorca een belangrijke grensstad in het katholieke Castilië, pal gelegen tegenover het Nasriden koninkrijk Granada. 

Het verhaal van Lorca kent ook een duistere kant: de aarde zelf bleek een geduchte vijand. De stad ligt op de Alhama de Murcia-breuklijn (Alhama is het Arabische woord voor ‘warmwaterbron’), de geologisch gevaarlijkste breuklijn in de regio van meer dan 80km lengte, die verantwoordelijk is voor alle seismische activiteit in dit gebied. Die activiteit wordt aangedreven door de botsing tussen twee tektonische platen, de Afrikaanse en de Euraziatische plaat. Dat zorgt voor een constante druk op de bodem in dit deel van zuidoost-Spanje. Vanwege de scheur in de aardplaat komt er natuurlijk water vanuit diepe warmwaterbronnen naar boven.

Zware aardbevingen troffen Lorca in 1579, 1674 en 1818. Vooral de aardbevingsreeks van 1674 was verwoestend. Van de destijds 1.683 geïnspecteerde gebouwen bleken er 1.178 beschadigd en 479 volledig verwoest. Veel gebouwen die tegenwoordig als historisch erfgoed worden beschouwd, dateren dan ook uit de periode ná die ramp.

Mijn liefje en ik maakten een aantal aardbevingen mee in ons leven, onder andere toen we aan de Ring van Vuur woonden (Bali). Het water in ons zwembad klotste enkele keren over de rand maar er ontstonden geen scheuren. Het gebeurde enkele keren in Campamor waar we de luiken hoorden ratelen. Een keer trof het ons in onze huidige woonplaats aan de Costa Blanca. Het was alsof er een metro onder ons huis doorreed. Die ervaringen horen erbij als je in de buurt van een breuklijn woont. Wij hebben er drie in de directe omgeving: de Torrevieja-breuk, de San Miguel de Salinas-breuk en de Guardamar-breuk.

Op 11 mei 2011 schudde Lorca opnieuw. Twee krachtige bevingen, waarvan de zwaarste een kracht van 5,1 had, troffen de stad. Negen mensen kwamen om het leven, er waren honderden gewonden en ontstond enorme structurele schade.  Grote delen van de historische stad raakten beschadigd. Volgens het Spaanse Instituto Geográfico Nacional (IGN) had ongeveer 5% van de gebouwen ernstige structurele schade en nog eens 13% matige structurele schade.

Wat ondergronds bewaard bleef, is minstens zo bijzonder en belangrijk als dat andere verhaal van Lorca. Er bleek spectaculair bewijs te zijn gevonden van Joods leven. De synagoge werd in 2002-2003 ontdekt tijdens voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van de parador. Het is een van de belangrijkste archeologische vondsten (bronnen) voor de kennis van het middeleeuwse Jodendom op het Iberisch Schiereiland. 

Bijzonder is dat deze synagoge na het vertrek van de joodse bevolking niet tot kerk werd omgebouwd (‘ontheiligd’ las ik ergens), zoals het vaak ging in voorgaande tijden. Het gebouw was min of meer onaangetast omdat de joodse wijk zich binnen de muren van het kasteel bevond. Het is de enige middeleeuwse synagoge in Spanje die grotendeels intact bleef. Zo zijn de ‘hechal’ (de heilige ark, het heiligste binnenste van een joodse tempel) waar de Thora werd bewaard, en de ‘bimah’ (de verhoging, de kansel) vanwaar de religieuze teksten werden voorgelezen, herkenbaar gebleven.

Net zo verwonderlijk is dat in de vloer van de synagoge ongeveer 2.600 stukjes glas werden gevonden. Daarmee konden 27 authentieke glazen lampen worden gereconstrueerd. Ooit moet dat licht de synagoge hebben beschenen terwijl de Joodse gemeenschap van Lorca er samenkwam voor gebed, studie en feestdagen. 

Toen in 2012 daadwerkelijk werd begonnen met de bouw van de parador op de heuvel van het kasteel, deden archeologen nóg een bijzondere ontdekking. Wat tevoorschijn kwam, was een complete middeleeuwse Joodse wijk uit de 13de eeuw die werd bewoond totdat de joden uit Spanje werden verdreven door antisemitische katholieke koningen van destijds (1492). Het ging niet om een enkel gebouw maar een compleet stadje met huizen, straatjes, winkels (slagerijen), werkplaatsen en de eerder genoemde synagoge. Archeologen hebben inmiddels delen van deze wijk blootgelegd, met onder meer 18 huizen en een werkplaats waar glas werd vervaardigd. Het was een kleine maar belangrijke populatie (circa 180 inwoners).

Voor vertrek reserveerde ik kaartjes voor een bezoek aan de opgravingen en de synagoge. Dat werd een aparte ervaring. Die reservering was bedoeld voor de ochtend van haar verjaardag. Toen de online betaling rond was, stonden de kaartjes echter op een onjuiste datum terwijl ik zeker wist de juiste datum te hebben aangeklikt. Op de bevestiging stond een telefoonnummer dat ik belde. Er kwam een alleraardigste man aan de lijn die uitlegde dat er een fout in het systeem zit. Als de betalingsstap relatief lang duurt, wordt de reservering automatisch op de dag na reservering gezet, niet op de gereserveerde datum(?). Ik knipperde even met mijn ogen. Had ik dat goed gehoord? Reserveren op dag A en dan dag B op je ticket krijgen?! Jazeker. Die fout laat men kennelijk ‘gewoon’ zitten... Typisch Spaans, wat mij betreft. De aardige man aan de lijn bood mij aan op dag A de deuren extra vroeg te openen als we ons daar eerder melden. Speciaal voor ons, als we willen. Kunnen we rustig rondlopen. Hij zou mijn naam onthouden. Ook dat is typisch Spaans. Tja. Dat gaan we zeker doen, we logeren immers op steenworp afstand!

Binnen de muren van het kasteel van Lorca woonden gedurende meer dan twee eeuwen Joden die actief waren in handel en ambachten. Ze vertaalden Arabische teksten en waren zelfs betrokken bij het vrijkopen van gevangenen, aldus de documentatie die ik las. Al was de joodse gemeenschap klein, het was bepaald geen onbeduidende groep.

We verheugen ons erop op het terras van de parador te zitten en over Lorca uit te kijken. Dan zal datgene wat onder onze voeten ligt een nóg tastbaardere herinnering zijn aan de Sefarad, de Joodse naam voor het vroegere Iberisch Schiereiland (nu Spanje genoemd): een wereld die eeuwenlang verborgen bleef en dankzij archeologen haar stem terugvond.

Na terugkeer zal ik nogmaals bloggen over dit uitje. Wellicht dat ik ook een webalbum samenstel. Wordt vervolgd.

 

maandag 7 september 2026

De avonturier van de zee

In Nederland is het culturele seizoen 2026-2027 weer officieel begonnen. Nee, dan aan de Costa Cálida... daar is het pas on-Nederlands! Wie in Cabo de Palos onder water gaat (een favoriete snorkel- en duikplek voor velen, ook van mij), betreedt een wereld waarin niets is wat het lijkt. Tussen het wier, de uitgestrekte zeegrasvelden en rotsen leeft een diertje dat eruitziet alsof het rechtstreeks uit een sprookje is weggezwommen: het zeepaardje.

Wie in Cabo de Palos boven water blijft, betreedt een wereld van zeepaardjes op het droge. Er is daar momenteel een rondreizende openluchtexpositie te zien (tot 13 september), getiteld ‘El avonturero del mar’ (de avonturier van de zee). Kunstenaars uit de regio namen zeepaardjes kunstzinnig onder handen. Dit initiatief dat kunst en natuur combineert, werd georganiseerd door de Spaanse krant La Verdad. Deze krant besteedt heel vaak aandacht aan de toestand rond Mar Menor. Deze expo heeft dan ook als doel de aandacht te vestigen op de kwetsbaarheid van de Middellandse Zee, maar met name de Mar Menor, Europa’s grootste binnenzee, die van oudsher een toevluchtsoord is voor zeepaardjes. In de afgelopen decennia raakte die zee zeer vervuild. Kunstenaars uiten met hun kunstwerken kritiek op plastic- en andere vormen van vervuiling maar niet elk commentaar is kritiek. Er wordt ook een ode gebracht aan de zee en het bonte leven in zee.  

Mijn eigen liefde voor zeepaardjes stamt uit een ver verleden. Als kind vond ik een keer een dood zeepaardje (kortsnuit) in de branding van het strand van Kijkduin. Slechts éénmaal in mijn leven zag ik een levende onder water met eigen ogen, snorkelend op het Australische Great Barrier Reef. Goeie, ouwe tijden! 

Wel heb ik het diertje meermalen gezien in een museale omgeving. Zo reden we in Tasmanië kilometers om daar in een groot aquarium (Seahorse World) diverse soorten zeepaardjes te zien. Ik word er nog steeds mee gepest door vrienden en mijn toenmalige reisgenoten dat ik per se naar de andere kant van de wereld moest om zo’n miniscuul diertje te zien. En het was niet eens een paardje!  Seahorse World had er heel veel en ze waren stuk voor stuk prachtig en fascinerend. Met mijn neus stond ik tegen de glazen wand gedrukt. Er zijn 40 à 50 soorten bekend in de wereld. De ‘leafy seadragon’ vind ik een van de mooiste. Als dit diertje zich niet voortbeweegt maar ergens stil hangt, lijkt het net op zacht koraal dat meewuift op de stroming.  

Een zeepaardje is eigenlijk een vis. Daarmee houdt vrijwel iedere overeenkomst met een gewone vis op. Dit dier zwemt rechtop, heeft een kop die echt doet denken aan een paard en een staart waarmee het zich als een slingeraap aan planten en andere voorwerpen kan vastgrijpen. Omdat het maar een heel summier rugvinnetje heeft waarmee het zich voortbeweegt, is het een slechte zwemmer. Het dier heeft echter goede camouflage. Het kan de eigen kleur aanpassen aan de omgeving en zo vrijwel tussen het wier en andere onderwaterplanten verdwijnen.

Nóg wonderlijker zijn de ogen. Die kunnen onafhankelijk van elkaar bewegen. Terwijl het ene oog de omgeving in de gaten houdt, kan het andere naar een prooi zoeken. De prooi van een zeepaardje is meestal klein: piepkleine kreeftachtigen en vislarven. Een zeepaardje heeft geen tanden en geen maag. Het dier zuigt voedsel naar binnen met een lange buisvormige snuit, als een minuscuul pipetje. 

Maar het werkelijk wonderlijke ontdek je bij de voortplanting. Bij het zeepaardje wordt het mannetje zwanger. Tijdens een bijzondere onderwatertango zwemmen het mannetje en vrouwtje samen, met hun staarten ineengestrengeld. Vervolgens brengt het vrouwtje haar eitjes over naar de broedbuidel van het mannetje. Daar worden ze bevrucht en groeien de embryo's uit tot jonge zeepaardjes. Na enkele weken brengt het mannetje de miniatuurzeepaardjes ter wereld.

Door een aantal van deze aspecten is het zeepaardje heel kwetsbaar. Het is honkvast, zwemt langzaam en is sterk afhankelijk van een gezonde leefomgeving. Die leefomgeving kreeg in Mar Menor zware klappen. Deze grote binnenzee was ooit een rijke wereld vol zeegras, vissen, schelpdieren en zeepaardjes. Maar door decennia van menselijke druk, vervuiling en een teveel aan voedingsstoffen in het water raakte het evenwicht ernstig verstoord. Het heldere water veranderde, gezonde leefgebieden verdwenen en de zeepaardjes werden steeds zeldzamer.

Onderzoek toont aan dat de populatie van het langsnuitzeepaardje (Hippocampus guttulatus) in enkele decennia van miljoenen dieren terugviel tot slechts enkele duizenden. De lagune had vroeger dichte velden met zeegras en een stabiel ecosysteem, wat de ideale leefomgeving vormde voor deze kwetsbare dieren. Vanaf de jaren '90 van de vorige eeuw nam de populatie sterk af door illegale vangst voor decoratie en aquaria, door vervuiling en veranderende waterkwaliteit. In 2012 waren er nog zo'n 190.000 over maar door aanhoudende ernstige ecologische crises en door verstikking vanwege ongebreidelde algenbloei (de zogenaamde ‘groene soep’) stortte de populatie in. Na telling bleken er destijds nog maar enkele honderden rond te zwemmen. In 2020 verklaarde de regionale visserijdienst dat er bijna geen paardjes over waren...

Desalniettemin is het verhaal van het zeepaardje niet eindig. Er wordt gewerkt aan het behoud van deze bijzondere vis, onder meer door veel onderzoek en door kweek in gevangenschap. Dat maakt het zeepaardje tot meer dan een curiositeit van de onderwaterwereld. Het is een klein, levend symbool van wat er verloren kan gaan wanneer een ecosysteem wordt verwaarloosd. Wie een zeepaardje ziet, kijkt dus eigenlijk naar een klein wonder. Wie er geen meer ziet, moet zich ernstig afvragen waarom dat zo is. 

Het zeepaardje staat in dit geval symbool voor de kwetsbaarheid van zeeën. De stichting en het project 'SOS Mar Menor' hebben het zeepaardje als symbool. De documentatie, vlaggen, t-shirts, posters en andere merchandise hebben een zwarte achtergrond met een wit paardje erop. Het staat symbool voor wat wij kunnen verliezen als we ons gedrag niet aanpassen en de leefomstandigheden van dit bijzondere diertje niet verbeteren. 

De tentoonstelling in Cabo de Palos gaat vooral over de vraag wat wij de zee kunnen teruggeven. Als je over de veelbesproken binnenzee kijk, zie je in ieder geval een uitgestrekt wateroppervlak. Maar daaronder, verborgen tussen het zeegras (Posidonia oceanica, minstens zo bijzonder is als dit diertje), kunnen zich weer dappere zeepaardjes gaan vastklampen. Dat noem ik verbeelding. 

Laten we dat weer realiteit maken. 



donderdag 3 september 2026

Met het bord op schoot

Vanavond zwaaien op NET5 voor de Nederlandse kijker opnieuw de deuren open naar misschien wel het leukste kookprogramma in televisieland: die van MasterChef Australia 2026. Joehoe! Sinds de eerste jaargang was ik gegrepen. Ik heb vele landenversies gezien (Nederlandse, Engelse, Spaanse) maar kom toch altijd terug bij die van Australië. Het is de leukste versie, wat mij betreft. 18 seizoenen lang kijk ik via dit medium al naar kandidaten die soms wel maar meestal geen professionele chefs zijn. Wat ze met elkaar gemeen hebben is iets dat minstens zo belangrijk is: een ontembare liefde voor koken en eten, de nieuwsgierigheid en moed om zichzelf voor een jury en een miljoenenpubliek bloot te geven. 

Dat is niet de enige reden waarom MasterChef Australia verslavend is. Het is de gehele sfeer in het programma, de positieve en prettige toon die alle deelnemers, juryleden en gasten aanslaan. Seizoen 18 is in veel opzichten weer een prachtige afspiegeling van het land waarin de oorspronkelijke serie zich afspeelt. Australië is een ware smeltkroes en dit programma onderschrijft dat. 24 amateurkoks staan achter het fornuis, zoals gebruikelijk geselecteerd uit 40 kandidaten die tijdens de audities om een plek vochten.

De kandidaten verschillen ook deze keer weer in leeftijd, beroep, levenservaring en achtergrond. Sommigen groeiden op met een keuken waarin generaties familietradities werden doorgegeven; anderen ontdekten pas laat dat koken hun grote passie is.

Australië is vanzelfsprekend meer dan de clichés van barbecuen op blote voeten, meat pies zo groot als schoenendozen en de fish die altijd zelfgevangen moet zijn (partner van de chips). Het is een land dat zijn oorsprong vindt in migratie. Het begon met mensen uit Groot Brittanië (Australië was een strafkolonie van de Britten) en later kwamen daar personen uit Azië, het Midden-Oosten, Afrika en Zuid-Amerika bij. Ongeveer 30% van de bevolking is buiten Australië geboren. Het gaat om meer dan 200 nationaliteiten en 270 etnische groepen. Er worden daar thuis 300 talen gesproken maar het Engels (nou ja, Ozzies) verbindt hen.  Wat echter niet moet worden vergeten is dat het land oorspronkelijke bewoners had en nog steeds heeft: de Aboriginals en Torres Strait-bewoners. Ook hun verhalen en tradities hebben hun weg inmiddels gevonden naar de Australische keuken. De MasterChef-keuken is daarvan een kleine, maar buitengewoon smakelijke afspiegeling.

Zoals elk jaar, zoek ik een website met gegevens en  foto's over de nieuwe kandidaten. Deze keer komt de info van de Food-sectie van 'Women's Weekly'. Dat doe ik voorzichtig want ik wil geen ongewenste ontdekkingen doen. Seizoen 18 is in Australië afgelopen dus de winnaar van dit jaar is daar al bekend. Het moet spannend blijven tot aan de finale! 

Kandidaat Olaolu Olorunnimbe (34) uit New South Wales zou alleen al om zijn naam en glimlacht mogen winnen, wat mij betreft! Hij werd geboren en groeide op in Lagos (Nigeria). Op zijn twaalfde verhuisde hij naar Engeland om daar naar kostschool te gaan. Hij kreeg te maken met een keuken die mijlenver afstond van de smaken waarmee hij was opgegroeid. (Volgens Olaolu was het eten er flauw en massaal geproduceerd.) Toen hij aan de universiteit op zoek ging naar zijn eigen woonruimte stelde hij één voorwaarde: er moest een keuken in zitten. Koken werd voor hem een manier om een stukje thuis terug te vinden. Hij ging Nigeriaanse gerechten bereiden en ontdekte zo hoeveel plezier het gaf om die smaken met anderen te delen. Wat begon als heimwee naar de keuken van Lagos, groeide uit tot een missie om de Nigeriaanse keuken en cultuur bij een groter publiek bekend te maken.

Miin Wei Looi uit Victoria is met zijn 52 jaar een van de oudste en meest ervaren deelnemers. Hij groeide op in Penang (Maleisië) in een Chinees-Maleisisch gezin. Zijn culinaire opvoeding werd mede gevormd door zijn peettante en -oom, die een belangrijke rol speelden in zijn jeugd. Miins kookt traditioneel Maleisisch maar die keuken is al een wonderlijke vermenging van Chinese, Indiase en Maleise invloeden. Daar komen tegenwoordig moderne Aziatische technieken en Australische ideeën bij. Bijzonder is dat MasterChef Australia voor Miin zelf een inspiratiebron werd. Hij zag in eerdere seizoenen hoe kandidaten als Adam Liaw (winnaar 2010) en Alvin Quah (tweemaal finalist) hun culturele achtergrond juist níét verborgen maar er hun culinaire kracht van maakten. Nu staat hij zelf in die keuken, met de smaken van Penang als zijn visitekaartje.

Kandidate Kanika Gadyok (35) uit New South Wales groeide op in Delhi (India) en kreeg de geuren en kleuren van de Indiase keuken van huis uit mee. Haar vader was patisseriechef, haar grootmoeder en tantes leerden haar koken. Haar verhaal is tegelijkertijd persoonlijk én exemplarisch voor het moderne Australië: een culinaire erfenis uit India krijgt een nieuwe vorm aan de andere kant van de aardbol.  

Dit programma vertelt het verhaal van mensen die vaak elders vandaankomen en Down Under opnieuw begonnen, vaak met vallen en opstaan. Het is het verhaal van migranten. Van ouders en grootouders die recepten meenamen in hun bagage. Van (klein)kinderen die de familierecepten vervolgens aan de hedendaagse smaken en ontwikkelingen aanpasten. Masterchef Australia is een boegbeeld van culinaire traditie én experimenten.

Een van de mooiste kanten van MasterChef Australia is dat het programma die verschillende werelden naast elkaar zet. Zo kan een gerecht beginnen in Delhi en eindigen in Melbourne. Een buitenlands familierecept kan botsen met een moderne Australische techniek maar toch de winnaar van de dag worden. Een ingrediënt dat voor de ene kandidaat vertrouwd is, kan voor een andere compleet onbekend zijn. Hoe gaat men daarmee om in het programma? Hoe hoog lopen de spanningen op? Hoezeer flopt er weleens iets? We gaan het allemaal weer meemaken.

Net als in elk seizoen worden de kandidaten niet alleen getest op techniek en smaak maar ook op hun vermogen om buiten hun vertrouwde culinaire paden te wandelen. Zo komt er een Around the World-opdracht waarin ze zich volledig aan een internationale keuken moeten committeren en een zogenaamde Fusion Invention Test, waarin twee heel verschillende keukens moeten worden gecombineerd.

De vier juryleden van vorige seizoenen bleven aan in dit seizoen. Andy Allen, Poh Ling Yeow, Sofia Levin en Jean-Christophe Novelli kijken uiteraard weer kritisch naar techniek, presentatie en smaak. De regelmatige lezer herinnert zich (wellicht) dat mijn liefje en ik Poh een keer persoonlijk hebben ontmoet toen wij in een kampeerwagen door West Australia cruisten. Ze deed mee aan een demonstratie tijdens een oesterfestival en wij waren van de partij. Een memorabele ervaring! En wij gaan als kijkers naar hun verrichtingen kijken! De keuken van Masterchef Australia wordt dit seizoen bevolkt door een indrukwekkende stoet gastchefs, culinaire helden en andere bekende Australiërs. Onder anderen Maggie Beer, Curtis Stone, Adriano Zumbo, Rick Stein, Jimmy Barnes en Robert Irwin maken hun opwachting.

Het hart van het programma wordt echter gevormd door de 24 amateurkoks. Vierentwintig levens die we (iets) beter gaan leren kennen. We zien vierentwintig karakters, vierentwintig manieren om te koken. Door al deze aspecten is MasterChef Australia zoveel meer dan een wedstrijd om wie het beste of mooiste bord kan bereiden en presenteren. Dus vanavond floept het licht in de MC-keuken weer aan. En wij, verstokte fans, schuiven weer met plezier aan. 

Het programma is elke werkdag te zien om 18:25 uur op NET5.


Nagekomen bericht: het enige dat gisteravons was te zien op NET5 is de herhaling van seizoen 17, dus van vorig jaar. Tja. De startdatum van het nieuwe seizoen van Masterchef Australia heb ik -100% zeker- op internet aangetroffen! Het is te hopen dat het nog komt... Gisteravond heb ik een verzoek tot meer duidelijkheid gestuurd aan moederbedrijf Talpa. Fingers crossed (maar erg positief is het niet)...   


dinsdag 1 september 2026

Tro op de bo

De zomervakantie is definitief voorbij, iedereen is uitgerust dus ik neem aan dat er weer energie is voor een longread als deze (circa 10 minuten leestijd). Deze gaat over de terugkeer van boze boeren. De omgekeerde vlaggen op het platteland en langs de wegen verschenen weer in het straatbeeld. Ik erger mij groen & geel aan dat blauw-wit-rood en daarin ben ik bepaald niet de enige.

Er zijn weinig maatschappelijke dossiers die mij zó ergeren als de manier waarop Nederlandse boeren met de stikstofcrisis omgaan. Ik begrijp dat voedselproductie zonder landbouwsector onmogelijk is maar die sector moet zich hoognodig en drastisch aanpassen aan de werkelijkheid. Het is nu of nooit. De landbouwsector, en dan met name de veehouderij, is verantwoordelijk voor het overgrote deel van de ammoniakuitstoot (NH₃). Een deel van de boeren gedraagt zich al jarenlang alsof iedere poging om de omvang en milieubelasting van de veehouderij aan te pakken, een onrechtmatige aanval op het boerenleven is.

Aangezien alle plannen om het land vooruit te helpen in de afgelopen jaren stillagen, is deze situatie niet langer houdbaar. De stikstofproblematiek is niet van gisteren. De radicaalste boeren en hun vertegenwoordigers menen echter dat dit probleem niet bestaat. Het zou een door de overheid zelf gecreeërd juridisch en politiek probleem zijn. Het boek ‘De stikstoffuik 2.0’ van Arnout Jaspers onderschrijft die mening. De strenge rekenmodellen van de overheid en de rigide regels van de EU zouden er debet aan zijn. Critici noemen dit boek vooringenomen en op halve waarheden gebaseerd. NRC noemt het ‘een selectief pleidooi’. “De school van Jaspers vindt dat natuur de economie niet in de weg mag staan.” Tja. 

De Raad van State, 's lands hoogste bestuursrechter, maakte in 2019 al duidelijk dat de overheid niet eindeloos kon blijven gedogen en wegkijken. Het patroon is door de jaren heen steeds hetzelfde: nieuwe plannen worden aangekondigd, boerenorganisaties protesteren, politici zwakken de plannen af en vervolgens worden ze uitgesteld. Daarna begint het hele circus opnieuw. Ook binnen de landbouwsector wordt erkend dat de onzekerheid mede door jarenlang politiek gedraaikont, is toegenomen. Ik hoop dat landbouwminister Van Essen (D66) en collega’s van het kabinet-Jetten deze keer hun rug recht houden.

Intussen is de werkelijkheid ronduit ontnuchterend. Nederland is een klein, dichtbevolkt land met een enorme veestapel. Volgens CBS-gegevens (2025) lopen er op Nederlandse bodem -in stallen en daarbuiten- 3,546 miljoen runderen, 9,658 miljoen varkens en 81,734 miljoen kippen rond. Ruim 90 miljoen dieren tegenover 18 miljoen inwoners; geen gezonde verhouding, letterlijk en figuurlijk. In 2025 werd door die veestapel in totaal 439,6 miljoen kilo stikstof uitgescheiden. Daarmee zat Nederland vrijwel exact op het afgesproken stikstofplafond van 440 miljoen kilo. Sinds 2017 is de stikstofuitstoot in Nederland weliswaar met 14% gedaald maar dat betekent niet dat het probleem is verdwenen; integendeel.

Probeer zo’n hoeveelheid stikstof maar eens inzichtelijk te maken voor de lezer! In gewicht is dat gelijk aan 73.000 volwassen Afrikaanse mannetjesolifanten. In logistieke termen komt dat neer op ongeveer 11.000 volle vrachtwagens (40-tonners) die samen een file vormen van 160km; van Amsterdam tot Maastricht (vrijwel de gehele A2).

Nederland wordt in menige publicatie ‘kampioen verlies van biodiversiteit’ genoemd. Het land heeft nog maar ongeveer 15% van zijn oorspronkelijke biodiversiteit over en scoort daarmee het slechtst in Europa en de wereld. Een ongewenste situatie. 

Het totale grondoppervlak van Nederland is 4,2 miljoen hectare (land en water). Volgens de recentste CBS-landbouwtelling (2025) bedraagt de cultuurgrond in Nederland circa 1,80 miljoen hectare. Dat is grond die daadwerkelijk onderdeel is van landbouwbedrijven en bestemd voor landbouwproductie: akkerbouw, tuinbouw en veehouderij, inclusief grasland en de teelt van voedergewassen. 

Daarmee is ruim 43% van het totale grondoppervlak van Nederland in gebruik door boeren. En dan te bedenken dat de meerderheid van de landbouwsector niet produceert voor de Nederlandse consument maar voor export naar het buitenland. Daar komt het narratief vandaan dat Nederlandse boeren ‘de wereld voeden’. Het is een veelgebruikte leus die niet blijkt te kloppen. Daar zit een luchtje aan, zoals verderop zal blijken. 

1.039.000 hectare van die cultuurgrond is eigendom van agrarische ondernemers (boerenbedrijven), ofwel ruim 58%. De overige boeren hebben te maken met erfpacht (een zakelijk recht op onroerend goed), pacht (persoonlijke huurovereenkomst van landbouwgrond) of andere vormen van exploitatie.

Het Kadaster komt uit op 2,021 miljoen hectare landbouw- of cultuurgrond, verdeeld over circa 280.000 eigenaren. Van die grond is ongeveer 64% in handen van particulieren (gegevens uit 2026). In dit geval hoeft het niet altijd te gaan om boeren. Het kan ook (lagere) overheden, kerkelijke instellingen, stichtingen, natuurorganisaties en anderssoortige grondeigenaren betreffen. 

Maar dat is nog lang niet het gehele plaatje. Als je kijkt naar het landoppervlak dat buiten Nederland nodig is om de Hollandse veestapel te voederen, pakt het nóg gekker uit. Wageningen University & Research berekende dat recent. Voor de huidige Nederlandse voedselproductie, consumptie en export is ongeveer 4,7 miljoen hectare landbouwgrond in het buitenland nodig. Dat komt neer op een grondgebied dat groter is dan heel Nederland. Dat buitenlandse grondoppervlak wordt gebruik voor de productie van veevoeder, dat Nederland vervolgens importeert.

Circa driekwart van het ‘basisruwvoer’ voor koeien wordt in Nederland zelf geproduceerd. Het gaat hier om gras en snijmaïs dat op eigen cultuurgrond wordt verbouwd. Het krachtvoer voor de gehele veestapel (varkens, pluimvee, runderen, geiten en schapen) komt voor 60 à 70% uit het buitenland. Voor het in stand houden van die veestapel is dus meer buitenlandse landbouwgrond nodig dan waarop we met ons 18 miljoenen wonen. Bizar, nietwaar?! (P.S. Natuurboeren die geen kunstmest gebruiken, helpen de bodem gezonder te maken. Zo ontstaat er ruimte op het land voor kruiden, insecten en vogels. Als koeien dan grasgevoerd worden, kan er een circulair systeem ontstaan waarmee de natuur kan herstellen.) 

Dat maakt het beeld van Nederland als exportland van landbouwproducten complexer dan de exportcijfers doen vermoeden. Nederland exporteert inderdaad veel landbouwproducten maar importeert per saldo meer calorieën en eiwitten dan het exporteert. Op deze manier is Nederland dan ook geen netto-exporteur van voedsel maar juist importeur. De belangrijkste consument van al dat buitenlandse voer (ook soja en granen) is de Nederlandse veehouderij. 

Als boeren alleen landbouwgrond in Nederland zouden verbouwen, zou dat genoeg zijn om de eigen bevolking van voedsel te voorzien. Daarna blijft er niet genoeg over om de wereld te voeden’. Je zou dus beter kunnen zeggen dat de wereld ons voedt... 

Sommige belanghebbenden blijven desalniettemin pleiten voor het behoud van export om ‘de wereld te voeden’. Het is dan ook goed om je te realiseren dat de waarde van de primaire landbouw (inclusief bloementeelt) slechts 1,4% van het bruto binnenlands product is. Daarmee is die sector nog niet half zo belangrijk voor de Nederlandse economie als bijvoorbeeld de cultuursector, die goed is voor 3,7% van het bbp (maar steeds minder subsidie ontvangt).

De aangehaalde Wageningen-studie, die in juni 2026 in het blad Nature werd gepubliceerd, zet dus vraagtekens bij het sleetse narratief van de boeren. Deze studie is echter geen pleidooi voor het afschaffen van de voedselhandel. Handel kan nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer producten niet in Nederland kunnen worden geteeld, zoals koffie of citrusfruit. Ook zou toekomstige voedselexport volgens de onderzoekers vooral plantaardig moeten zijn. Dierlijke producten passen binnen zo’n systeem alleen als dieren vooral regionaal beschikbare biomassa eten die niet geschikt is voor menselijke consumptie. De toekomstige rol van Nederland ligt dus volgens deze studie niet meer in volume-export. Neerlands kracht kan voortaan liggen in het overdragen van kennis en het toepassen van innovatie.

Dit gaat niet uitsluitend om cijfers. Dit gaat vooral over meer ruimte voor mens en natuur. Het gaat ook over woningbouw, infrastructuur en bedrijvigheid die in een overvol land sowieso niet eindeloos kunnen doorgroeien. Zeker niet als de landbouwsector alles bij het oude wenst te houden. Boeren moeten inzien dat de landbouwsector een uitzonderlijk grote claim legt op grond en leefruimte in het land. Het is dan ook geenszins verwonderlijk dat de Nederlandse regering een keer zegt: ‘zo kan het niet langer’. Het roer moet om. 

Kabinet-Jetten heeft voor de aanpak van het stikstofprobleem 20 miljard euro gereserveerd, een substantieel bedrag. Het geld moet onder meer worden gebruikt om veehouderijen te verduurzamen, bedrijven minder intensief te maken en te laten stoppen. Rond natuurgebieden zijn stikstofarme zones gedefinieerd en er komt een norm van maximaal 2,6 grootvee-eenheden per hectare.

Boeren protesteren nu weer, met hun intimiderende trekkers en omgekeerde vlaggen. Ze spreken over bestaansvernietiging en een aanval op hun manier van leven. Natuurlijk moet een overheid zorgvuldig omgaan met mensen die hun bedrijf, grond, woning en opgebouwde vermogen dreigen te verliezen. Een fatsoenlijke overheid moet ruimhartig compenseren, perspectief bieden en vrijwillige beëindiging aanmoedigen. Maar compensatie is iets anders dan het recht om een economisch model, dat niet eens zo rendeert en schadelijk blijkt voor land en bewoners, onveranderd en onverminderd voort te zetten.

20 miljard euro voor een sector die slechts een fractie vertegenwoordigt van de Nederlandse economie en de beroepsbevolking. Als je dat bedrag grofweg deelt door de circa 17.300 veehouders die het land ‘rijk’ is (volgens de Jaarlijkse Landbouwtelling van het CBS), kom je uit op ruim 1,1 miljoen euro per boer. Zijn we hierin dan niet doorgeschoten? Toen de mijnen in Limburg dichtgingen, werden arbeiders die hun baan verloren niet gecompenseerd. Toen de tabaksindustrie instortte, was er geen compensatie. Als jouw boekhandel nu op omvallen staat vanwege het bestaan van Bol.com of door AI, moet je het zelf maar uitzoeken. Er komt geen overheidssubsidie om je overeind te houden. Deze vorm van ongelijkheid is onhoudbaar.

Juist hierom vind ik de houding van de boeren zo moeilijk te verdragen. Je zou toch verwachten dat een relatief kleine beroepsgroep die de samenleving om miljarden aanpassings- en beëindigingsgeld vraagt, op zijn minst bereid is het maatschappelijke probleem te erkennen?! Maar nee, hoor. Men gaat de snelweg op met de tractor om te protesteren. Een gotspe.

Journalist en voltijd-provocateur Jort Kelder heeft een punt als hij boeren oproept minder te klagen. Hij hekelt hun ‘zieligheidscultuur’. Hij deed die uitspraak recent in ‘Heilige Huisjes’ voor WNL. Gemiddeld gesproken berust 40 à 50% van het boereninkomen op belastinggeld van Nederlandse burgers. Volgens een berekening van het Financieele Dagblad ging er sinds 1962 in totaal 3,200 miljard euro aan subsidie naar de landbouwsector, wat neerkomt op een bijdrage aan boeren van 7.000 à 8.000 euro per huishouden. 

De landbouwsector ontvangt dus aanzienlijke publieke steun via de Nationale Rijksbegroting. Voor 2026 is 1,4 miljard euro aan subsidie gereserveerd. Voor de Nederlandse belastingbetaler kan dit oplopen tot €90 per persoon. Vanuit de EU ontvangen Nederlandse boeren ook nog eens jaarlijks bijna 1 miljard euro aan landbouwsubsidies, eveneens belastinggeld van burgers. De vraag is dan ook volkomen legitiem waarom de Nederlandse samenleving daarvoor zo'n enorme grondclaim en milieubelasting zou moeten accepteren.

De kern van mijn betoog is dat de omvang van het boerenbestand in Nederland niet in steen is gebeiteld. De wereld verandert en ook boeren moeten mee veranderen. Door klimaatverandering en vervuilende methodes zal de landbouwsector zichzelf opnieuw moeten uitvinden. Het wordt al op bescheiden schaal gedaan dus het kan. 

Er moet ook een langetermijnvisie worden geformuleerd: waar willen we als land zijn over 20 of 30 jaar? Welk type landbouw past daarbij?  

Voor mij is het duidelijk voor nu: minder vee, minder landbouwgrond, minder intensieve landbouwbedrijven, minder macht aan multinationals in de agro-business als levensmiddelenfabrikant Unilever, zadenbedrijf Syngenta, kunstmestproducent Yara (zelf een van de grootste ammoniakuitstoters van Nederland), zuivelonderneming FrieslandCampina en grootgrutter Ahold Delhaize. 

En ja, piekbelasters in de landbouw (landbouwbedrijven die vanwege hun ligging onevenredig veel stikstof neerlaten op kwetsbare natuur), moeten weg. Deze piekbelasters zijn vrijwel altijd intensieve of grootschalige vee-, varkens- of  pluimveehouderijen. Dat zouden er in Nederland circa 3.000 zijn. Meer dan de helft hiervan is gevestigd in de provincie Gelderland. Eigenbelang is in dit geval ondergeschikt aan de staat van de natuur en het welzijn van de bevolking. Dat is geen boerenhaat; dat noem ik verantwoord regeringsbeleid. 

De landbouwsector krimpt al enige tijd dus laten we die trend steunen, in het algemeen belang. In 2025 daalde het volume van dierlijke productie (wederom). De varkens- en pluimveestapels namen af en de stikstofuitstoot door varkens en pluimvee daalde navenant. Maar er moet meer gebeuren. 

Wat mij vooral tegenstaat, is de hardnekkige suggestie dat Nederland zich de afgelopen decennia zou hebben verplicht om individuele boeren koste wat kost hun bedrijf te helpen behouden. Niemand is daartoe verplicht. Een boer is een ondernemer die risico’s neemt, geen onaantastbaar staatsmonument; alhoewel Jort Kelder dat tegenspreekt. Agrariërs zijn volgens hem eerder ambtenaren want als de subsidie wegvalt, kunnen ze niet voortbestaan. Het alternatief dat Kelder ziet, is stoppen met landbouwsubsidies en consumenten iets meer laten betalen voor voedsel.

Gedwongen uitkoop is eveneens een optie, wat mij betreft. Compenseer boeren fatsoenlijk wanneer de overheid hen vraagt te stoppen. Koop bedrijven uit die op de verkeerde plek zitten. Stop elke subsidie aan onwillige boeren die geweld prediken en al jarenlang de kont tegen de krib gooien. Maar vooral: help die boeren die willen omschakelen of al zijn omgeschakeld en een extra steuntje in de rug kunnen gebruiken. Vooral jonge, welwillende boeren. Zorg dat degenen die op constructieve wijze willen doorgaan een toekomst hebben met een goedbelegde boterham. 

Laten we niet accepteren dat een onwillige groep het land opnieuw in een houdgreep neemt. Als 20 miljard euro nodig is om eindelijk van het stikstofslot te komen, dan vind ik dat op zichzelf een schokkend bedrag maar het is wel de uitweg uit een jarenlange impasse en de weg naar een betere toekomst voor iedereen. Dat het leven in Nederland weer gebukt zou gaan onder jarenlange boerenprotesten tegen noodzakelijke krimp, maakt de rekening voor de rest van Nederland alleen maar hoger en moeilijker te verteren. Dus boeren: stop met ouwehoeren!

Afgelopen zondag sprak (kinderboeken)schrijfster en milieu-activiste Bibi Dumon Tak haar maandelijkse column uit in mijn favoriete radioprogramma Vroege Vogels. Die ging ook over omgekeerde vlaggen die terug zijn in haar woonomgeving, nu in dubbele aantallen. Zij zon -met vrienden- op een tegenactie. 
Ze verbaasden zich erover dat boeren zichzelf zo op de schouders kloppen. 

‘Wie doet dat in hemelsnaam? Om de haverklap staat er een spandoek langs een van onze snelwegen met de tekst: 'trots op de boer'. Ooit zo’n beroepsgroep gezien? Tijdens de vorige boerenprotesten fietste ik dagelijks langs een van de boerderijen die zo’n spandoek had hangen. Het was losgeraakt en rafelde iedere dag een beetje verder tot er alleen nog maar Tro op de bo stond. Tro op de bo, dat vond ik grappig, omdat boze boeren zich op die manier zelf langzaam lieten verdwijnen’.

Ik zocht nog een pakkende blogtitel. Die vond ik. 


zaterdag 29 augustus 2026

Lunar eclipse gids

Het zag er niet erg veelbelovend uit in de aanloop naar de vroege ochtend van 28 augustus. Dat was het moment ruim na middernacht waarop een bijna volledige maansverduistering zou zijn te zien boven het overgrote deel van Spanje. Met het blote oog dus er was geen behoefte aan een eclipsbril. Mijn liefje had mij wel gewaarschuwd dat de kans op bewolking groot was maar ja, zij is nu eenmaal geen Van Leur of Woei. Bovendien had zij de regen die eerder op de avond viel niet voorzien. Daar komt bij dat mijn enthousiasme en optimisme niet waren te temmen.

De telelens van mijn digitale camera is uitermate geschikt voor dit soort situaties dus die stond klaar. Ik zou mijn mooiste maanfoto naar NASA sturen, had ik mij voorgenomen. Geen ingenieus gecomposeerde constructie maar een messcherp beeld van een kleurrijk maanoppervlak. Daartoe had de organisatie mensen wereldwijd opgeroepen. 3.3 miljard mensen, om precies te zijn. Zoveel wonen er in het gebied van de (bijna) volledige eclips.

De wekker was om 4:00 uur gezet. Een tijdstip waarop normale mensen hooguit wakker worden als hun blaas daartoe aandringt. Maar ik had een missie. De maan zou langzaam in de schaduw van de aarde verdwijnen, vervolgens roodachtig kleuren en uiteindelijk als een soort kosmische bloedmaan aan de hemel gaan staan. Voor de wekker was ik wakker, zo gaat het doorgaans bij ervaringen die weleens enerverend kunnen zijn. Met de vastberadenheid van een amateurastronoom trad ik dit avontuur tegemoet. Vriendin Liselotte, woonachtig in dezelfde buurt maar in een andere straat met ander uitzicht, had mij uitgenodigd op haar terras te komen kijken als ik er zin in had.

Ik stapte naar buiten en liep door de poort de straat op, om goed te kunnen zien waar de maan stond aan de hemel en waar het fenomeen zich zou gaan voordoen. Ik liep heen en weer, vooruit en achteruit. Waar ik ook keek, er was geen maan te bekennen. Wel bewolking. Niet hier en daar een decoratieve sluierwolk, nee een compleet dichtgetimmerde hemel. Alsof niet ik maar dit deel van Spanje die nacht onder een grijs dekbed bleef liggen.

Na de aanvankelijk lichte teleurstelling bleef ik hoopvol. Misschien trok het open, misschien was dit plaatselijk. Misschien kwam de maan straks precies door een gaatje in het wolkendek tevoorschijn, zoals dat ook was gebeurd in Aragón toen we recent op zoek gingen naar de volledige zonsverduistering, de diamanten ring en de corona (12 augustus jongstleden; zie blog). We hadden weliswaar een deel van de verduistering door de maan gemist maar de afloop had niet beter gekund. Misschien had ik nu ook mazzel? De maan had immers een reputatie hoog te houden na het succes van de zon. 

Dus regelmatig stapte ik naar buiten, met mijn telelens in de aanslag. Elke keer bleek boven mij een ondoordringbare massa wolken te hangen. Ik keek naar de hemel en de hemel keek terug. Ik had net zo goed mijn Aragonese eclipsbril kunnen dragen.

Op mijn laptopscherm had ik ondertussen de live-uitzending van de maansverduistering staan: 04:45, 05:05, 05:25, 05:45 uur… langzaam werd de maan steeds roder. Prachtig. Ik kon niet wachten dat met eigen ogen te zien, verheugde mij op een soort lokale, hemelse diavoorstelling. In realiteit bereikte ik ongeveer hetzelfde resultaat als wanneer ik de dop op mijn cameralens had laten zitten. Zwart beeld. Rond 06:05 uur begon de frustratie toe te slaan. De maan zou inmiddels (bijna) helemaal rood moeten zijn.


Illustratie 'Eclips' - Konstantin
Sunnerberg 
Maar de realiteit was dat boven mijn stukje Spanje geen maan was te bekennen. Geen verduisterde maan. Geen bloedmaan. Überhaupt geen maan. Alleen maar wolken, zelfs een flink wolkendek. Om 06.45 uur begon de maan volgens schema alweer haar rode gloed te verliezen. Ik bleef dezelfde wolkenpartij zien, zelfs met soms een spatje regen. Tja. 

Mijn liefje, die later uit haar mandje stapte, vroeg me of ik nog een foto had gemaakt van die grijze hemel. (Soms is het een grote pestkop.) Ietwat chagrijnig antwoordde ik ontkennend. 

Rond 07:45 uur was het spektakel voorbij volgens de eclipsgids. Ik had geen enkel bewijs van het kosmische wonder, waarop ik mij zó had verheugd. Miljoenen mensen in grote delen van de wereld hadden tijdens die vroege uurtjes wèl de maansverduistering kunnen zien. Het universum had echter besloten dat juist ik een exclusief arrangement kreeg aangeboden: een geheel verduisterde maan. Ofwel: het grote niets. In grijs-zwart uitgevoerd. 

De maan verduisterde en veranderde inderdaad prachtig van kleur voor vele anderen op de wereld. Kranten in binnen- en buitenland hadden die ochtend reportages die ik met lede ogen aanzag. De aarde wierp haar schaduw daar precies waar het moest. Aan het gezamenlijke ontbijt zei ik mijn liefje enigszins verongelijkt dat ik wel vaak pech had in het geval van astronomische evenementen. Niet dat ik tot dusver veel verduisteringen meemaakte maar het voelde alsof ik er veel had gemist. Andere enthousiastelingen, personen op andere plekken, hadden meer geluk.

Afgelopen nacht, toen moeder natuur mij riep, keek ik door het badkamerraam en zag de maan fel door het raam schijnen. Ik had vrij zicht op die volle, oplichtende bal. Het hemellichaam trok een lange neus naar mij. Mij moet je voortaan niet vragen als gids!

Ik moet er de humor maar van inzien. 'Mijn' maan was er die nacht wel degelijk, ik zag haar alleen niet.


woensdag 26 augustus 2026

Cultuur als onderdeel van de strijd

Oekraïne stond eerder deze week stil bij de 35ste onafhankelijkheidsherdenking, mijn liefje en ik vierden op die dag dat we 38 jaar en zes maanden samen zijn. Het klinkt wellicht gek maar door die samenloop van omstandigheden voelen wij ons extra verbonden met dat land. Op 24 februari 2022 viel Rusland Oekraïne binnen. Dat is de dag waarop wij herdenken dat we elkaar zoveel jaren geleden ontmoetten. Die dag kan ik dus niet los zien van het uitbreken van die oorlog. Volgens columnist Sander Schimmelpenninck is steun aan Oekraïne vooral een mannending. De heldhaftige strijd aan Oekraïense zijde is nooit lang uit mijn gedachten, al blog ik er relatief weinig over. 

Schrijver, columnist en activist Tommy Wieringa, dit seizoen Zomergast nummer 4, stelde een mooi tv-programma samen waarin Oekraïne een belangrijke rol speelde. Hij is mede-organisator van ‘Protect Ukraine’, een stichting die hulpkonvooien organiseert naar de frontlinie in Oekraïne. Dat doet hij samen met schrijver en activist Jaap Scholten. Voorheen voelde Wieringa zichzelf ‘een stramme pennenlikker met machteloze woede’ ten opzichte van deze oorlog; dat zette hij om in actie. Vorig jaar schreef hij het boek ‘Konvooi’ en hij maakte een tweedelige serie over het land in oorlog.

Afgelopen week schreef ondernemer en columnist Sander Schimmelpennick een stuk in de Volkskrant waarin hij meldde dat hij net terug was van zo’n konvooi, samen met zijn vader. Samen hadden ze een ambulance gedoneerd en daar afgeleverd. In de Volkskrant van vandaag staat een ingezonden lezersbrief van een 'fitte oude dame' die zelf een gedoneerde auto naar Oekraïne wilde rijden. Zij werd niet erg serieus genomen. Toch gaat ze dat binnenkort doen. Nederland is sponsor nummer 1 van Oekraïne. Goed, hoor!

Wie denkt dat Poetins vernietigende oorlog tegen Oekraïne alleen draait om grondgebied, vergist zich. Achter de raketten, drones en tanks schuilt een andere: die tegen de Oekraïense cultuur. Rusland bezet niet alleen Oekraïens grondgebied, het is ook uit op de vernietiging van het historische en culturele verhaal waarop dit autonome land rust. De vernietiging van boeken, bibliotheken, musea en historische monumenten is daarvan een huiveringwekkend bewijs.

Recent las ik in Britse krant The Guardian een artikel dat het kwaad en de omvang van de opzettelijke vernietiging van de cultuur door Poetins Rusland zichtbaar maakt. In juli en augustus van dit jaar vernietigden Russische aanvallen op Oekraïense drukkerijen en boekopslagplaatsen naar schatting tien miljoen boeken, ongeveer 30% van de jaarlijkse Oekraïense boekproductie. Bij een aanval op een opslagplaats in Charkiv gingen alleen al circa acht miljoen boeken verloren. In Kyiv werd nog eens een voorraad van ongeveer 1,5 miljoen boeken vernietigd. Daaronder waren 600.000 schoolboeken. Vorige week verwoestte een Russische aanval de iconische Pochaina-boekenmarkt in Kyiv. Deze openluchtmarkt bestond sinds 1997 en bestond uit honderden kramen met boeken van meer dan 120 Oekraïense uitgevers. 

Vroeger vond ik dat mensen die hun uitgelezen boek 'wegdeden', moesten worden vervolgd. Na een aantal eigen verhuizingen over de wereld vind ik dat inmiddels niet meer. Zolang ze maar een nieuw leven kunnen leiden. Boeken opzettelijk vernietigen, is en blijft echter een misdaad in mijn ogen.  


Foto: Getty Images
Boeken zijn doorgaans geen voorwerpen die zich in de buurt van een militair doelwit bevinden. Om die te raken, moet je dus bewust op zoek. We weten inmiddels dat de vermaledijde Russen dat doen. Geen middel gaat Poetin immers te ver om zijn doel te bereiken: de vernietiging van de Oekraïense geschiedenis en cultuur. 

Boeken zijn dragers van de taal en identiteit van een land. Wie de productie en verspreiding van boeken vernietigt, raakt het vermogen van een volk om de essentie uit te dragen van wie en wat het is. Daaraan is het Kremlin veel gelegen. Strijd tegen cultuur heeft twee doelen: het ondermijnen van het moreel van de Oekraïense strijdmacht en het versterken van Poetins bewering dat Oekraïne geen eigen culturele identiteit heeft. 

Vladimir Poetin heeft Oekraïne in zijn toespraken herhaaldelijk beschouwd als een ‘kunstmatige staat’ en Oekraïners als onderdeel van een groter puur Russisch geheel. Tevens beweert hij ten onrechte dat de Oekraïense taal een dialect van het Russisch is. (Wel delen ze het Cyrillisch alfabet.) In die visie is een autonoom Oekraïne een historische vergissing of zelfs een vijandig construct. De Engelse krant beschreef in eerdere artikelen hoe de Russische krijgsmacht in bezette gebieden Oekraïense boeken uit scholen verwijdert, de Oekraïense taal onderdrukt en een Russisch-georiënteerd curriculum oplegt. Zelfs Oekraïense kinderen werden uit bezette gebieden ontvoerd en naar Rusland gebracht om te worden gerussificeerd. Tja.

De vernietiging van boeken staat dus niet op zichzelf. Volgens Oekraïense gegevens zijn sinds het begin van de militaire invasie honderden bibliotheken beschadigd of vernietigd. In juni van dit jaar schreef dezelfde krant dat meer dan 700 bibliotheken schade hadden opgelopen of werden verwoest in de eerste drie oorlogsjaren. Inmiddels ligt dat aantal op 1.000. In bezette gebieden werden Oekraïense biebs systematisch in brand gestoken en werden boeken geruimd om plaats te maken voor een Russisch curriculum. Ook werden in de loop van de oorlog tientallen cultureel erfgoedlocaties (UNESCO Werelderfgoed) getroffen. Het zijn niet alleen oorlogscriminelen en moordenaars, het zijn ook cultuurbarbaren die Russen van Poetin... 

Het is moeilijk om daarbij niet terug te denken aan eerdere Russische pogingen om de Oekraïense cultuur te vernietigen. Oekraïense publicaties werden tijdens het Russische keizerrijk aan censuur onderworpen. Oekraïense schrijvers, dichters en andere intellectuelen werden onder Stalin vermoord in de jaren '30 van de vorige eeuw, een generatie die later bekend werd als de ‘Executed Renaissance’. Dus generaties lang, onder Russische tsaren en later in de Sovjet-Unie, waar een beleid van russificatie werd opgelegd om politieke controle te versterken, kreeg de Oekraïense cultuur weinig kans om tot bloei te komen. De huidige oorlog in Oekraïne staat dus in een lange historische traditie waarin de Oekraïense taal en literatuur door Rusland politiek worden bedreigd.

Eén periode is daarop echter een uitzondering. Kort na de oprichting van de Sovjet-Unie (jaren '20) voerde de regering van Lenin beleid in ter bevordering van lokale talen en tradities, in de overtuiging dat onafhankelijke culturen en identiteiten de eenheid van de 15 Sovjetrepublieken konden versterken. In Oekraïne leidde dit tot een bloei van de Oekraïenstalige literatuur, poëzie en kunst, voornamelijk geconcentreerd in Charkov, destijds de hoofdstad van Sovjet-Oekraïne. (Deze periode van culturele vrijheid kwam abrupt ten einde toen Stalin aan de macht kwam.) 

De Russen kunnen tien miljoen boeken in Oekraïne vernietigen, daarmee verdwijnt de Oekraïense geschiedenis en cultuur nog niet. Integendeel. De aanvallen maken pijnlijk duidelijk waarom ’s lands verhalen broodnodig zijn. De Oekraïense reactie is dan ook veelzeggend: schrijven, drukken, publiceren en lezen gaan ‘gewoon’ door.

Zelfs tijdens een luchtalarm kwamen eerder dit jaar duizenden inwoners naar het Kyiv Book Arsenal, het grootste en meest toonaangevende literaire en culturele boekenfestival van Oekraïne. Het thema van dit jaar was ‘Carrying Freedom’. 

Meer dan 150 uitgevers en boekhandelaren, honderden Oekraïense en internationale schrijvers en intellectuelen, mensenrechtenactivisten, militairen en wetenschappers kwamen vier dagen lang bijeen voor discussie over vrijheid, oorlog, herinnering en toekomst. 

Een van de emotioneelste momenten was de herdenkingsvoorstelling ‘Echoes’, opgedragen aan de Oekraïense schrijvers, dichters en journalisten die tijdens deze oorlog werden gedood of verdwenen. De voorstelling bevatte woorden en opgenomen stemmen van schrijver, fotograaf en vrijwillig soldaat Maksym Kryvtsov (1990), romanschrijfster Victoria Amelina (voormalig PEN Oekraïne-lid), kinderboekenschrijver Volodymyr Vakulenko (aan het begin van de oorlog gemarteld en vermoord door de Russen), dichter en vrijwillig militair Hlib Babich die in 2022 sneuvelde en vele anderen wier stemmen ondanks hun dood nog steeds weerklank vinden in de Oekraïense cultuur.

In het aangehaalde artikel in The Guardian werd beschreven hoe de oorlog de Oekraïense literatuur niet heeft verstikt maar juist nieuwe schrijvers, dichters en boeken heeft voortgebracht, plus een hernieuwde belangstelling voor de Oekraïense taal.

Zo naarstig als Poetin probeert Oekraïne uit de geschiedenis te bombarderen, zo zeer hebben de Russische aanvallen juist het tegenovergestelde effect. Ze herinneren Oekraïners -en meelevende Europeanen als wij- eraan dat cultuur geen luxeproduct is dat tijdens een oorlog even terzijde kan worden geschoven.

Het was de Duitse filosoof Heinrich Heine die in 1821 schreef: “waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen”. Op het Oekraïense slagveld gebeurt beide sinds het begin van deze afschuwelijke oorlog. (Ter info: Heine verwees hiermee naar de verbranding van de Koran door de Spaanse Inquisitie. Deze woorden bleken opnieuw van profetische waarde in nazitijd...) 

Maar een volk vernietig je niet door zijn boeken te verbranden. In het geval van de onverzettelijke Oekraïners, die Wieringa ‘anarchistische vrijheidsliefde’ toedicht, al helemaal niet. Poetin laat als dader vooral zien hoe bang hij is voor wat erin staat.


zaterdag 22 augustus 2026

Herinneringen maken

De vakantieperiode is in vele Westerse landen tot een einde gekomen. Toeristen uit binnen- en buitenland vlogen of reden terug naar werk en school. De eerste was is gedaan, de vakantiefotoboeken zijn in bestelling. 

Dagelijks ontvang ik van Google Photos berichten op mijn apparaten in de vorm van foto’s die ik een jaar, tien jaar of zelfs 20 jaar of langer geleden maakte. Dat zijn herinneringen in fotovorm, de ene dierbaarder dan de andere. Het zijn momenten uit mijn verleden waarop iets waardevols of memorabels gebeurde dat ik voor het nageslacht vastlegde en dat mij herinnert aan die momenten. Soms stuur ik ze door aan de vrienden met wie ik die herinnering(en) deel.

Er zijn uitdrukkingen die zo geruisloos het dagelijks taalgebruik binnensluipen dat bijna niemand zich nog afvraagt wat ze eigenlijk betekenen. ‘Herinneringen maken’ is daar een voorbeeld van. Het is intussen volledig ingeburgerd. De woorden klinken warm, positief en onschuldig en je vindt ze tegenwoordig bijna overal: in reisfolders, reclames, familiefotoalbums en op sociale media. Vrijwel niemand trekt er nog een wenkbrauw bij op. Behalve ik.

Ongeveer twee jaar geleden hoorde ik het een vriendin -die veel tijd doorbrengt op sociale media- voor het eerst gebruiken. Zij was weduwe geworden maar ontmoette daarna een nieuwe novio, iemand die ze van vroeger kende. Met hem ging ze nieuwe herinneringen maken”. Nu gun ik haar al het levensgeluk van de wereld maar deze uitdrukking vond (en vind) ik verdraaid vreemd...

Het rammelt niet alleen taalkundig maar ook in filosofische zin. Een herinnering is geen ‘ding’ dat de mens vervaardigt, zoals dat bijvoorbeeld geldt voor een schilderij of een taart. Het is de gedachte aan een eerdere ervaring, het spoor dat de tijd achterlaat in ons bewustzijn. Een herinnering ontstaat pas nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Daarvoor hoef je zelf weinig te doen, de tijd doet het belangrijkste werk. Op het moment zelf beleven wij geen herinnering; wij ondergaan een ervaring. Pas later krijgt die ervaring de betekenis van een herinnering.

Wie zegt dat hij of zij herinneringen gaat maken, spreekt alsof de toekomst zich al heeft omgevormd tot het verleden. Dat is een merkwaardige omkering. De ervaring wordt niet beleefd om zichzelf maar om haar latere functie als herinnering. Daarmee verschuift ook onze houding tegenover het leven. Een wandeling in het bos is niet langer alleen een wandeling in het bos. Het wordt een investering in nostalgie. De vakantie is niet meer het bezoeken van een onbekende plek of het ontmoeten van nieuwe mensen waarop later kan worden teruggekeken, het worden projecten van activiteiten in het nu.

Dat verraadt een typisch moderne verhouding tot de tijd. We beleven het ogenblik zelf steeds minder maar meer de vastlegging ervan. De uitdrukking herinneringen makenpast goed bij die mentaliteit. Die suggereert dat herinneringen een doel op zichzelf zijn geworden. Maar herinneringen laten zich niet plannen. Niemand besluit op dinsdagochtend dat de lunch van die middag een dierbare herinnering wordt. De gebeurtenissen die ons het meest bijblijven, zijn vaak juist degene die zich onverwacht aandienen: een gesprek dat langer duurt dan gepland, de geur van een zomerse bui, een afscheid waarvan je op dat moment niet weet dat het voor altijd is.

Sterker nog, hoe krampachtiger we proberen een herinnering te produceren, hoe groter de kans dat de ervaring kunstmatig wordt. De intentie verdringt de spontaniteit. Men is voortdurend bezig zichzelf van buitenaf te observeren: Dit is een moment dat ik mij ga herinneren”. Daarmee wordt het heden al half verleden voordat het goed en wel heeft plaatsgevonden.

Taalkundig is de uitdrukking ook eigenaardig. We ‘maken’ geen herinneringen, we doen ervaringen op. Herinneringen maken is geen werkwoord (wel een werkwoordelijke uitdrukking). Herinneringen zijn het gevolg van een handeling, niet de handeling zelf.

Dat is waarom ik deze uitdrukking bizar vindt klinken. Niet per se omdat het grammaticaal onjuist zou zijn, taal is immers dynamisch, maar omdat die een illusie verraadt: de gedachte dat wij onze herinneringen kunnen organiseren zoals we agenda's, boeken en foto’s ordenen. Alsof betekenis toekennen een kwestie van plannen is. Betekenis laat zich niet produceren, die ontstaat. Soms langzaam, soms onverwacht maar altijd pas achteraf.

Wellicht dat achter deze populaire formulering een dieper verlangen schuilt... In een wereld waarin tegenwoordig zoveel zó vluchtig is, willen mensen iets vasthouden. Ze hopen dat mooie momenten niet verdwijnen en dat begrijp ik maar al te goed. Dagelijks word ik door een slimme foto-app herinnerd aan mooie momenten. Maar herinneringen laten zich dus niet fabriceren in het moment.

Ik zou willen zeggen: mens, durf te leven! Laat dingen gebeuren en zie welke leuke of dierbare herinneringen worden. Dus geen herinneringen maken maar ervaringen opdoen, dat is de essentie. Als ervaringen betekenis krijgen, zullen herinneringen vanzelf ontstaan.

Het leven is geen nostalgiefabriek. Het is een lange slinger van ervaringen waarvan de tijd, buiten onze regie om, er af en toe iets waardevols van maakt dat we ons graag herinneren.


dinsdag 18 augustus 2026

Wie beslist over duisternis?

Van de ene astronomische waarneming naar de andere! Na het avontuur van de totale zonsverduistering dat mijn liefje en ik in de Spaanse autonome regio Aragón beleefden, vond ik dit wel een goede overgang naar de hiernavolgende blogs. 

Zolang de aarde om haar as draait (wat dag en nacht veroorzaakt), kent onze planeet nacht. Elke dag glijdt de helft van de aarde in de schaduw, waardoor het natuurlijke ritme van licht en donker ontstaat waaronder het leven op aarde zich heeft kunnen ontwikkelen.

De donkerte (de duisternis) is een van de laatste zaken op aarde die van niemand is. Je kunt een stuk strand pachten, een eiland kopen of een berg exploiteren maar de ruimte zal altijd van niemand en dus van iedereen zijn. Althans, zo werd lange tijd gedacht. Tot een Amerikaans bedrijf besloot er een verdienmodel van te maken.

Het gaat om tech-bedrijf Reflect Orbital dat nu satellieten met grote reflecterende spiegels in een baan om de aarde wil brengen. Op hun website las ik dat ze zichzelf ‘The Sunlight Company’ noemen. Ze willen zonlicht op aanvraag gaan leveren. In 2026 wil het bedrijf al een prototype van hun satelliet lanceren. In 2035 willen ze meer dan 50.000 van deze satellieten hebben gelanceerd.

Het voorstel van Reflect Orbital draait om het in een lage baan om de aarde brengen van satellieten die zijn uitgerust met grote reflecterende oppervlakten. Deze spiegels zouden zonlicht weerkaatsen naar doelen op aarde, ten behoeve van klanten die 's nachts licht nodig hebben. Volgens de bedrijfsbrochure is het systeem ontworpen om gebieden tot vijf kilometer breed te verlichten, waarbij het gereflecteerde licht een intensiteit bereikt tussen 0,8 en 2,3 lux, meermalen helderder dan een volle maan (ongeveer 0,1 tot 0,25 lux aan verlichtingssterkte op het aardoppervlak). 

‘Buiten de dampkring lonkt het nieuwe goud’... Dat is geen uitspraak van muzelluf maar van ruimtefilosofe Marjolijn van Heemstra die in 2022 een essay schreef (getiteld ‘Wat is ruimte waard?’) voor de Correspondent, over een onderwerp dat haar al jaren boeide: de ruimte. Zij vroeg zich in dat stuk af ten koste waarvan miljardairs de ene raket na de andere lanceren. Toen ging het nog uitsluitend om de satellieten van Elon Musk. Er zijn echter ook serieuze plannen voor mijnbouw op asteroïden en voor een tankstation op de maan op een reis naar Mars, Musks andere passie. Dit nieuwe plan van Reflect Orbital gaat een flinke stap verder. Zij was degene die laatst tijdens het radioprogramma ‘Nieuwsweekend’ werd geïnterviewd. Ik zat aan de radio gekluisterd en luisterde met veel interesse. 

Het idee van Reflect Orbital klinkt eenvoudig en ambitieus: zonlicht weerkaatsen naar plekken op aarde waar de zon reeds onder is. Een bouwplaats die langer wil doorwerken, een groente- of fruitteler die de groeicyclus wil verlengen of een noodsituatie ergens in de wereld waarbij tijdelijk extra licht is gewenst? Dat bedrijf zorgt ervoor.

De techniek klinkt futuristisch maar de vraag die velen zich stellen, is nogal ouderwets: wie beslist er eigenlijk over duisternis? Wie is de baas van het heelal? De Amerikaanse overheid gaf het bedrijf recent toestemming om de plannen verder uit te werken. Maar daarmee rijst onmiddellijk een principiële vraag: gaan de Verenigde Staten daar wel over?

Volgens het Ruimterecht is de ruimte namelijk geen nationaal bezit. Van geen enkel land op aarde. Het fundament daarvan is de ‘Outer Space Treaty’ uit 1967, dat anno 2026 door 118 landen is geratificeerd. Dat verdrag stelt dat de ruimte, inclusief de maan en andere hemellichamen, het ‘gemeenschappelijk domein van de mensheid’ is. Geen enkel land mag zich dus een deel van de ruimte toe-eigenen. Tegelijkertijd bepaalt datzelfde verdrag dat staten verantwoordelijk zijn voor de activiteiten van hun bedrijven en burgers in de ruimte. Anders gezegd: een commerciële onderneming mag in de ruimte opereren als haar eigen staat daarvoor toestemming geeft en toezicht houdt.

Het verdrag is geschreven in een tijd waarin satellieten vooral wetenschappelijke, militaire of communicatieve doeleinden dienden. Niemand voorzag dat bedrijven ooit de nachtelijke hemel als commercieel product zouden gaan verkopen. Juridisch kan een land dus een vergunning afgeven aan een nationaal bedrijf. Maar daar wringt de schoen. Een spiegel in een baan om de aarde schijnt immers niet alleen boven de Verenigde Staten, de gevolgen zijn mondiaal.

Daarmee raakt Reflect Orbital aan een fundamenteel probleem van het internationaal recht. Er bestaat een verschil tussen wat juridisch is toegestaan en wat maatschappelijk wenselijk is. Het feit dat één overheid een vergunning kan afgeven voor een activiteit die de hele wereld raakt, voelt voor veel mensen ongemakkelijk. Alsof één land zou mogen besluiten de maan voortaan paars te schilderen.

De kritiek kwam dan ook snel. Astronomen waarschuwen dat extra reflecties het waarnemen van sterrenstelsels, planetoïden en andere zwakke hemelobjecten verder kunnen verstoren. De afgelopen jaren hebben wetenschappers al veel hinder ondervonden van de snel groeiende aantallen communicatiesatellieten. Nog meer kunstmatige lichtbronnen maken de situatie er niet beter op.

Ook ecologen maken zich zorgen. De natuurlijke afwisseling van dag en nacht vormt een essentieel onderdeel van ecosystemen. Trekvogels, vleermuizen, nachtvlinders, schildpadden en talloze andere diersoorten gebruiken de duisternis als navigatiemiddel of levensvoorwaarde. Lichtvervuiling geldt nu al als een groeiend milieuprobleem. Een commerciële uitbreiding van kunstmatig nachtlicht lijkt haaks te staan op wereldwijde inspanningen om juist méér donkere gebieden te beschermen.

Daarnaast heeft de kwestie ook een culturele dimensie. De sterrenhemel behoort tot het erfgoed van de mensheid. Generaties voor ons hebben zich georiënteerd op de sterren, er mythes over verteld en wetenschap op gebaseerd. 

De ervaring van echte duisternis is in veel delen van de wereld al zeldzaam geworden. Juist daarom worden steeds meer zogenaamde ‘Dark Sky Parks’ ingericht, waar kunstlicht bewust wordt beperkt. Het idee dat een commercieel bedrijf de duisternis verder wil terugdringen, voelt voor menigeen als een aantasting van iets dat niet in geld is uit te drukken.

Inmiddels circuleren petities van astronomen, natuurorganisaties en bezorgde burgers. Hun bezwaren verschillen in detail maar hebben dezelfde boodschap: sommige zaken behoren niet tot de markt. Niet alles wat technisch mogelijk is, hoeft ook commercieel te worden geëxploiteerd.

De verdedigers van dit project wijzen erop dat de spiegels klein zullen zijn, slechts kortstondig licht zouden reflecteren en uitsluitend op verzoek zouden worden ingezet. Bovendien, zo stellen zij, heeft de mens de ruimte al decennialang gebruikt voor economische activiteiten. Waarom zou dit dan wezenlijk anders zijn?

Dat is een begrijpelijk argument maar slaat de plank behoorlijk mis!  Communicatiesatellieten leveren diensten zonder de fundamentele eigenschappen van de natuurlijke omgeving (duisternis) te veranderen. Reflecterende spiegels zullen dat wèl doen. Ze maken van de duisternis zelf een product dat kan worden verkocht en ingekocht.

Om deze redenen is het minder een technisch dan een filosofisch vraagstuk. Duisternis is een collectief bezit. Net als schone lucht, stilte of een ongerepte horizon heeft het een waarde die zich nauwelijks laat uitdrukken in economische termen. Zodra commerciële partijen mogen bepalen waar en wanneer de duisternis verdwijnt, verandert onze relatie met een van de oudste ervaringen van de mens: omhoog kijken naar een sterrenhemel die niet door (zichtbaar) economische belangen wordt gestuurd. 

Het huidige ruimterecht geeft op die vraag geen bevredigend antwoord. Het regelt vooral wie verantwoordelijk is, niet wie moreel bevoegd is om namens de mensheid te beslissen. Daarom is Reflect Orbital geen gewone startup maar een lakmoesproef voor het internationaal recht. De technologie loopt wederom mijlenver voor op de regels. Tja. 

De uiteindelijke vraag is niet of we de nacht kunnen verlichten. Dat weten we door het initiatief van Reflect Orbital. De werkelijke vraag is of we dit als mensheid moeten willen. Mijn antwoord daarop is kraakhelder: Nee. Op de website van organisatie DarkSky International heb ik, als wereldburger, de petitie tegen het plan van het Amerikaanse tech-bedrijf reeds getekend. Net als 20.000 anderen uit 90 landen.