Translate

zondag 31 oktober 2021

Heksenbloed

We keken afgelopen week weer naar de uitzendingen van deze jaargang van Masterchef Australië, na een korte onderbreking. En het gekke is: op het eerste gezicht misten we geen enkele kandidaat. Ik kon niet bedenken wie in de tussentijd afviel. (Inmiddels weet ik het.) In deze jaargang is dan ook sprake van een andere beleving dan in voorgaande jaren. Voorheen zat ik aan de buis gekluisterd, nu kijk ik als het mij uitkomt. Het is een teken aan de wand dat ik nog steeds geen favoriet onder de participerende kookamateurs heb, dat ik soms vergeet naar een aflevering te kijken of de voorkeur gaf aan iets anders. 

Dit eens zo favoriete kookprogramma lijkt zijn glans door corona te hebben verloren, wat mij betreft. Social distancing past niet bij het concept, buitenlandse gastkoks mogen het land niet binnen en waren virtueel aanwezig (via hologrammen). Dat pakt niet goed uit, vond ik. Alsof de verf afbladdert van het schilderij van een oude meester... Het zal niet uitsluitend aan het programma liggen, het zal ook met mij als kijker te maken hebben. Misschien is de liefde voorbij na 13 jaren van trouw? De nieuwe jury sloot ik vorig jaar al virtueel in mijn armen en er zijn echt nog wel nieuwe ideeën die worden uitgeprobeerd en die verrassen.

Zo zag ik afgelopen week dat oud-kandidaten (afvallers) terugkeerden naar de Masterchef-keuken. Deze keer konden niet een maar twee van die afvallers hun plek in de competitie terugverdienen. Zij die nog wel in de race zijn, moesten voor de afvallers één ingrediënt kopen dat hen typeerde en waarmee ze daarna  een gerecht moesten maken. Dan, de 31-jarige gepromoveerde wetenschapper, met een moeder uit Guangzhou en getrouwd met een man, was de favoriete boodschapper voor velen. Dat pakte vooral goed uit voor Eric (21 jaar, Medicijnen-student) die speklapjes ontving. Deze sympathieke jongeman deed op 10-jarige leeftijd al mee aan de auditie van Junior Masterchef. Hij wist aanvankelijk niet wat hij met die pork belly aanmoest, gek genoeg. Aangever Dan wel: een wontongerecht naar een recept van zijn (Aziatische) familie. Daarmee won hij de eerste stap in de terugkomrace. Wat dit jaar überhaupt opvalt -en dat ik kan waarderen-, is het grote aantal leden van de LGBTIQ+ gemeenschap dat meedoet, naast Dan: Conor, Eric, Tom, Jess, Scott en Trent. Het geeft dit kookprogramma een roze randje.

Enkele maanden geleden ontstond ophef rondom Masterchef-jurylid Jock Zonfrillo. Tijdens een uitzending had hij een ketting in zijn hand. Men vroeg zich af wat dat ding was en waarom hij het droeg. Het blijkt te gaan om zogenaamde worry beads’ die hij gebruikt als kalmeringsmiddel tegen stress. De ketting die de reuring veroorzaakte, heeft speciale betekenis voor hem omdat hij die ontving van de echtgenote van een dierbare vriend, journalist en culinair recensent A.A. Gill die op 62-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van kanker. Zonfrillo had het ding al vanaf de eerste uitzending op zak. Het productieteam van het programma vroeg hem waarom. Daarop besloot hij zijn talisman niet meer te verstoppen en uit de kast te komen als iemand met angsten die hij hiermee probeert te bedwingen. Hij noemde die ketting “a sancatuary for the mind. Klinkt een beetje als teksten van de zusjes Van Lexmond maar ik bagatelliseer die gevoelens niet. Als je pijn in je voet hebt, neem je ook een aspirientje dus waarom geen bestrijding van zielepijn? En dan is dit nog een tamelijk onschuldig medicijn... 

Hij maakt inmiddels zelf kettingen onder het label Caim (Schots woord), met bijzondere en zeldzame edelstenen (nee, geen glas van de Blokker) en een doodskop als hanger. Dat legt hem geen windeieren; ze zijn te koop voor 495 Ozzie dollars per stuk. Een ideetje voor Halloween? Te laat! Alles op de website is uitverkocht. Van elke verkochte ketting gaat overigens $5 naar Beyond Blue, een Australische organisatie die hulp verleent aan mensen met geestelijke gezondheidsproblemen. Naar verluidt, zouden drie miljoen Ozzies daaronder lijden (dat komt neer op ongeveer 12% van de bevolking).   

Gisteren las ik een interessant interview in de Volkskrant met Damiaan Denys, praktiserend psychiater gespecialiseerd in angst- en dwangstoornissen en hoogleraar aan de UvA. Hij stelt dat mensen het zijn verleerd om te gaan met alle tegenslag, pijn en verdriet die het leven nu eenmaal biedt. In Nederland is nu al 17% van de mensen depressief. Hoeveel willen we er nog bij hebben? Hier worden gevoelens gepathologiseerd die inderdaad ongemakkelijk zijn maar die bij het normale leven horen. Maar dat weten we niet meer. Onze zelfreflectie is verstoord. 

Nul tegenslag is vragen om problemen. De betekenis van lijden is heel breed geworden: het verschil tussen wat je verlangt en wat je krijgt. Denys stelt dat het voor mentaal welbevinden juist nodig is om te maken te krijgen met problemen en tekortkomingen, een moeilijke jeugd, een werkelijkheid die niet altijd naar je zin is. “Daarvan groei je en word je een weerbaarder persoon. De Nederlandse geestelijke gezondheidszorg barst dus uit zijn voegen, in de woorden van Denys. Psychische zorg is door de markwerking een product geworden en patiënten met ernstige psychische problemen (zoals schizofrenie en bipolaire stoornissen) zijn daarvan de dupe.

Over tekortkomingen gesproken, tijdens onze recente rondreis door Andalusië introduceerde vriendin Bernadette burrata in ons midden. Ik had er weleens van gehoord maar het nog nooit gegeten of gekocht. Het bleek een gemis want het gaat om het veel lekkerder zusje van mozzarella! Zij stelde een salade met burrata voor als gedeeld voorgerecht. Sindsdien ben ik verslingerd aan dat romige bolletje. Inmiddels vond ik het hier in een goede supermarkt en bereidde er een tomatensalade met pesto en pijnboompitten mee. Bernadette stuurde ook nog een variant met verse vijgen en ham toe. Eveneens om uit te proberen.

Van dezelfde gulle gever ontvingen we nog een ander kado: een kookboek van Yvette van Boven, getiteld Van Bovens Leftovers. Het is een loodzwaar exemplaar met meer dan 400 bladzijden recepten en kooktips. Joehoe! Een groot pluspunt is dat alle recepten naar seizoen zijn geordend. Spekkie naar mijn bekkie. De ondertitel luidt als volgt ‘Ruim 200 oermakkelijke recepten om verspillingsvrij het jaar door te koken’. Hiermee wil Van Boven niet vermanend klinken. Het is voor haar eerder een leefregel; ze kookt niet met kliekjes uit zuinigheid. Geen eten weggooien is voor haar al jarenlang vanzelfsprekend, voor ons geldt dat iets minder maar we leren elke dag. Een restje hoofdgerecht tovert zij om tot een soepje, een restje voorgerecht belandt in de lunch als soufflé en een restje dessert wordt smoothie de volgende ochtend. Zo kan een overblijfsel opnieuw een hele tafel voeden. Een mooie cyclus die navolging verdient. Van Boven beschrijft drie gerechten met burrata die ik allemaal ga uitproberen: met coeur de boeuf-tomaten, herfstpanzanella en warme kaki. Stuk voor stuk winterse kost.

Wij kookten afgelopen week al twee gerechten uit het nieuwe kookboek. Ik sloeg de oktober-sectie open en vond een aansprekend hoofdgerecht: eendenborst met verse pruimen-cidersaus. Er stond een tip bij over de manier waarop je de pit het gemakkelijkst uit de pruim krijg. Je moet niet via de bilnaad van de vrucht snijden maar haaks erop. Handig! Alle begeleidende tekeningen zijn van multitalent Yvette zelf. Het toetje haalde ik uit de november-sectie van het boek: Eton mess op Van Bovenstebeste wijze.

Vandaag is Halloween, de griezeligste dag van het jaar, ook in de keuken van Huize Barefoot. Hierbij het recept van mijn zelfgemaakte heksensoep. Hocus-pocus...

Er was eens een heks in Mojón

Die dacht dat ze toveren kon

Ze roerde gespannen

In potten en pannen

Wat zat er toch in haar bouillon?

 

Afgehakte vingerkootjes

Spinnenweb en bokkenpootjes

Slangenvel en hagedis

Hondendrol en kattenpis

En tot slot, je raad het al:

Tentakels van een parelkwal.

 

Van gisteravond bleef een restje pruimensaus over. Dat giet ik vanavond over het nagerecht. Bloody delicous!


vrijdag 29 oktober 2021

We zijn het niet (meer) gewend! – deel 3

Dit is het laatste deel van mijn drieluik over de Andalusiëreis die ik onlangs ondernam met mijn liefje en vriendin Bernadette. In de vorige blog stonden we op het punt Tarifa te verruilen voor de zuidelijkste stad van Spanje en de oudste van Europa: Cádiz. Voor de verandering kreeg deze stad zijn naam niet van een Arabische veroveraar die eeuwen geleden naar dit deel overstak maar werd gesticht door de Feniciërs en heette aanvankelijk ‘Gadir’ (ommuurde vesting). De Berbers noemden deze plaats later Agadir, de Romeinen Gadeira en de Moren Quadis. Al die namen verwijzen naar de imposante stadswal. Cádiz was ooit de belangrijkste bestemming waarnaar de afgeladen schepen van kolonisator Spanje uit Zuid-Amerika en elders terugkeerden. Nu wordt de haven alleen nog aangedaan door cruiseschepen.

De eerste keer reden we Cádiz binnen via een omweg, langs een onaantrekkelijk industriegebied. Dat zouden we de daaropvolgende dagen anders doen: via de kortste route over de Brug van de Grondwet van 1812. Deze La Pepa-brug, opgeleverd in 2014 -twee jaar later dan gepland vanwege de economische crisis-, is een fraaie hangbrug van bijna 600 meter over de baai van de stad. Ik vroeg Bernadette als bijrijder een foto van deze constructie te maken; die lukte goed! (Je vindt 'm in het nu volledig bijgewerkte webalbum.) 

In eerste instantie parkeerden we de auto in een openlucht parkeergarage langs de stadswal, op het terrein van het Antiguo Hospicio, een verlaten gebouw uit de 18de eeuw. Dat zullen we vaker zien in deze stad: prachtige gebouwen met een rijke geschiedenis die aan hun lot worden overgelaten… We lieten ons per taxi naar het hotel brengen. Gemak dient de mens. We zouden wederom tegenover de kathedraal gaan logeren. De kamers en badkamers waren deze keer heel groot en er was een klein openluchtzwembad op het dakterras maar we zwommen wederom niet. 

Geen van ons sloot Cádiz direct in het hart. Deze stad moest ons veroveren en deed dat tenslotte ook. Het aardige is wel dat ‘Gaditanos’ (benaming voor de stadsbewoners) nog volop in het stadscentrum wonen. Er is hier nauwelijks sprake van gentrificatie, zoals in Málaga wel het geval is. Deze stad zou ik niet hip noemen al is die aan een opmars in de reiswereld bezig. Wat ook opviel, is dat je moet betalen voor een eenvoudige stadskaart (€1) en voor toegang tot de cetrale kathedraal (€7 per persoon). Het gaat niet om grote bedragen maar het is wel tekenend, denk ik. De aangeprezen visserswijk La Viña had veel tapasbars maar niet per se restaurants naar onze smaak. 's Avonds liepen wij terug naar het hotel door verlaten straten.

Er was zeker het een en ander te beleven maar we deden relatief weinig in de stad zelf (anders dan eten); dat was ook te merken aan het aantal foto´s. Zelfs het -gratis!- museo de Cádiz sloegen we over; niet opzettelijk maar zo pakte het uit. De smalle straatjes noopten mij ´s avonds tot het dragen van een mondkapje. Afstand houden met de vele mensen op de been, was lastig. Dat was ik niet meer gewend. We aten er in drie memorabele restaurants: La Marmita’, ‘Sonambulo’ en La Mafia se sienta a la mesa. Ze waren alledrie suggesties van Bernadette. (Haar nemen we nog eens mee!) 

Bij het eerstgenoemde restaurant werd ik van mijn sokken geblazen door de Almadraba-tonijn. Dit woord komt van het Arabische almadrába, plaats waar de klappen vallen. Deze manier van tonijn vangen wordt daar al sinds mensenheugenis toegepast en is slechts enkele maanden per jaar toegestaan. Vissers jagen de tonijnen in de Straat van Gibraltar op, vangen ze in netten waar ze dier voor dier met de hand worden geselecteerd, bekeken en teruggegooid of niet. De vissen die door de inspectie komen, worden handmatig gedood. In dit restaurant kozen we dus de rauwe rode tonijn op drie wijzen bereid, als gedeeld voorgerecht (tartaar, tataki, sashimi). Je kon de vis opzuigen. Heerlijk! Daarop volgde een even mooi en smakelijk kaasplateau. Mijn liefje stond erop dat ook haar gekozen tussengerecht van bao (gestoomd broodje) met langzaam gegaard draadjesvlees van ossenstaart en een spiegelkwarteleitje hier wordt genoemd. Sic. Vanwege dat enthousiasme gaan we dit gerecht binnenkort zelf proberen te maken. Het restaurant ‘Sonambulo’ wordt in de Michelingids genoemd. Het is een stemmig buurtrestaurant dat door twee Spaanse mannen wordt gerund. Alles liep op rolletjes en de gerechten waren super. De aparte pizza´s van La Mafia die we op de bonte avond in aanwezigheid van enkele mafialeden nuttigden, waren eveneens om te zoenen of op te vreten.

Cádiz was voor ons de perfecte uitvalsbasis voor een bezoek aan de belangrijkste stad in de regio: Sevilla, de hoofdstad van Andalusië. En weer later was het vertrekpunt voor een bezoek aan het bekendste witte dorp: Ronda.

Toen mijn liefje en ik begrepen dat Bernadette Sevilla nog niet had bezocht, konden we niet anders dan de route ernaartoe inplannen. Zij maakte een lijst van stadse bezienswaardigheden. We begonnen met de bezichtiging van Metropol Parasol, bijgenaamd ‘De paddenstoelen’. Een primeur voor ons drieën! 

Dit ontwerp van de Duitser Jürgen Mayer werd in 2011 geopend. Het is het grootste houten object ter wereld: 150 x 70 meter en 26 meter hoog. Je kunt erin, eronder en erop. De bijnaam kreeg het omdat de constructie lijkt op zes paddenstoelen (of parasols). Voor de bouw werden 3.500 delen hout gebruikt die met 3.000 verbindingen en 16.000.000 moeren en bouten aan elkaar zitten; het totale gewicht van de constructie is 1.300.000 kilo. Hoe kon iemand zoiets bedenken? Ik vond het prachtig. Vanaf het hoogstgelegen panoramadak heb je goed zicht over de stad. We konden ver kijken want het was een heldere dag. We zagen enkele bezienswaardigheden van Bernadette´s lijstje al in de verte liggen: de kathedraal van Santa Maria de la Sede, La Giralda en het koninklijk paleis (Real Alcazar). Die bezochten we later.

In een paar honderd meter gingen we van hypermodern naar eeuwenoud. De kathedraal van Sevilla, waarvan de bouw aan het begin van de 15de eeuw startte, is de op drie na grootste kathedraal ter wereld maar wel de grootste gothische kerk op aarde. De bouw duurde ruim 100 jaar. Het is UNESCO-Werelderfgoed. We liepen om het immense gebouw heen. Bernadette beloofde terug te keren voor de bezichtiging van het imposante interieur waar zich onder andere het graf van Christoffel Columbus bevindt. En voor de Torre del Oro aan de Guadalquivir-rivier. Deze stad verdient een meerdaags bezoek en enkele overnachtingen ter plaatse om van het avondleven te proeven. De belendende klokkentoren (La Giralda) deed oorspronkelijk dienst als minaret van de grote moskee van de stad. De Christenen die daar na hun verdrijving kwamen en bleven, zette er iets van hun religieuze voorkeur op. De bronzen weervaan op de top, el giraldillo, geeft de toren zijn huidige naam.

Na de lunch, op het plein tegenover de kathedraal, liepen we naar het koninklijk paleis. Dit grote complex om een imposante binnentuin heen, vind ik vooral interessant vanwege de rijke Mudéjar-stijl. Gouden plafonds, vergulde balken, de typisch hoefijzervormige deuren en ramen en veelkleurige ‘azulejos’ (tegels) die je teletransporteren naar de tijd van Al-Andalus (711-1212). We kwamen ogen te kort. Ook omdat we een botsing met andere bezoekers wilden vermijden... Die mensenmassa was ik niet meer gewend. 

Deze rondreis sloten we af met een bezoek aan het witte dorp Ronda, gelegen op 750 meter hoogte. Bernadette en ik bezochten onder andere de een na oudste rijschool ter wereld (na Wenen) en betraden er de, in ongebruik geraakte, stierenvechtersring. We kwamen er zonder kleerscheuren van af. We zetten onze vriendin af op de luchthaven van Málaga waar zij op het vliegtuig naar Nederland stapte. Dat is inmiddels een week geleden maar dat voelt langer. 

Zelf reden we door naar onze laatste overnachtingsplek voordat ook voor ons de thuisreis begon. Een hotel op een wijngaard aan de voet van de Sierra Nevada, net boven Lanjarón. Ik las dat traditionele wijnlanden in het zuiden van Europa het moeilijk hebben. In delen van Frankrijk, Italië, Griekenland en Spanje wordt het langzaamaan te heet om druiven te verbouwen. In Spanje zijn om die reden in de afgelopen decennia al duizenden hectares wijnbouw verdwenen. In Andalusië is 3/4 van de wijngaarden weg. Door klimaatopwarming.

Bernadette schreef het onlangs gepast in een bericht: wie reist kan veel verhalen. ¡Olé! Andalusië was ons uitermate goedgezind. Het is de mooiste, boeiendste regio van Spanje, wat mij betreft. 

Nogmaals hartelijk dank lieverd, voor jouw vriendschap, gezelligheid, gulheid en hulp bij het voorkomen van ongelukken -zowel in de auto als erbuiten. Aan al die goede kwaliteiten raakten we snel gewend. En veel dank ook aan de andere lieverd van dit gezelschap. Zij vergezelt mij op ál mijn reizen; virtueel en in het echt, dichtbij en naar verre oorden. 

Vanaf nu is bloggen weer business as usual!


dinsdag 26 oktober 2021

We zijn het niet (meer) gewend! – deel 2

Daar zijn we weer! Zoals ik in mijn vorige reisblog reeds meldde, werd dit dé gevleugelde uitspraak van ons recente Rondje Andalucía. Alhoewel het lekker thuiskomen was met 24 graden en een zonnetje, verlang ik alweer terug naar onderweg zijn. Je kunt het mij, reislustige Nederlandse in een prachtig tweede Vaderland, niet kwalijk nemen. Reizen is zelfs dichtbij verslavend.

Waar waren we gebleven? Na een onderhoudend verblijf in Málaga gingen we nieuwsgierig op weg naar Gibraltar, het stukje Verenigd Koninkrijk in Spanje dat niet onomstreden is. De naam komt uit het Arabisch en betekent ‘berg van Tariq’. Deze Tariq ibn Zijad stak de Straat van Gibraltar over aan het begin van de 8ste eeuw, veroverde dat deel van Spanje en noemde die rots naar zichzelf. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat we wèl enkele bezienswaardigheden van die rots in het hoofd hadden maar niet de weg er naartoe. We kwamen in een van twee smalle, lange wachtrijen terecht. Een voor bezoekers en een voor de ‘Gibs’ (bewoners van Gibraltar). Deze rijen kronkelden naar een punt waar de douane zich moest bevinden; dat weet ik niet zeker want de kronkels weerhielden ons van dat zicht.

Na ruim een half uur zonder noemenswaardige progressie begon ik te schuifelen op mijn stoel en om mij heen te kijken. Ik ben namelijk een van twee (van drie) die niet per se beschikt over veel geduld. Was ik de enige die genoeg had van deze situatie? Bepaald niet. Bernadette was het direct met mij eens. We kregen een meevaller: ook mijn liefje opperde dat we wat haar betreft moesten omkeren zodra we konden. De fuik waarin we belandde, werd namelijk steeds knellender… totdat ik een uitweg zag (die een voorganger benutte). Ik schoot de stoep op en draaide krachtig aan het stuur. Een soort Brexit maar dan anders: wij, halve Spanjolen, stapten eensgezind uit de Britse rij. Voor ons geen grotten, tunnels en apen op de rots maar niemand vond dat jammer. Aangezien het rond het middaguur was, stopten we in een restaurant aan het lokale strand, aan de voet van de rots. Daar at ik het vieste lunchgerecht in tijden. Dat was ik niet meer gewend.

Opgelucht reden we door naar Tarifa (provincie Cádiz); de volgende stop aan de Costa de la Luz, de kust van het licht. Die plaats ligt pal tegenover Marokko. Ook die plaats werd vernoemd naar een Arabische veroveraar: de Berber Tarif ibn Malik. Dit stadje werd door de Brazilaanse auteur Paulo Coelho beschreven in zijn boek De Alchemist. Mijn liefje en ik kennen het van een eerder bezoek, Bernadette nog niet. Het was een mooie route naar onze bestemming maar op enig moment kroop een laaghangende wolkenpartij over de heuvels. Die dikke laag lag als een witte deksel op de omgeving. (Dat was niet voorspeld…) Verwachtingsvol koersden we naar ons nieuwe onderkomen voor een paar dagen: hotel ‘Codorniz’.

Deze keer zouden we verblijven in kleine bungalows aan een bloeiende binnentuin met zwembad. We checkten in, pakten de auto uit en liepen naar onze naast elkaar gelegen huisjes. Het waren niet de geboekte... Wij, dames op leeftijd, wensen namelijk niet meer te douchen in een ligbad. We vroegen om twee huisjes met inloopdouche en kregen die alsnog, al moest het slot van Berndette´s casita worden vervangen. (Dat was waarschijnlijk de reden voor de niet-uitgifte.) De inloopdouches waren dermate ruim dat je er hink-stap-springend in kon, de waterstraal was hard en zalig warm. De bedden bleken echter planken. Bernadette drukte het kernachtig uit: “Ik krijg een Sulawesi-gevoel…” Refererend aan een gezamenlijke reis door deze Indonesische provincie in 2014. Ik moest grinniken om de herkenning. Maar daar accepteer je het! De eerste nacht deed ik geen oog dicht, mijn heup deed pijn door die hardheid. De tweede nacht kwam ik goed door met een aspirientje. Mijn liefje was tijdens dit verblijf een gewillig plaagobject, als boeker van deze accommodatie.

Tarifa is dé plek in Spanje voor wind- en kitesurfen. Daar blaast bijna altijd een straffe wind; ofwel de oostenwind uit Afrika, of de westenwind vanaf de Atlantische oceaan. Voordat de avond inviel, verdween de zeemist. We wandelden door de duinen waar we interessante flora & fauna in het wild ontdekten: blauwe zanddistel, strandlelie, zeeraket en vetkruid, een groep kuifleeuwerikken en plevieren. En honderden wildparkerende surfhippies met hun -vaak opgelapte- campers, uit verschillende landen van Europa.

Op de smalle wandelboulevard in zee die de stad verbindt met La Isla (een klein eiland), brachten we de volgende dag een uurtje in verwondering door. Zelf keek ik mijn ogen uit naar de capriolen die ervaren surfers (in wetsuit) op het water en vooral in de lucht uithaalden. Ze lieten zich metershoog meevoeren door hun kites. De foto links is van mijn liefje. Google Photos vond dit de mooiste. Mijn bodyboard bleef achterin de auto. Kurkdroog, net als wij. Bernadette en ik hadden geen zin om te water te gaan.

Tarifa is ook interessant vanwege de Romeinse ruïnes van Baelo Claudia, het kasteel van Santa Catalina en de bewegende duinen van La Bolonia. Er loopt een goed onderhouden houten wandelpad langs de duinrand richting de lichtroze zandheuvel. Voor de lunch troffen we daar bij toeval een juweeltje aan: het  verstopte restaurant Bahía de Bolonia. We aten er heerlijk (salade met een dressing van amandelolie, verse tong, octopustentakel) en dronken er een zalige rosé uit Cádiz bij (Barradillo). 's Avonds bestelden we iets eenvoudigs in het eigen restaurant waar we werden vergezeld door de koppen van geschoten everzwijnen en herten aan de schouw. We vroegen de ober een portie jamón iberico af te snijden. Een poot van het merk 5Jota stond klaar in de klem. Dat is het merk dat in de meeste toprestaurants van Spanje wordt geserveerd. Bernadette at daar, naar verluidt, de lekkerste plakjes rauwe zwartpootham van haar leven. Hulde aan het ibericovarken! De huisgemaakte chips bleken ook likkerbaardend lekker. We hadden op dat moment al twee culinaire ‘best of’-momenten op deze reis… Hoe leuk is dat?! 

Daarna was het tijd om op weg te gaan naar Cádiz, met een tussenstop in Vejer de la Frontera, een van de bekendste witte dorpen van dit deel van Andalusië. Dat dorp ligt tegen een berg geplakt, met hier en daar zeer steile wegen. Bernadette hielp mij deze keer met het kiezen van de juiste route. In samenspraak met de troela van Google Maps stuurt mijn liefje mij als co-chauffeur nog weleens het bos in dus we veranderden van tactiek. Met Bernadette verliep het vinden van de bestemming uitstekend. Logische, ondubbelzinnige aanwijzingen stroomden mijn kant op. Ik zeg het eerlijk: dat was ik niet meer gewend. En steil werd het er... Bovendien was in het dorpscentrum geen parkeerplaats te vinden. We doorkruisten het dorp en parkeerden op een lager gelegen, kleine parkeerplaats aan de rand van het dorp. Vervolgens wandelden we langs smalle straten met minstens 10% stijgingspercentage terug naar boven. Deze reis was er sowieso een van gemiddeld 15.000 stappen per dag. Dat waren mijn liefje en ik niet meer gewend maar we stiefelden vastberaden achter de Haagse akela aan.

Er valt veel te vertellen over Vejer. Zo is er de mysterieuze, in het zwart geklede vrouw die haar gezicht deels afdekt met haar hoofddoek; ze wordt ‘la cobijá’ genoemd. Deze kledingdracht is een Castillaanse traditie die de vrouwen daar overnamen; waarschijnlijk stammend van een Moorse traditie van eeuwen geleden. Er is tevens een joodse wijk. Er ontvlamde zich daar een felle strijd van de dorpsbewoners tegen hun heersers. De bevolking stond op tegen het machtsmisbruik van edelman Juan Alfonso de Guzmán die als grootgrondbezitter de bijzondere rechten van deze dorpelingen (door koning Ferdinand IV in de 14de eeuw aan hen toegekend) vanaf de 15de eeuw met voeten trad. Het volk overwon. Het is een boeiend verhaal. Op heel veel gevels van Vejer worden deze zogenaamde ‘hazas de suerte’ (privileges) genoemd. De rebel die de opstandige burgers aanvuurde en voorging heet Juan Relinque en heeft een standbeeld in het dorp. 

We reden verder naar het stadje Jerez de la Frontera, geen wit zusje van Vejer maar wel een bezoek waard. Mijn liefje had als reisleidster bedacht dat we dit deel van Andalusië niet konden bezoeken zonder sherry te drinken en flamenco te aanschouwen. Aangezien Jerez zich als het epicentrum aan de buitenwereld presenteert, reserveerde ze een tafeltje voor drie in een tabanco voor zang en dans in het stadscentrum. Het zou een toeristenval kunnen zijn maar het was te laat voor die twijfel; we gingen het beleven. 

Ook in Jerez gidste Bernadette auto met chauffeur vakkundig naar de dichtstbijzijnde parkeergarage. Ik las dat Jerez in 2031 culturele hoofdstad van Europa zal zijn. Men heeft potentie maar moet nog wel verder aan de weg timmeren, wat mij betreft. Aangezien we ruim op tijd waren, brachten we eerst een bezoek aan de plaatselijke VVV waarna we de kathedraal bezichtigden en het luxe hotel van de eigenaren van Bodegas Tio Pepe (waar we een selfie maakten bij zijn standbeeld). De Nederlandse auteur Arnon Grunberg schreef een boek vol over deze oom. We dronken iets op het grote plein, luisterden naar geslaagde en minder geslaagde versies van flamenco en zang en keken uit naar de eigen voorstelling. 

Dat optreden bleek gelukkig niet in een grote zaal plaats te vinden maar in een klein, intiem etablissement waar wij helemaal vooraan een tafeltje kregen toegewezen. De zang- en dansshow werd opgeleukt met uitgebreide tapas. Onder het genot (not!) van een glaasje droge sherry keken we naar de opwarming van Alberto Franco op gitaar, Jaime Villar als zanger en danseres Carmen Moncada. Zij bleken niet de minste artiesten al moesten ze het doen met een piepklein podium. Carmen, op haar vurigst dansend en stampend met haar hakken, leek er soms bijna doorheen te zakken. Bernadette raakte in de ban van haar en schoot de mooiste foto. De geslaagde close-up links in de collage is van haar. Deze 38-jarige uit Algeciras begon haar flamencoleven op haar zesde en bouwde een internationale carrière op.

Zelf raakte ik vooral geïntrigeerd door Jaime, zanger en meesterklapper. ‘Palmas’ wordt het begeleidende klappen genoemd. (Close-ups van hem vind je in het webalbum.) Hij wist wat hij deed, dat kon ik horen al verstond ik zijn gezongen teksten niet of nauwelijks. Ik begrijp dat een flamencozanger vaak melismatisch zingt: een lettergreep wordt over meer noten aangehouden. Sindsdien oefen ik deze manier van zingen zelf, onder de douche. Wel met het badkamerraam dicht. Ik wil niet dat er nodeloos een ambulance voor de deur staat. 

Flamencozang begon ooit als klaag- en protestzang en dat leek Jaime tot in de perfectie te kunnen. Hij zong met zijn hele lichaam, vertrok zijn mond steeds meer naarmate het optreden vorderde. Hij leek echt te lijden, kwam af en toe uit zijn stoel omhoog en begon drukker met zijn handen te gebaren en met zijn voeten te stampen. Wij Noorderlingen lurkten ondertussen aan een volgend glaasje droge sherry (not!) en hapten plakjes vlees van de tablas weg. Dit optreden had ik voor geen goud willen missen.

De volgende en laatste blog zal gaan over het bezoek aan de steden Cádiz en Sevilla en het beroemdste witte dorp van Andalusië: Ronda. Het bijbehorende webalbum is bijgewerkt.


zondag 24 oktober 2021

We zijn het niet (meer) gewend! - deel 1

Dit werd dé gevleugelde uitspraak van onze rondreis door Andalusië. We waren een heleboel niet meer gewend, na bijna twee jaar niet te hebben gereisd. De eerste keer dat we dit tegen elkaar zeiden, was toen ik stopte voor de eerste tolpoort. Als chauffeur hield ik de betaalpas in mijn hand en zag niet waar het ding in moest. Wel stak er een bonnetje uit een gleuf… “Ik denk dat mijn voorganger zijn of haar kaartje is vergeten te pakken” zei ik onnozel tegen mijn liefje. Nee dus. Dat was mijn kaartje dat eruit stak. Stom, hè? Het bleef niet bij deze ene keer. We zeiden tijdens deze trip vaker dat we iets niet meer waren gewend. Mensenmassa´s, musea, lange trajecten in de auto, kilometers te voet, driemaal per dag buiten de deur eten en meer.

De eerste en laatste nacht brachten mijn liefje en ik samen door, de overige nachten deden we dat met reismaatje Bernadette (in haar eigen kamer) die uit Nederland naar Málaga vloog. Zij en ik gingen op weg naar de Sierra Nevada die uitzonderlijk groen oogde. Er was geen vlok sneeuw op de toppen de herkennen. We maakten de eerste stop in Tabernas bij oliefabriek ‘Oro del Desierto’, waar we koffie dronken en biologische olijfolie kochten voor vrienden en onszelf. Dat was niet de eerste keer. Deze olie (voor koud gebruik) is goudgeel en heerlijk. De eigenaren vertelden ons dat ze drie weken voorlagen op de gemiddelde oogst. We hoorden de machines werken. 

Vervolgens passeerden we enkele witte dorpen van Andalusië die als verfvlekken in een overwegend groen maar soms roodbruin landschap liggen. Het is altijd een prachtig gezicht. Verderop langs de route kwamen we in een file terecht die voor een uur vertraging zorgde. Het oponthoud werd veroorzaakt door een vrachtwagen die schaarde, tegen de vangrail knalde en volledig uitbrandde. We zaten er ongeveer 300 meter achter, na een bocht en zagen de inktzwarte wolken tegen een strakblauwe hemel opstijgen. Die truck vervoerde materialen die zouden worden gerecycled (papier, plastic). Ik hoop van harte dat de chauffeur het ongeval overleefde. Het hoogste punt dat we die dag op de route aandeden, lag op 1.380 meter. Onze oren plopten ervan… dat zijn we ook niet meer gewend!

Onze eerste overnachting was in een voormalig Franciskaner klooster in Antequera, ten noorden van Málaga. Het is eigendom van een Spaanse lokale familie die grootse plannen heeft met de stad en zijn omgeving. Het hotel van bescheiden omvang ligt aan een uit de kluiten gewassen golfbaan waarop tevens huizen te koop worden aangeboden. (Allemaal eigendom van dezelfde familie.) De chef van het restaurant zou leerling zijn geweest van topkok Ferrán Adría. Dat laatste trok ons over de streep, net als het aantal sterren dat de accommodatie zou bezitten. 

De plek was heel mooi en het klooster is fraai gelegen tussen de heuvels en olijfbomen maar het voldeed niet aan onze verwachtingen. Jawel, er was een overdekt zwembad en een aardig terras, de kamer en badkamer waren zeer ruim maar daarmee was alles gezegd. Er hingen dikke badjassen op ons te wachten en badslippers voor maat 50+ maar de service was onder de maat. Op dit soort plekken verwacht je door de wol geverfd horecapersoneel, geen lokale boerenzonen die een baantje bezetten. Het diner was prima maar niet spectaculair (secreto de cerdo met teriyakiglace en solomillo met portsaus) al was de mandarijnensorbet van vers fruit en eetbare bloemen fraai en heerlijk fris. De rosé die men aanbood, was zo donker als druivensap dus die sloegen we liever over. Dat en andere dingen zou ik de Spaanse eigenaar graag laten weten. De kamer was aardedonker en het was die nacht best koud. De volgende ochtend stonden we opgewekt en fris op. Reizen is verslavend, de reis zelf is vaak het hoogtepunt. Het ontbijt was overigens uitgebreid en goed (gelukkig geen buffet). Vanuit het restaurant heb je prachtig zicht op de eindeloze rijen olijfbomen en de eerste zonnestralen die over de toppen van de heuvels glijden. 

We gingen tevreden op weg naar de dolmen van Antequera, door mijn liefje de hele dag ‘de dildo´s’ genoemd. (Dat soort grappen was ik ook niet meer gewend.) Dolmen zijn de hunnebedden van Spanje. Bovendien gingen we het natuurpark El Torcal bezoeken, in de omgeving van Antequera. Deze stad in de provincie Málaga staat sinds 2016 op de UNESCO-werelderfgoedlijst. In een buitenwijk temidden van flats liggen drie van die ‘dolmenes’ (zoals ze in het Spaans worden genoemd): die van Viera, Menga en Tholos de Romeral. Deze neolitische bouwsels behoren tot de oudsten van Europa, meer dan 6.500 jaar oud. De eerste twee mochten we betreden. De dolmen van Menga was interessanter dan de kleinere Viera omdat deze grafkamer (met vijf verticale stenen zerken aan elke kant) rechtop kon worden betreden en bezichtigd. Het verhaal gaat dat een lokale tuinman ze op een dag ontdekte. Het was er behoorlijk druk vanwege de herfstvakantie. De mondkapjes moesten op in de wachtrij.

Daarna was het tijd voor het letterlijke hoogtepunt van die dag: een bezoek aan El Torcal. In geologische zin is dit park een juweeltje. Dat hele gebied lag ooit onder de Tetiszee en vormde zich in 150 miljoen jaar (vanaf het Mesozoïcum) tot het kalkstenen werelderfgoed dat het thans is. En terecht, wat mij betreft. Je loopt dus over schelpen en skeletten van vergane zeedieren! Het reservaat herbergt enkele van de opvallendste karstformaties van Europa. Het hoogste punt ligt daar op ruim 1.300 meter. Het is thuisbasis van onder andere gieren en adelaars; we zagen ze hoog boven de grillige steenstapels cirkelen. Die stapels deden mij denken aan de Pancake Rocks van Punakaiki (zuidereiland van Nieuw-Zeeland); ook dat is een kalksteenformatie. We deelden het wandelpad met een kudde grazende schapen. Je snapt ´m al… dat zijn we ook niet gewend.

Die avond zouden we overnachten in een appartement in het stadscentrum van Málaga, tegenover de grote kathedraal van de stad. De route naar het stadshart verliep zonder haperen, we reden de dichtstbijzijnde parkeergarage in. Een licht appartement voor max. 4 personen, met twee badkamers en een kleine keuken. Goed genoeg voor ons drieën. De stad werd overlopen door buitenlandse toeristen, Nederlanders waren de eerste die we hoorden praten. Er zouden er  nog honderden volgen. Er was veel stadslawaai en twee cruiseschepen tegelijkertijd in de binnenhaven. Die konden we zien liggen vanaf de eigen balkons.´s Avonds ontdekten we een heel goed en stemmig Spaans restaurant tegenover het appartement. Voor de volgende ochtend gingen we op zoek naar yoghurt en vers fruit voor het ontbijt en dat was zo eenvoudig nog niet. Het stadscentrum heeft nauwelijks supermarkten en hier en daar een kleine buurtwinkel. Slapen kon niet zonder oordoppen vanwege straatgeluiden: het legen van de afvalbakken, dronken Italianen, scheldende echtparen. Het grotestadseleven zijn we zeker niet meer gewend.

Het wachten was nu op de komst van onze vriendin Bernadette. Wij reden met de bus naar de luchthaven (de auto bleef staan in de ondergrondse parkeergarage) en gedrieën keerden we per taxi terug. Daarna eerst een caña & tapa in de buurt en dan op zoek naar een goed restaurant voor de avond. En bijpraten, bijpraten, bijpraten. Wat was het fijn om weer samen te zijn, na bijna drie lange jaren! Die avond streken we neer in een modern Spaans restaurant met leuk, jong personeel. De volgende dag was deels gevuld met museumbezoek: Centre Pompidou Malaga en museo Thyssen aldaar; een hereniging met oude en minder oude meesters en de ontdekking van jonge Spaanse kunstenaars. We lunchten feestelijk op het strand bij ‘Chiringuito Playa Maraqueta’, met sardines, chipirones, witte garnalen, witte wijn en salade.

Diezelfde avond at mijn liefje de lekkerste steak tartar van haar leven bij restaurant ‘Palocortado’. (Niet hiernaast gefotografeerd.) Ze vond het bijzonder genoeg om te vragen of ze de kok even mocht spreken. Zij maakt namelijk zelf al jarenlang overheerlijke steak tartare… Voor mij nog steeds de lekkerste van de wereld dus dit gerecht eet ik bij voorkeur thuis. Deze restaurant uitvoering was met kleine blokjes merg gelardeerd en opgediend in het bot van de merg. De chef kwam en was verguld met het compliment. Of we het sukses wilde melden op internet. Nou, graag! Bernadette en ik genoten van oesters, tomatensalade met burrata (had ik nog nooit gegeten), kalfszwezerik en entrecote. Het toetje-voor-3 was dulce de leche en was vurrukkuluk. We gingen niet te laat naar bed want de dag erna wilden we bijtijds op weg naar Gibraltar. Tot zover deze blog. 

Inmiddels zijn we weer thuis. Je houdt de avonturen tijdens ons bezoek aan Gibraltar (geen sukses), Tarifa (waar we werden gedwongen tot ´planking´), Cadiz (het gevecht om de rode tonijn), Jerez de la Frontera (waar Bernadette fan werd van oom Pepe en aan de voeten van Carmen belandde), Vejer de la Frontera (waar de kuiten van mijn liefje het begaven), Sevilla (waar ikzelf viel voor paddo´s) en de stad Ronda tegoed. Andalusië is prachtig, het is onze favoriete Spaanse regio. De andere hoogtepunten beschrijf ik in volgende blogs. Het begin van een webalbum is gemaakt en kun je met deze link bekijken. Dat zal ik in de komende dagen uitbreiden. Dat ben je immers van mij gewend?!


woensdag 13 oktober 2021

Een blogpauze

Besloot ik na enige introspectie voorlopig te blijven bloggen (zie vorige post), las ik nu al een korte pauze in. Je kunt dit mens ook niet vertrouwen… Mijn liefje, vriendin Bernadette uit Nederland en ik ga namelijk rondreizen in Andalusië. Op vakantie in eigen land. We hadden alledrie zin om onze afgelopen sneue verjaardagen in coronatijd samen opnieuw te vieren. En nu goed!

Onze reistassen kwamen na bijna twee jaar ook weer uit de schuur. De laatste keer dat ze werden gebruikt, was voor een reis naar Bali. Ook zij zijn toe aan een nieuwe trip. We lieten ze luchten op de patio en nu zijn ze weer zo fris als hoentjes, net als de eigenaren. Bodyboard, zwemkleding, paspoorten (want we gaan in Spanje ook buiten Europa!) digitale camera's en andere electronica, mijn Lensball, korte broeken, pantalons voor zowel de eerste als de laatste dagen (in verband met de verwachte gewichtstoename), een voorraad mondkapjes (hier nog steeds van toepassing tot maart 2022), notitieboek voor de offline blogger, speelkaarten, oordoppen (je weet maar nooit), verrekijker, sudokuboek, Bernadette´s verjaardagskado van dit jaar en meer. Het past allemaal in tas & auto.

Mijn liefje en ik gaan eerder op weg. We maken een tussenstop op een historische plaats (eeuwenoude Andalusische dolmen) en reizen de volgende dag door naar Málaga. Daar gaan we kwartier maken in een appartement in het stadscentrum. Deze stad kennen we alle drie al, ook van een eerdere gezamenlijke reis, maar er is nog genoeg te beleven. Bernadette halen we op van het plaatselijke vliegveld en daarna blijven we een paar dagen op dat Spaanse honk. Deze trip voert ons verder naar Gibraltar (Brits overzees gebied in Spanje), Tarifa (zuidelijkste stad van Europa), Jerez de la Frontera (geboortegrond van de sherry en flamenco) en Cádiz (oudste stad van het land).

Sommige van die steden gaan we voor de eerste keer bezoeken en dat maakt het extra leuk, wat mij betreft. Mijn reislust komt voort uit een diepgevoelde behoefte om bijzondere plaatsen in de wereld met eigen ogen te zien. Reizen is verslavend. De coronapandemie toonde aan dat dichtbij ook interessant en vermakelijk kan zijn. Hoezeer geldt dat voor het zuiden van Andalusië?

Het Gibraltarese voetbalelftal ging maandag jongstleden roemloos ten onder tegen het Nederlandse team (0-6). We gaan die Gibs maar niet vertellen dat wij van Oranje zijn. Maar de Berberapen van het oord kan het niets schelen. Op het web trof ik deze beschrijving van Tarifa aan: De sfeer smaakt een beetje naar Goa en Australië, vermengd met een vleugje Moors verleden.” Jerez heeft wel 100 sherry bodegas en een bezoek aan de zigeunerwijk Santiago, voor de flamenco, staat gepland. Cádiz wordt ook wel het kleine Havana genoemd. Als dat alles drie reislustige vrouwen, ervaren wereldreizigers, niet aanspreekt, dan weet ik het niet! Mijn liefje reserveerde alle accommodatie op de route; vanzelfsprekend in overleg met haar reisgenoten.

De Andalusische weergoden zijn ons goedgezind, als we de verwachtingen mogen geloven: dagelijks zonnig en ruim 23 graden Celsius. Joehoe! Spaanse cultuur en natuur, lekker eten en mooie wijn, ontspanning, vergezichten, nieuwe ontmoetingen, oeverloze gesprekken in goed gezelschap, wat wil een mens nog meer?! We hebben er zin an. Aangezien dit mijn eerste vakantie is sinds de uitbraak van corona stop ik tijdelijk met bloggen. Dat is a-typisch maar voor nu wel een goed idee. De reisverhalen houd je dus tegoed. ¡Hasta luego!


maandag 11 oktober 2021

Doorgaan of niet?

Tenminste eenmaal per jaar vraag ik mij in alle ernst af of ik moet blijven bloggen. Er gaat veel tijd en energie zitten in die bezigheid en gelukkig grossier ik daarin. Maar een mens, zeker een boreling uit een calvinistisch land, wil die  zinvol besteden. Is bloggen wel zinvol? Zo ja, wat is die zin dan precies? En kan iets zin hebben als dat betekenisvol is voor slechts één mens? Bloggen maakt mijn leven rijker maar geldt dat ook voor de lezers van mijn blog?

Op zich vind ik het niet moeilijk maar het is wel een uitdaging om de blog interessant en relevant te houden. Ik doe het nu ruim 13 jaar en hoewel dit in mijn Westerse cultuur een ongeluksgetal is, is het dat voor mij persoonlijk niet. De verhalen vloeiden dit jaar gemakkelijker uit de pen dan in het voorgaande jaar. Toen viel er door streng huisarrest en pandemie niets te beleven en was mijn stemming navenant. Overigens werden mijn blogposts in de loop van 2019 gestaag langer. In webstatistieken las ik dat blogs met meer dan 3.000 woorden (tweemaal de lengte van deze) gemiddeld meer waardering oogsten bij hun lezerspubliek. Nu weet ik niet waar en hoe dat is gemeten en of langer dan ook zinvoller betekent.

Lezers van mijn blog moeten mijn twijfels niet persoonlijk opvatten; ik ben blij met elk van hen! Alhoewel ik met bloggen begon omdat ik houd van taal en van verhalen vertellen, maken lezers deze hobby leuker. Zinvoller ook, denk ik. Al heb ik er niet veel, ik tel mijn zegeningen. Er staat een app op mijn blog die lezersaantallen en andere statistieken bijhoudt. Mijn liefje volgt die en plaagt mij regelmatig met mijn beperkte lezerskring. Ze lijkt er een duivels plezier in te hebben dat af en toe onder mijn neus te wrijven.

77% van de wereldwijde internetgebruikers leest regelmatig een blog dus het potentieel is enorm; de meerderheid van hen leest bij voorkeur Engelstalige blogs. Er zijn volgens schatting momenteel meer dan 570 miljoen blogs te vinden op het web. In de VS alleen al zijn meer dan 32 miljoen bloggers dus de kans dat iemand op de mijne stuit, is uiterst klein. Als ik een groter publiek zou willen bereiken, wat moet ik daar dan anders voor doen? En vooral: wat moet ik ervoor laten?

Dit is mijn 1.475ste blog. Ervan uitgaande dat elke post gemiddeld vijf uur in beslag neemt, kom ik uit op een totaal van 7.375 bestede uren. Een kind in negen maanden voldragen, vraagt 6.570 uren volharding. Als dat kind dan de eerste vrouwelijke premier van Spanje met Nederlandse roots zou worden, laat je iets na maar anders…

Vragen, vragen, vragen. Maar hoe staat het met de antwoorden? Het was hoog tijd om daar weer eens op te broeden. 

13 jaar lang tenminste tweemaal per week bloggen. Is het nu welletjes? Volgens statistieken beginnen de meeste bloggers omdat ze er hun werk van (willen) maken. 24% van hen doet het, net als ik, als uiting van hun creativiteit. Voordat ik ging bloggen, hield ik mij bewust afzijdig van sociale media omdat ik mij tegen onzin en al te veel negativiteit wilde beschermen. Nieuwsgierigheid naar de wereld om mij heen was en is groot maar ik vermoedde dat er weinig goeds kon komen van apps als Facebook en Twitter. (Wel ben ik Whatsapp-gebruiker, ook een Facebook-familielid.) Ik ken mijzelf, ik meen ook de medemens een beetje te kennen.

Onlangs legde een ex-medewerkster van Facebook, data-analiste en sindsdien eveneens klokkenluider Frances Haugen, een explosieve verklaring af over het bewust niet optreden tegen misinformatie, haatzaaien en politieke onrust op dit miljardenplatform. Wat goed zou zijn voor het publiek is zeker niet goed voor het bedrijf en daarom grijpt men niet in. De bestaande algortimes zijn heilig. Baas Zuckerberg weerspreekt dat, in alle toonaarden. Tot op de dag van vandaag sta ik achter mijn besluit.

Mijn liefje is waarschijnlijk de trouwste bloglezeres maar ze staat niet altijd te popelen om mijn nieuwe hersenspinsels tot zich te nemen. Dat snap ik, veel onderwerpen kom dagelijks langs in Huize Barefoot. Meestal weet ze, soms in detail, waarover de eerstvolgende blog zal gaan. Waarom zou je die dan nog lezen? Nou, omdat ik het haar vraag! Wie mijn grootste fan is, weet ik niet; die persoon moet zich nog melden. Er is een handjevol vaste bloglezers op een aantal plekken in de wereld en die gedachte maakt deze bezigheid zeker leuker. Ik mag dan niet van sociale media houden, een sociaal dier ben ik ontegenzeggelijk. De laatste tijd denk ik als blogger ook regelmatig aan lezers van jongere generaties die zich in de toekomst via blogs al lezend een beeld kunnen vormen van deze tijd.

Vlogs en podcasts zijn hip en soms informatief en vermakelijk maar ze zijn niets voor mij. Ik geef de voorkeur aan schrijven en geschreven teksten. Nieuwe ontwikkelingen op bloggebied, zoals de functie van clicktotweet, werken niet omdat ik geen Twitteraccount heb. Het zij zo. Als je A zegt, moet je ook B zeggen. Naast het schrijven beleef ik lol aan het bedenken van een toepasselijke blogtitel, het uitwerken van een onderwerp en het kiezen van bijpassende illustraties. Mijn blog wordt ook vaak benut als platform voor eigen foto´s. Twee vliegen in één klap.

De Nederlandse documentairemaker Cherry Duyns zei ooit dat hij de wereld wilde spiegelen in een dauwdrup. Dat vind ik mooi gezegd. Hij legde het kleine verhaal vast om aan de hand daarvan het grote, wereldse te duiden. Als blogger doe ik regelmatig een poging in die richting. Op een dusdanige manier en met taal waarin een ander zich kan herkennen of erdoor wordt geprikkeld. Het is wellicht niet veel maar het is alles wat ik heb te bieden. Soms voel ik mij als blogger een journalist of een aspirant-schrijver, vaker een columnist.

Recent las ik het derde boek van de Ierse auteur Sally Rooney (1991) uit, getiteld ‘Beautiful World, Where Are You’. Rooney wordt wel “the first great millenial novelist” of de “Salinger for the Snapchat generation” genoemd. In haar suksesvolle romans beschrijft ze het leven van mensen van haar leeftijd en daarmee werd ze de chroniqueur van haar generatie. Hoofdpersoon Alice, niet per ongeluk auteur van prijswinnende literaire romans, zegt in het boek dat het huidige systeem van literaire productie helemaal fout is want het voert auteurs weg van het normale leven. Ze stelt dat, als ze eerlijk over hun eigen leven zouden schrijven, niemand hun boeken zou willen lezen. Hun vele weekendjes weg, de veelvuldige bezoeken aan hun New Yorkse uitgever, de krantinterviews, fotoshoots, altijd uitverkochte boeklezingen, regelmatige copieuze diners in sterrenrestaurants, en meer van dit soort zaken. Alice is van mening dat de hedendaagse Euro-Amerikaanse roman de realiteit van de gewone aardse sterveling niet weet te pakken. ‘The novel works by suppressing the truth of the world [..].’ Voor Rooney gaan het persoonlijke (het intieme) en het ideologische hand in hand en dat vind ik erg goed aan haar romans.

Elk blogonderwerp is mijn eigen keuze, als blogger bepaal jij wat interessant is om te schrijven en wat niet. Ideeën zijn er doorgaans genoeg, het gaat erom ze toe te passen en tot iets zinvols te smeden. Soms kan ik niet om een onderwerp heen. Dan bepaalt de actualiteit het onderwerp van de dag. Ik schuw het op- en uitzoeken van wetenswaardigheden nooit. Het web is immers een rijke bron en is er altijd, voor iedereen. Je moet feiten wel van nepnieuws kunnen onderscheiden. Bovendien is bronvermelding heilig, zeker voor mij als ex-academica.

Hoofdpersoon Zwanet Vrauwdeunt zegt in de recentste roman van Neêrlands meersterverteller A.F.Th. van der Heijden (‘Stemvorken’) dat het haar de reputatie als erudiet zal kosten maar ze heeft het nooit een schande gevonden om iets digitaal op te zoeken. ‘Het verlangen om iets wetenswaardig op te zoeken komt tenslotte uit mezelf, en ik zuig wat ik vind op in mijn eigen metabolisme van zinvolle en zinloze kennis.’

Het ei is gelegd: er zijn meer voors dan tegen... Voorlopig ga ik dus door met bloggen. Alles welbeschouwd, is dit nog een té leuk tijdverdrijf om definitief af te zweren. Zelfs met kleine leeskring!


vrijdag 8 oktober 2021

Anja en ik in Cartagena

Eerder dit jaar brak er een rel uit in de Spaanse havenstad Cartagena (provincie Murcia) over koeien. Een Nederlandse vrouw was erbij betrokken. Alvast één tipje van de sluier: ik was het niet. In maart kwam een koeientransport over zee zeer negatief in de publiciteit. In december 2020 gingen bijna 2.000 koeien in de havenstad Tarragona (Noord-Spanje) aan boord van het schip ‘De Elbeik’, op weg naar Turkije. Daar werden boot en lading geweigerd, uit angst voor dierenziekte aan boord. Het verhing deze veeboot daarna nergens beter, het dobberde maandenlang op de Middellandse Zee. In maart kreeg het toestemming de haven van Cartagena aan te doen. Het bleek zo ernstig uit de hand te zijn gelopen aan boord dat bijna tweehonderd koeien overleden, waaronder menig kalf.

Deze boot uit 1967 -varend onder de vlag van Togo- bleek niet te voldoen aan de eisen die aan dit transport werden gesteld. Er was onvoldoende ruimte voor het grote aantal vervoerde koeien, niemand aan boord zorgde voor de koeien, het watertoedieningssysteem haperde. Daardoor raakten de koeien waarschijnlijk in paniek, verdrongen elkaar, vielen en vertrapten elkaar; met botbreuken en andere ellende tot gevolg. De omstandigheden die men in de haven van Cartagena aan boord van dit schip aantrof, waren erbarmelijk. Ik neem aan dat ik hierover niet verder hoef uit te wijden...

Voor Europarlementariër Anja Hazekamp (Partij voor de Dieren), die namens de EU onderzoek doet naar dierenwelzijn bij transporten in de regio, was de maat vol. Hazekamp reisde af naar Cartagena om met de directeur van de Spaanse Dierenbescherming toe te zien op het lossen en bergen van de koeien maar werd door de Spaanse havenautoriteiten niet tot Escombreras (de buitenhaven van Cartagena) toegelaten. Zowel alle dode als de overlevende koeien werden geruimd. Men wilde geen pottenkijkers, ze hadden kennelijk iets te verbergen. De Elbeik vloog overigens in augustus in brand voor de kust van Tarragona. Boontje komt om zijn loontje. Er waren op dat moment gelukkig geen dieren aan boord.  

In Nederland geldt sinds mei vorig jaar een verbod op vervoer van levend vee naar landen buiten de EU. Toch gingen sindsdien duizenden Nederlandse koeien van daaruit op transport naar het Midden-Oosten; onder andere naar Libanon en Egypte. Die routes lopen via zee, waar minder strenge regels gelden. Als je als politicus iets aan het sneue lot van koeien op transport wenst te verbeteren, moet dat echt in Europees verband worden gedaan. 

Een ander koeientransport vanuit Cartagena met het schip Karim Allah (what´s in a name…), eveneens op weg naar Turkije met bijna 900 stierkalveren aan boord, kreeg destijds om dezelfde reden negatieve publiciteit. Deze roestbak van een Libanese eigenaar mocht nergens aanmeren vanwege het vermoeden van blauwtong, een ernstige virale koeienziekte. Dieren die op het schip overleden, werden in mootjes gehakt en overboord gegooid. Beide schepen beschikten over een valide EU-transportlicentie. Ze mochten dieren dus legaal vanuit Europa transporteren naar elders. Bestemmingen zijn landen als Libië, Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië. In totaal zijn er in Europa ongeveer 80 schepen met zo´n vergunning.

Een wekenlang oponthoud van vier andere Spaanse veeschepen in het Suezkanaal ­-door de blokkade van het Chinese containerschip Ever Given- later diezelfde maand volgde op deze twee koeienspookschepen. Wat nóg meer olie op het vuur gooide, was dat Spanje, terwijl het kanaal vanwege die obstructie wekenlang onbegaanbaar was, licenties voor koeientransport bleef uitgeven, een besluit waartegen Hazekamp namens de EU bij de Spaanse overheid protesteerde. Terecht, wat mij betreft. 

Ik zag een aantal van dit soort schepen afgelopen woensdag met eigen ogen de haven van Cartagena in- en uitvaren. Al van verre was te zien dat het geen cruiseschepen waren, al kon je je nog even vergissen. Wat op hutten met balkons leek, bleek één open ruimte zonder ramen met tralies ervoor. Ik denk dat deze boten in Europese wateren blijven (al kan het behoorlijk spoken op de Middellandse Zee!). De veeschepen die op de Atlantische oceaan varen, zijn waarschijnlijk dichter? Hoe het ook zij, de schepen die we zagen werden door pilootboten -met sleep- en trekfunctie- de haven van Cartagena binnengeloosd. In de binnenhaven van de stad lag overigens wel degelijk, voor het eerst van dit jaar, een schip voor mensentransport aan de kade van Cartagena; het betrof de AIDAperla, van het Duitse bedrijf AIDA Cruises. Dit 300-meter lange schip met beschilderde knipoog en rode lippen aan de wanden, en met 18 dekken (veel hutten met balkons), kwam inmiddels in Barcelona aan.

In Cartagena was ik niet aanwezig om als dierenactiviste, namens Anja, een oogje te houden op dierenwelzijn maar omdat mijn liefje en ik die dag een snorkeluitstapje maakten naar Cala Cortina, een zeer fotogenieke baai bij de haven van de stad. Vanuit de lucht gezien, is het een perfect azuur kommetje met rotspartijen.

Het was daar die dag een komen en gaan van grote en kleine(re) vrachtschepen, ferries, rondvaartboten en andere vormen van pleziervaart, de Spaanse reddingsdienst en schepen van de marine. Never a dull moment voor de gasten op het nabijgelegen strand! De kleine baai Cala Cortina is zeer geliefd bij inwoners van de stad. Het ligt circa 4 kilometer buiten het stadscentrum en is het enige strand van Cartagena. 's Zomers kan het er dan ook erg druk zijn maar in het naseizoen is dat niet het geval. Je kunt de auto boven de baai stallen op een kleine parkeerterrein maar er is voor hoogtijdagen ook een beleden terrein voor veel meer auto´s. Met een goed begaanbare trap daal je naar het kiezelzand af.

Cala Cortina is ongeveer 200 meter breed, heeft een douche met zoet water en een snel naar diep water aflopende zee. Aan weerszijde van de baai staan overblijfselen van de verdedigingswal tegen aanvallen van piraten,  waarmee een begin werd gemaakt in de 16de eeuw. Het water was die dag goed van temperatuur en als een spiegel zo glad; de enige golf die ontstond was toen een snel varend schip voorbijkwam. Vanaf het strand heb je een werkelijk prachtig uitzicht. In de verte steken grillige heuvelruggen boven het water uit. Bob Ross zou er een landschapsschilderij van hebben willen maken! Het deed mijn liefje denken aan een Thais waterlandschap en ook dat begrijp ik. Op de dag dat wij er waren, stonden prachtige wolken aan het firmament. Het leverde mooie beelden op.

Snorkelen is er wel minder enerverend dan bij Cabo de Palos, onder andere vanwege het ontbreken van posidonia (zeegras) en de aanwezigheid van relatief veel plastic in zee. Nee, dat was geen knalblauwe vissoort maar een punt van een chipszak, Barefoot… Jammer maar niet verrassend; het is immers een stadsbaai met drukke haveningangen rondom. Een van de duikinstructeurs die met een groep beginnelingen onder water verdween, kwam ruim een half uur later met een overvolle hand plastic weer boven water. Het wordt snel meer dan tien meter diep en je hebt hier minder ver zicht onder water dan in Cabo de Palos. Je vindt  zeker ook grote en kleine scholen vis maar ik zag geen nieuwe soorten aan mij voorbijkomen. Wel heel veel grote, harige krabben! Een Spaanse badgast nam er twee mee naar huis voor de eigen lunch en gaf er een kado aan een vriend.

Na een uitgebreide snorkelgang, een gezamenlijke zwempartij en een uurtje opdrogen in de weldadige zon, lunchten we op hetzelfde strand bij Spaanse visrestaurant Mares Bravas (wilde zeeën) waar de vis in verleidelijke vitrines hoog ligt opgetast. De kaart is er uitgebreid, de wijnkaart verrassend, het eten is er eerlijk en goed maar de bediening zo-zo. Het bedienend personeel is lomp maar vriendelijk, als je iemand kunt vinden… Wij moesten een paar keer zelf naar hen op zoek om iets op tafel te krijgen of gedaan te krijgen (extra servetten, extra bord voor visafval, openen van een flesje water). En dat ze rookpauzes nemen in het volle zicht van hun klanten spreekt evenmin in hun voordeel. 
Mijn liefje at verse mero (soort baars) van de grillplaat met groenten en huisgemaakte friet, ik koos vissoep vooraf en quisquillas als hoofdgerecht. Dat is het tamelijk onbekende kleine zusje van de gamba dat veel lichter van kleur blijft na koken of grillen. Die van Motril zijn de beroemdste en kleinste. Niks leuker dan pielen met de blote vingers. Ik bestelde een halve portie en daar was ik ruim een uur mee bezig; genietend van de vis, de disgenoot en het voortreffelijke uitzicht. Heerlijk. Mijn liefje had geen kind aan mij… (en dat voor slechts €8!)

Deze dagtrip is zeker voor herhaling vatbaar. Misschien gaan we volgende week weer.


zondag 3 oktober 2021

Bondgenoten

Mijn liefje ontving vorige maand op haar verjaardag een plantenbon van vrienden, die ze naar eigen inzicht kon besteden. Aanvankelijk had ze haar zinnen gezet op een vlinderstruik (buddleja). Haar snode plan was om vlinders naar onze tuin te lokken. Tot nu toe kwam een bedroevend laag aantal vlinders ons bezoeken dit jaar. Dat is al enkele jaren een sneue trend. Deze dieren hebben warmte nodig om uit te komen en actief te worden en daar hadden we deze zomer bepaald geen gebrek aan. Waar die schaarste mee te maken heeft, is mij een raadsel.   

We bezochten een aantal tuincentra maar de vlinderstruik was nergens te vinden. Deze plant, die metershoog kan worden, houdt van kalkhoudende grond; wellicht dat dit een reden is voor het ontbreken in de centra? Niet getreurd, er waren genoeg andere ideeën. We zijn al lang bezig met het houden van jasmijn in eigen tuin. Toen we in Bali woonden, stonden er meer soorten jasmijn in de tuin. De melati putih (witte jasmijn) is de nationale bloem van Indonesië. We hadden daar onder andere sedap malam (Pearl Tuberose) onder het keukenraam staan. 's Avonds opende de bloemen zich en verspreidden hun heerlijke lucht door de zwoele nacht.

Toen we dit huis aan de Spaanse Costa kochten, groeide er een stephanotis floribunda (Jasmijn van Madagaskar) tegen een wand die weldadig bloeide. Je had dagelijks het idee in een parfumerie rond te lopen. De bladeren van deze tropische klimplant zijn donkergroen, groot en stug, de bloemen groot, wit en welriekend. De vrucht heeft de grootte en vorm van een mango en heeft donzige zaden. De plant deed het een jaar of twee goed en ik droogde de zaden. Nieuwe stekken kwamen echter nooit op en de moederplant begon op enig moment te tanen. Met pijn in ons hart verwijderde we haar uit de tuin.

De Spaanse overburen hebben een grote, bedwelmende klimjasmijn aan een groot deel van hun buitenwand. De bloemen van deze soort zijn kleiner dan die van de stephanotis maar geuren niet minder. Als de wind blaast, komt er een muur van zoete jasmijn op ons af. Dat is jaloersmakend en dat liet mijn liefje -de tuinkabouter van Huize Barefoot- een keer vallen in aanwezigheid van María Victoria, de vrouw des huizes. Enkele dagen later stond er een mand met een jonge, Toscaanse jasmijn op onze stoep. Un regalo de la vecina. We hadden er nu zelf eentje! De tere plant liet weldra het hoofd hangen. Mijn liefje ging bij haarzelf te raden en biechtte op dat ze die waarschijnlijk teveel water gaf in haar overstromende liefde...

We kochten een nieuwe en probeerden het nog eens. De kleine plant zette we nu in de aarde, op de oude plek van de stephanotis. Elke dag gingen we samen voor de bloembak op de knieën, verzoekend om een wonder. En die geschiedde! De plant sloeg aan in de nieuwe aarde en loopt inmiddels volop uit. Dat smaakte naar meer.

Van haar verjaardagskado kocht ze een nieuwe, grote (opgebonden) stephanotis met minilianen vol bloemen. Het was mijn idee om die naast de toegangspoort te plaatsen en de bloemslingers horizontaal over de buitenwand te draperen. In Madagaskar komen klimplanten van deze soort voor tot wel 20 meter hoogte maar in onze contreien ligt de limiet op ongeveer vijf meter; we kunnen dus nog even. Deze plant groeit in de wilde natuur vaak onder bomen (deels in de schaduw) maar houdt wel van warmte. Direct achter de buitenwand staat´ie dus goed, denken we (al gaan we nog nadenken over plaatsing in de volle aarde).

De andere aanwinst is een kleine olijfboom, mèt bungelende groene olijven! Voor het permanente vakantiegevoel. Een Meditterane tuin zonder olijfboom is als een zee zonder vis, wat mij betreft. Alhoewel deze boom het best groeit in volle grond, staat die bij ons in een grote pot met wielen. In de volle zon, dat wel. Om het jaar komen er olijven aan die je kunt eten maar niet direct van de boom.

Onze citrusboom (limonero) groeit momenteel eveneens als een tierelier. Ik ben gestopt met het tellen van vruchten, de boom is hoogzwanger. De takken buigen bijna door van het gewicht. Wekelijks knip ik er enkele vanaf, voor gebruik in de keuken. We zijn hard op weg dé groene oase van de straat te worden!

In Nederland halen ook steeds meer huiseigenaren de tegels uit hun tuinen om die te vervangen door gras, bomen en planten. Dat doen ze niet alleen om hun eigen leefomgeving te vergroenen en vogels en insecten meer overlevingskansen te bieden, overtollig regenwater kann zo ook gemakkelijker worden afgevoerd. In sommige dorpen en steden ontvang je subsidie als je de tuin groen(er) maakt. In Den Haag bijvoorbeeld, stelt het Waterschap Delfland al jarenlang een subsidie beschikbaar voor huiseigenaren die hun tuintegels verwijderen. Dat noemt het bedrijf de Stimuleringsregeling Klimaatadaptatie. Dit beperkte subsidiepotje van €500.000 is leeg. Op de website staat het als volgt ‘wegens succes niet meer beschikbaar’. Mijn voormalige woonplaats werd overigens onlangs kampioen Tegelwippen; daar werden in de afgelopen maanden de meeste tuintegels verwijderd. 

Waar groei & bloei is, zijn luizen. Onlangs kregen we hulp bij de bestrijding ervan. Ik ontdekte een groene gaasvlieg op een kastwand op de achterpatio. Dit piepkleine insect, ook wel goudoogje genoemd, is een ware bondgenoot in de strijd tegen de bladluis. Nu moet het nog in actie komen. Het gifgroene diertje, met opvallende facetogen en ragfijne vleugels, zit hier al dagenlang te niksen. Uit te rusten van het zware werk elders? Nadat ik had besloten het insect op dat nietsnutten aan te spreken, bleek het gevlogen. Mooie bondgenoot!?


P.S. De kop van deze blog wordt verzorgd door een prijswinnende foto van de Spaanse jongeling Dominguez Blanco.