De
zomervakantie is definitief voorbij, iedereen is uitgerust dus ik neem aan dat
er weer energie is voor een longread als deze (circa 10 minuten leestijd). Deze
gaat over de terugkeer van boze boeren. De omgekeerde vlaggen op het platteland
en langs de wegen verschenen weer in het straatbeeld. Ik erger mij groen &
geel aan dat blauw-wit-rood en daarin ben ik bepaald niet de enige.Er
zijn weinig maatschappelijke dossiers die mij zó ergeren als de manier
waarop Nederlandse boeren met de stikstofcrisis omgaan. Ik begrijp dat voedselproductie
zonder landbouwsector onmogelijk is maar die sector moet zich hoognodig en drastisch aanpassen aan de werkelijkheid. Het is nu of nooit. De landbouwsector, en dan met name de veehouderij, is verantwoordelijk voor het overgrote deel van de ammoniakuitstoot (NH₃). Een deel van de boeren
gedraagt zich al jarenlang alsof iedere poging om de omvang en milieubelasting
van de veehouderij aan te pakken, een onrechtmatige aanval op het boerenleven is.
Aangezien
alle plannen om het land vooruit te helpen in de afgelopen jaren stillagen, is deze
situatie niet langer houdbaar. De stikstofproblematiek is niet van gisteren. De
radicaalste boeren en hun vertegenwoordigers menen echter dat dit probleem niet
bestaat. Het zou een door de overheid zelf gecreeërd juridisch en politiek probleem
zijn. Het boek ‘De stikstoffuik 2.0’ van Arnout Jaspers onderschrijft die
mening. De strenge rekenmodellen van de overheid en de rigide regels van de EU
zouden er debet aan zijn. Critici noemen dit boek vooringenomen en op halve
waarheden gebaseerd. NRC noemt het ‘een selectief pleidooi’. “De school van
Jaspers vindt dat natuur de economie niet in de weg mag staan.” Tja.
De
Raad van State, 's lands hoogste bestuursrechter, maakte in 2019
al duidelijk dat de overheid niet eindeloos kon blijven gedogen en wegkijken. Het
patroon is door de jaren heen steeds hetzelfde: nieuwe plannen worden
aangekondigd, boerenorganisaties protesteren, politici zwakken de plannen af en
vervolgens worden ze uitgesteld. Daarna begint het hele circus opnieuw. Ook
binnen de landbouwsector wordt erkend dat de onzekerheid mede door jarenlang
politiek gedraaikont, is toegenomen. Ik hoop dat landbouwminister Van Essen
(D66) en collega’s van het kabinet-Jetten deze keer hun rug recht houden.
Intussen
is de werkelijkheid ronduit ontnuchterend. Nederland is een klein, dichtbevolkt
land met een enorme veestapel. Volgens CBS-gegevens (2025) lopen er op Nederlandse
bodem -in stallen en daarbuiten- 3,546 miljoen runderen, 9,658 miljoen varkens
en 81,734 miljoen kippen rond. Ruim 90 miljoen dieren tegenover 18 miljoen
inwoners; geen gezonde verhouding, letterlijk en figuurlijk. In 2025 werd door die
veestapel in totaal 439,6 miljoen kilo stikstof uitgescheiden. Daarmee zat
Nederland vrijwel exact op het afgesproken stikstofplafond van 440 miljoen
kilo. Sinds 2017 is de stikstofuitstoot in Nederland weliswaar met 14% gedaald maar
dat betekent niet dat het probleem is verdwenen; integendeel.
Probeer
zo’n hoeveelheid stikstof maar eens inzichtelijk te maken voor de lezer! In gewicht is dat gelijk aan 73.000 volwassen Afrikaanse
mannetjesolifanten. In logistieke termen komt dat neer op ongeveer 11.000 volle
vrachtwagens (40-tonners) die samen een file vormen van 160km; van Amsterdam
tot Maastricht (vrijwel de gehele A2).
Nederland wordt in menige publicatie ‘kampioen verlies van biodiversiteit’
genoemd. Het land heeft nog maar ongeveer 15% van zijn oorspronkelijke
biodiversiteit over en scoort daarmee het slechtst in Europa en de wereld. Een ongewenste situatie.
Het
totale grondoppervlak van Nederland is 4,2 miljoen hectare (land en water). Volgens
de recentste CBS-landbouwtelling (2025) bedraagt de cultuurgrond in Nederland circa
1,80 miljoen hectare. Dat is grond die daadwerkelijk onderdeel is van
landbouwbedrijven en bestemd voor landbouwproductie: akkerbouw, tuinbouw en
veehouderij, inclusief grasland en de teelt van voedergewassen.
Daarmee is ruim
43% van het totale grondoppervlak van Nederland in gebruik door boeren. En dan
te bedenken dat de meerderheid van de landbouwsector niet produceert voor de
Nederlandse consument maar voor export naar het buitenland. Daar komt het
narratief vandaan dat Nederlandse boeren ‘de wereld voeden’. Het is een
veelgebruikte leus die niet blijkt te
kloppen. Daar zit een luchtje aan, zoals verderop zal blijken.
1.039.000
hectare van die cultuurgrond is eigendom van agrarische ondernemers (boerenbedrijven),
ofwel ruim 58%. De overige boeren hebben te maken met erfpacht (een zakelijk
recht op onroerend goed), pacht (persoonlijke huurovereenkomst van landbouwgrond)
of andere vormen van exploitatie.
Het
Kadaster komt uit op 2,021 miljoen hectare landbouw- of cultuurgrond, verdeeld
over circa 280.000 eigenaren. Van die grond is ongeveer 64% in handen van
particulieren (gegevens uit 2026). In dit geval hoeft het niet altijd te gaan om
boeren. Het kan ook (lagere) overheden, kerkelijke instellingen, stichtingen, natuurorganisaties
en anderssoortige grondeigenaren betreffen. Maar
dat is nog lang niet het gehele plaatje. Als je kijkt naar het landoppervlak
dat buiten Nederland nodig is om de Hollandse veestapel te voederen, pakt het nóg
gekker uit. Wageningen University & Research berekende dat recent. Voor de
huidige Nederlandse voedselproductie, consumptie en export is ongeveer 4,7
miljoen hectare landbouwgrond in het buitenland nodig. Dat komt neer op een
grondgebied dat groter is dan heel Nederland. Dat buitenlandse grondoppervlak wordt gebruik voor de productie van veevoeder, dat Nederland vervolgens importeert.
Circa
driekwart van het ‘basisruwvoer’ voor koeien wordt in Nederland zelf geproduceerd. Het gaat hier om gras en snijmaïs dat op eigen cultuurgrond wordt verbouwd. Het krachtvoer voor de gehele veestapel (varkens, pluimvee, runderen, geiten en schapen) komt voor 60 à 70% uit het buitenland. Voor het in stand
houden van die veestapel is dus meer buitenlandse landbouwgrond
nodig dan waarop we met ons 18 miljoenen wonen. Bizar, nietwaar?!
Dat
maakt het beeld van Nederland als exportland van landbouwproducten complexer
dan de exportcijfers doen vermoeden. Nederland exporteert inderdaad veel
landbouwproducten maar importeert per saldo meer calorieën en eiwitten dan het
exporteert. Op deze manier is Nederland dan ook geen netto-exporteur van
voedsel maar juist importeur. De belangrijkste consument van al dat ‘buitenlandse’ voer (ook soja en granen) is de Nederlandse veehouderij.
Als boeren alleen landbouwgrond in Nederland zouden verbouwen, zou dat genoeg zijn om de eigen bevolking van voedsel te voorzien. Daarna blijft er niet genoeg over ‘om de wereld te voeden’. Je zou dus beter kunnen zeggen dat de wereld ons voedt...
Sommige
belanghebbenden blijven desalniettemin pleiten voor het behoud van export om ‘de wereld te
voeden’. Het is dan ook goed om je te realiseren dat de waarde van de primaire landbouw (inclusief bloementeelt) slechts 1,4% van het bruto
binnenlands product is. Daarmee is die sector nog niet half zo belangrijk
voor de Nederlandse economie als bijvoorbeeld de cultuursector, die goed is
voor 3,7% van het bbp (maar steeds minder subsidie ontvangt).
De
aangehaalde Wageningen-studie, die in juni 2026 in het blad Nature werd
gepubliceerd, zet dus vraagtekens bij het sleetse narratief van de boeren. Deze studie is echter geen pleidooi voor het afschaffen van de voedselhandel. Handel
kan nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer producten niet in Nederland kunnen worden
geteeld, zoals koffie of citrusfruit. Ook zou toekomstige voedselexport volgens
de onderzoekers vooral plantaardig moeten zijn. Dierlijke producten passen
binnen zo’n systeem alleen als dieren vooral regionaal beschikbare biomassa
eten die niet geschikt is voor menselijke consumptie. De toekomstige rol van
Nederland ligt dus volgens deze studie niet meer in volume-export. Neerlands
kracht kan voortaan liggen in het overdragen van kennis en het toepassen van innovatie.
Dit
gaat niet uitsluitend om cijfers. Dit gaat vooral over meer ruimte voor mens
en natuur. Het gaat ook over woningbouw, infrastructuur en bedrijvigheid die in een overvol
land sowieso niet eindeloos kunnen doorgroeien. Zeker niet als de landbouwsector
alles bij het oude wenst te houden. Boeren moeten inzien dat de
landbouwsector een uitzonderlijk grote claim legt op grond en leefruimte in het
land. Het is dan ook geenszins verwonderlijk dat de Nederlandse regering een
keer zegt: ‘zo kan het niet langer’. Het roer moet om.
Kabinet-Jetten
heeft voor de aanpak van het stikstofprobleem 20 miljard euro gereserveerd, een
substantieel bedrag. Het geld moet onder meer worden gebruikt om veehouderijen
te verduurzamen, bedrijven minder intensief te maken en te laten stoppen. Rond
natuurgebieden zijn stikstofarme zones gedefinieerd en er komt een norm van
maximaal 2,6 grootvee-eenheden per hectare.
Boeren
protesteren nu weer, met hun intimiderende trekkers en omgekeerde vlaggen. Ze spreken
over bestaansvernietiging en een aanval op hun manier van leven. Natuurlijk
moet een overheid zorgvuldig omgaan met mensen die hun bedrijf, grond, woning
en opgebouwde vermogen dreigen te verliezen. Een fatsoenlijke overheid moet
ruimhartig compenseren, perspectief bieden en vrijwillige beëindiging aanmoedigen.
Maar compensatie is iets anders dan het recht om een economisch model, dat niet
eens zo rendeert en schadelijk blijkt voor land en bewoners, onveranderd en
onverminderd voort te zetten.
20
miljard euro voor een sector die slechts een fractie vertegenwoordigt van de
Nederlandse economie en de beroepsbevolking. Als je dat bedrag grofweg deelt
door de circa 17.300 veehouders die het land ‘rijk’ is (volgens de Jaarlijkse
Landbouwtelling van het CBS), kom je uit op ruim 1,1 miljoen euro per boer. Zijn
we hierin dan niet doorgeschoten? Toen de mijnen in Limburg dichtgingen, werden
arbeiders die hun baan verloren niet gecompenseerd. Toen de tabaksindustrie instortte, was er geen compensatie. Als jouw boekhandel nu op
omvallen staat vanwege het bestaan van Bol.com of door AI, moet je het zelf maar
uitzoeken. Er komt geen overheidssubsidie om je overeind te houden. Deze vorm
van ongelijkheid is onhoudbaar.
Juist
hierom vind ik de houding van de boeren zo moeilijk te verdragen. Je zou toch
verwachten dat een relatief kleine beroepsgroep die de samenleving om miljarden
aanpassings- en beëindigingsgeld vraagt, op zijn minst bereid is het
maatschappelijke probleem te erkennen?! Maar nee, hoor. Men gaat de snelweg op met de tractor om te protesteren. Een gotspe.
Journalist
en voltijd-provocateur Jort Kelder heeft een punt als hij boeren oproept minder
te klagen. Hij hekelt hun ‘zieligheidscultuur’. Hij deed die uitspraak recent
in ‘Heilige Huisjes’ voor WNL. Gemiddeld gesproken berust 40 à 50% van het
boereninkomen op belastinggeld van Nederlandse burgers. Volgens een berekening
van het Financieele Dagblad ging er sinds 1962 in totaal 3,200 miljard euro aan
subsidie naar de landbouwsector, wat neerkomt op een bijdrage aan boeren van €7.000 à 8.000 euro per huishouden.
De
landbouwsector ontvangt dus aanzienlijke publieke steun via de Nationale
Rijksbegroting. Voor 2026 is 1,4 miljard euro aan subsidie gereserveerd. Voor de
Nederlandse belastingbetaler kan dit oplopen tot €90 per persoon. Vanuit de EU ontvangen
Nederlandse boeren ook nog eens jaarlijks bijna 1 miljard euro aan
landbouwsubsidies, eveneens belastinggeld van burgers. De vraag is dan ook volkomen
legitiem waarom de Nederlandse samenleving daarvoor zo'n enorme grondclaim en milieubelasting
zou moeten accepteren.
De
kern van mijn betoog is dat de omvang van het boerenbestand in Nederland niet
in steen is gebeiteld. De wereld verandert en ook boeren moeten mee veranderen.
Door klimaatverandering en vervuilende methodes zal de landbouwsector zichzelf
opnieuw moeten uitvinden. Het wordt al op bescheiden schaal gedaan dus het kan.
Er moet ook een langetermijnvisie worden geformuleerd: waar willen we als land zijn over 20 of 30 jaar? Welk type landbouw past daarbij?
Voor
mij is het duidelijk voor nu: minder vee, minder landbouwgrond, minder intensieve landbouwbedrijven,
minder macht aan multinationals in de agro-business als levensmiddelenfabrikant Unilever,
zadenbedrijf Syngenta, kunstmestproducent Yara (zelf een van de grootste ammoniakuitstoters van Nederland), zuivelonderneming
FrieslandCampina en grootgrutter Ahold Delhaize.
En ja, piekbelasters in de landbouw (landbouwbedrijven die vanwege hun ligging onevenredig veel stikstof neerlaten op kwetsbare natuur), moeten weg. Deze piekbelasters zijn vrijwel altijd intensieve of grootschalige vee-, varkens- of pluimveehouderijen. Dat zouden er in Nederland circa 3.000 zijn. Meer dan de helft hiervan is gevestigd in de provincie Gelderland. Eigenbelang is in dit geval ondergeschikt aan de staat van de natuur
en het welzijn van de bevolking. Dat is geen boerenhaat; dat noem ik verantwoord regeringsbeleid.
De landbouwsector krimpt al enige tijd dus laten we die trend steunen, in het algemeen belang. In 2025 daalde het volume van dierlijke productie (wederom).
De varkens- en pluimveestapels namen af en de stikstofuitstoot door varkens en
pluimvee daalde navenant. Maar er moet meer gebeuren.
Wat
mij vooral tegenstaat, is de hardnekkige suggestie dat Nederland zich de
afgelopen decennia zou hebben verplicht om individuele boeren koste wat kost hun
bedrijf te helpen behouden. Niemand is daartoe verplicht. Een boer is een ondernemer
die risico’s neemt, geen onaantastbaar staatsmonument; alhoewel Jort Kelder dat
tegenspreekt. Agrariërs zijn volgens hem eerder ambtenaren want als de subsidie
wegvalt, kunnen ze niet voortbestaan. Het alternatief dat Kelder ziet, is
stoppen met landbouwsubsidies en consumenten iets meer laten betalen voor
voedsel.
Gedwongen uitkoop is eveneens een optie, wat mij betreft. Compenseer
boeren fatsoenlijk wanneer de overheid hen vraagt te stoppen. Koop bedrijven uit die op de verkeerde
plek zitten. Stop elke subsidie aan onwillige boeren die geweld prediken en al
jarenlang de kont tegen de krib gooien. Maar vooral: help die boeren die willen
omschakelen of al zijn omgeschakeld en een extra steuntje in de rug kunnen
gebruiken. Vooral jonge, welwillende boeren. Zorg dat degenen die op
constructieve wijze willen doorgaan een toekomst hebben met een goedbelegde
boterham.
Laten
we niet accepteren dat een onwillige groep het land opnieuw in een
houdgreep neemt. Als 20 miljard euro nodig is om eindelijk van het stikstofslot
te komen, dan vind ik dat op zichzelf een schokkend bedrag maar het is wel de
uitweg uit een jarenlange impasse en de weg naar een betere toekomst voor iedereen.
Dat het leven in Nederland weer gebukt zou gaan onder jarenlange boerenprotesten
tegen noodzakelijke krimp, maakt de rekening voor de rest van Nederland alleen
maar hoger en moeilijker te verteren. Dus boeren: stop met ouwehoeren!
Afgelopen
zondag sprak (kinderboeken)schrijfster en milieu-activiste Bibi Dumon Tak haar
maandelijkse column uit in mijn favoriete radioprogramma Vroege Vogels. Die
ging ook over omgekeerde vlaggen die terug zijn in haar woonomgeving, nu in
dubbele aantallen. Zij zon -met vrienden- op een tegenactie. Ze verbaasden zich
erover dat boeren zichzelf zo op de schouders kloppen.
‘Wie doet dat in
hemelsnaam? Om de haverklap staat er een spandoek langs een van onze snelwegen
met de tekst: 'trots op de boer'. Ooit zo’n beroepsgroep gezien? Tijdens de
vorige boerenprotesten fietste ik dagelijks langs een van de boerderijen die
zo’n spandoek had hangen. Het was losgeraakt en rafelde iedere dag een beetje verder
tot er alleen nog maar Tro op de bo stond. Tro op de
bo, dat vond ik grappig, omdat boze boeren zich op die manier zelf langzaam
lieten verdwijnen’.
Ik zocht nog een pakkende
blogtitel. Die vond ik.