In mijn straat klinken de vertrouwde geluiden van een hete augustusdag aan de Spaanse Costa: cicaden die met hun trommelorganen het alom bekende geluid maken, jengelende peuters die de hitte zat zijn, opgewonden kids in het zwembad van hun grootouders, een reclamevliegtuigje boven zee en zoemende airco’s. Dat went allemaal.
Hoogzomers is het hier voor bewoners doorgaans lastig een parkeerplek in eigen straat te vinden. Nu vinden mijn liefje en ik dat niet zo erg voor het eigen transportmiddel. Die tamelijk luchtige houding is niet van toepassing op de meerderheid van de mannelijke buren. Ze halen de vreemdste fratsen uit om hun auto tóch voor de deur te krijgen; soms tot in het absurde. Buurman Juan doet het, net als onze voormalige Deense buurman en vriend Jan. Buurman en vriend Guillermo doet het, net als nieuwe buurman Vladimir. Nu ik erover nadenk: er is één Spaanse vrouw die het eveneens doet: buurvrouw Isabel. Van haar vind ik het kwalijker omdat zij een vergunning heeft voor parkeren op eigen patio, inclusief op- en afrit waar niemand mag staan; dat is al een plek minder. (Als je dat toch doet, riskeer je een boete van maximaal €200.) Vaak parkeert ze haar vehikel langs de toch al volle straat. Ik vind daar zeker wat van...
Er bestaat een ongeschreven regel waarover nooit is gestemd, die nergens in de Spaanse Wegenverkeerswet voorkomt maar die in talloze woonstraten met religieuze overtuiging wordt nageleefd: de eigen auto moet vóór de eigen voordeur staan. Niet om de hoek, niet elders in de eigen straat; nee, exact op de plek die men in gedachten als persoonlijk eigendom annexeert: voor de poort.
Zodra een bestuurder vertrekt, begint de operatie. Mijn liefje liep laatst naar vriendin Liselotte toen ze getuige was van een fanatiek staaltje 'car shuffle'. Het Geitje zat op zijn terras te typen toen hij zag dat er een vreemde auto voor zijn deur vertrok. Hij wist niet hoe gauw hij zijn autosleutels moest pakken en in actie moest komen. Zijn auto stond aan het einde van de verlengde straat. Hij haastte zich naar zijn auto, stapte in en reed in zijn haast om voor de eigen deur te komen bijna de fietsende buurman Jésus van de sokken. Het gaat ver, deze verslaving...Het zijn vaak mannen die zich aan deze rituele stoelendans overgeven. Zij spreken over “mijn plekje” terwijl dat plekje juridisch evenveel van hen is als het bankje in het park of het grasveld bij de kinderspeelplaats. De parkeerplaats langs de openbare weg wordt mentaal omgebouwd tot privébezit. Wie er staat, heeft een geluksgevoel. Wie elders moet parkeren, voelt zich beroofd van iets waarop hij geen recht heeft (en in Spanje ook nooit zal krijgen).
De redeneringen waarmee dit gedrag wordt verdedigd, zijn zowel saai als ongeloofwaardig. “Dan kan ik de auto beter in de gaten houden.” Alsof een voertuig op afstand ineens ten prooi valt aan een internationale dievenbende. Of: “Dat is gewoon handig”. Natuurlijk is het handig! Zeker na het boodschappen doen, dat weet ik echt wel. Net zoals het handig zou zijn als een supermarkt parkeerplaatsen reserveert voor vaste klanten. Maar ja, gemak is in dit soort gevallen geen argument.
De heilige parkeerplaats pal voor de deur lijkt voor veel mannen niet zomaar een stukje asfalt maar een strategisch veroverd land(je). Dit diepgewortelde verlangen komt waarschijnlijk voort uit een mix van oerinstinct, luiheid en een milde (of sterke) bezitsdrang. Er wordt ook weleens gerefereerd aan het zogenaamde ‘huisvadersyndroom’: geen man wil drie straten lopen met twee kratten bier. Nu zijn de mannen die ik beschrijf in deze blog geen van allen huisvaders en boodschappen doen laten ze bij voorkeur aan hun wederhelft over.
Het merkwaardige is dat de inspanning vaak groter is dan de opbrengst. De buitenschoenen moeten aan, de autosleutel worden gepakt, men moet de poort uit, er wordt een stukje gewandeld; soms zelfs gehold, dat heb ik ooit echt iemand zien doen. Vervolgens moet er worden gebeden dat het plekje er nog is als je je noodzakelijke rondje hebt gereden (door eenrichtingsstraten). Er zijn brutalen die tijdelijk een groot voorwerp plaatsen op de opengevallen plek voor de deur. Daar tijdelijk een familielid stallen als officieuze parkeerwachter, gebeurt ook. Stressvol, toch?! Niets is de asfaltjager te dol... of beter gezegd: de asfaltjager is nogal een dolle. Tja.
De CO₂-uitstoot van zo’n mini-expeditie zal de planeet niet doen kantelen maar dubieus gedrag is het wel. Het is de efficiëntie van iemand die de lift neemt op de tweede verdieping om daarna de flat te verlaten en naar de sportschool te rijden.
Het kan niet anders dan dat de auto voor sommige mannen een verlengstuk van zichzelf is. Dat dat parkeergedrag bij hen in de genen zit als gewezen jager-verzamelaar. Dat ze dit gedrag vertonen uit een soort territoriumdrift. Zoals een kater zijn erf markeert of een hond ‘zijn’ boom, zo markeert de automobilist zijn stukje stoeprand.
Deze heilige koe, hun ‘gevelglimmer’ moet bij voorkeur zichtbaar zijn vanuit de woonkamer. Wellicht dat er personen zijn die na het avondeten tevreden uit het voorraam kijken en constateren: hij staat er nog. Het bezit is pas compleet wanneer het binnen hun gezichtsveld ligt.
Het is ironisch dat dezelfde mannen zich vaak ergeren aan mensen die “niet kunnen rijden”. Zij mopperen over medeweggebruikers, op verkeersdrukte, op parkeerproblemen en klimaatmaatregelen maar starten de motor van hun eigen bolide zonder blikken of blozen om te parkeren op een plek die tien meter dichter bij de voordeur ligt. Tja.
Natuurlijk, niet iedere man maakt zich hieraan schuldig maar de parkeerplaats vóór de deur kreeg in menig mannenleven een bijna mythische status. Die vertegenwoordigt controle, overzicht en de geruststellende illusie dat een stukje openbare ruimte toch een beetje van hem is.Dat
mijn ECO Slide Out fietscaravan van Zwitserse makelij momenteel niet in de straat past, vind ik wel een deceptie. Nog even geduld...
Dan is de straat weer van ons.





















