Translate

dinsdag 26 mei 2026

Bibliobesitas

‘Het is een krankzinnige, ongeneeslijke verslaving’. Dat zei Nop Maas over zijn boekenaddictie. ‘Het verwerven van een boek blijft behoren tot de grootste genoegens des levens.’ 

Literatuurhistoricus en Reve-biograaf Nop Maas (Norbert Maria Hubert Maas, 1949-2026) overleed vorige week in Haarlem, op 76-jarige leeftijd. Het nieuws werd pas enkele dagen later bekendgemaakt door uitgeverij Van Oorschot. De Volkskrant publiceerde een mooie necrologie over hem, geschreven door neerlandicus en biograaf Onno Blom. 

Dit jaar is het twintig jaar geleden dat schrijver Gerard Reve (1923-2006) overleed. Zoveel jaar na zijn dood waart hij nog altijd rond in de Nederlandse literatuur en de literaire wereld. Zelf was ik groot fan (Reviaan) van deze eigenzinnige zonderling. Op 8 april 2006 overleed hij in Zulte (België) op 82-jarige leeftijd, aan de gevolgen van Alzheimer. Daarmee eindigde het leven van een schrijver die niet alleen boeken, novelles, brieven en gedichten schreef maar ook zelf personage werd in een best wel spannend leven. Hij was mysticus, volkskomiek, querulant, katholiek, ironicus en poseur. Maar bovenal: getalenteerd auteur. 

Dat Reve twintig jaar later nog steeds wordt gelezen, geciteerd en besproken, zou hem vermoedelijk hebben verheugd maar wellicht ook hebben teleurgesteld. Tegenstrijdigheden waren er bij hem altijd. Hij had een nogal sombere kijk op literaire onsterfelijkheid. “Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht,” zei hij ooit. “Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten.” Hij had kennelijk vooruitziende gaven. Er zijn inderdaad Gerard Reve-straten en -lanen in heel Nederland en een Gerard Reve-brug in Amsterdam-Zuid. Bekende columnisten als Sylvia Witteman (Parool), Frits Abrahams (NRC) en Max Pam (Volkskrant) citeren de overleden auteur nog geregeld dus vergeten is hij allerminst.

Zijn werk was als een frisse wind door het bedompte Nederland van toen. De Avonden (1947) beschreef tien grauwe dagen (elke dag een hoofdstuk) uit het leven van kantoorbediende Frits van Egters, een jongeman die zich door de naoorlogse benauwdheid sleept met een mengeling van verveling, sadisme (mentale kwelling) en absurdistische humor. Nog altijd klinkt de beroemde slotzin na: “Het is gezien [..], het is niet onopgemerkt gebleven.” Het boek vestigde Reve als groot stilist. De kale dialogen, de verstikkende huiselijkheid en de onderhuidse wanhoop maakten het werk tot een monument van de Nederlandse literatuur.

Later ontwikkelde Reve zijn typische stijl: plechtige zinnen waarin verheven religieuze taal plotseling omsloeg in huiselijke banaliteit of seksueel getinte  groteske. In boeken als Op weg naar het einde, Nader tot U, Lieve Jongens en Het Boek van Violet en Dood vermengde hij katholieke mystiek met erotiek, ironie en zelfspot. Hij combineerde devotie met vulgariteit, melancholie met het komische. Reve bedacht het Revisme, een door hem in de jaren '60 bedachte sadomasochistische filosofie en levensstijl.

Hij schreef brieven alsof het toneelstukken waren: zorgvuldig gecomponeerd, literair precies en muzikaal qua ritmiek; voortdurend balancerend tussen ernst en parodie. Reve was de meester van de absurde formulering. Over religie zei hij ooit: Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook, en bedoeld voor alle mensen, te land, ter zee en in de lucht. (Uit Het boek van Violet en Dood). Beroemd werd zijn zelfverklaarde status als ‘Grote Volksschrijver’, een titel die zowel potsierlijk als slim was. Over alcohol schreef hij met bijna sacrale eerbied, terwijl hij tegelijkertijd de aftakeling vreesde die ermee samenhing.


Foto: ANP

Zijn openbare optredens waren minstens zo opmerkelijk als zijn boeken. Reve sprak gedragen, archaïsch en uiterst precies, alsof iedere zin eerst langs een streng kerkbestuur moest. Hij kon een zaal laten schateren met een minieme pauze of een overdreven plechtig uitgesproken “Lieve jongens”. Ik was er dol op! 

Tegelijk joeg hij voortdurend (conservatieve) mensen tegen zich in het harnas. Zijn uitspraken over religie, homoseksualiteit, politiek en rassenvraagstukken veroorzaakten geregeld opschudding. En dan was er zijn fameuze ‘ezelpassage’ uit Nader tot U, waarin God verschijnt als ezel waarmee de verteller de liefde bedrijft. Dat leidde tot het beruchte Ezelproces wegens godslastering. In 1968 werd Reve definitief vrijgesproken. Die zaak groeide uit tot een symbool van artistieke vrijheid in Nederland. 

Hij leek vaak bewust te provoceren om te zien hoeveel rek er nog in de Nederlandse tolerantie zat. Zo sneerde hij eens over collega-schrijver Harry Mulisch: Mullis is vullis. Nee Reve, dat is pas leven! Toch was achter alle provocatie en bravoure ook iets kwetsbaars zichtbaar: de eenzaamheid van iemand die voortdurend verlangde naar liefde, erkenning en verlossing. Iemand met een obsessie met de dood, met God. Reve zocht troost in een troosteloze wereld. Hij schreef over angst, ouderdom, verval en dood met een ernst die des te harder werd gevoeld omdat hij die vermomde als grap. Dat alles verklaart wellicht waarom zijn werk, ondanks alle ironie, ons als lezer nooit koud liet (laat).

In 1969 ontving Reve de P.C. Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre. Daarover zei hij in zijn dankwoord (onder andere): “Eindelijk is het zover: ik ben in heel Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht wereldberoemd”. Hij zag zichzelf bij uitstek als een ‘romantisch-decadente eenling’ die zich niet verwant voelde met enige Nederlandse tijdgenoot. Zelf zou hij vermoedelijk weinig ontzag hebben gehad voor de vele homages en herdenkingen die volgden na zijn dood. Misschien had hij die afgedaan in een karakteristieke stijl: plechtig en potsierlijk maar tegelijkertijd oprecht. Niemand in de Nederlandse literatuur beheerste die combinatie beter dan hij. Twintig jaar na zijn dood heeft zijn werk nog steeds heul veul lezers. Het behoort tot de literaire canon van Nederland.

Zijn biograaf Nop Maas vatte het leven van Reve samen in zes woorden: ‘Hij heeft geschreven, gedronken en gemasturbeerd.’  


Foto: Mike Roelofs
Maas speelde een cruciale rol in het conserveren van Reves nalatenschap. Maas schreef de monumentale driedelige biografie Kroniek van een schuldig leven, gebaseerd op jarenlang onderzoek. Ik herinner mij dat ik uitkeek naar deel 1 (De vroege jaren 1923-1962), vervolgens naar deel 2 (De rampjaren 1962-1975) en ook het extreem lange wachten op deel 3 (De late jaren 1975-2006) werd uiteindelijk beloond. Even werd door fans getwijfeld of dat nog wel zou verschijnen. Reves levenspartner Joop Schafthuizen (alias ‘Matroos Vosch’ en ‘Anusje van Alles’) trok het citaatrecht van Maas namelijk in en spande een kort geding aan. In dit laatste deel van de biografie wordt een ontluisterend beeld geschetst van de ‘barokke’ relatie tussen ‘Tamme Wolf’ (Reve) en de agressieve, geldbeluste Matroos Vosch. Het boek verscheen maar allerlei seksueel getinte of financiële passages moesten worden geschrapt. Op die plekken noteerde Maas drie sterretjes. ‘In deel drie vormen die *** een verduisterende sterrenhemel’, aldus Blom. 

Maas’ overlijden kreeg in literaire kring een bijzondere symbolische lading. Hij was jarenlang de nauwgezetste chroniqueur van Gerard Reve, een schrijver die zelf bezeten was van sterfelijkheid, verval en herinnering. Reve werd zijn leven. In zijn monumentale driedelige biografie legde Maas niet alleen Reves leven vast maar ook een verdwenen literair tijdperk waarin schrijvers nog publieke figuren waren: excentrisch, polemisch en voortdurend in gevecht met elkaar en hun omgeving.

Maas werkte decennialang aan dit werk. Hij vond het een voorrecht om het te mogen doen en zat elke dag hardop te lachen achter zijn bureau. Hij bezorgde brievenboeken, stelde het 5-delige Verzameld Werk samen en reconstrueerde minutieus de werkelijkheid achter Reves zelfgecreëerde mythologie. Daarbij moest hij zich geregeld door juridische conflicten en persoonlijke spanningen heen werken (vooral rond Joop Schafthuizen). Juist daardoor kreeg zijn biografie een zeldzame status: niet alleen als levensbeschrijving van een van Neerlands beste schrijvers maar ook als document van botsende ego’s, literaire reputaties en de moeizame omgang met nalatenschap. 

Tot aan zijn dood bleef hij actief als uitgever, margedrukker en schrijver. Volgens Uitgeverij van Oorschot werkte hij nog aan een laatste boek met de veelzeggende titel Ratatouille, door Maas zelf omschreven als ‘zijn zwanenzang’. 

Er zit een Reviaanse ironie in het feit dat de biograaf stierf in hetzelfde jaar waarin twintig jaar dood van de schrijver wordt herdacht. Reve schreef ooit dat de dood “het enige volstrekt democratische instituut” is. Nop Maas heeft zijn leven besteed aan het behoud van een schrijversstem tegen die verdwijning. Nu behoort hijzelf ook tot de geschiedenis die hij zo zorgvuldig documenteerde.


P.S. Op de foto in de header staat het zomerpaleis -ook wel bekend als het geheime landgoed’- in de Drôme (Frankrijk) dat Reve zelf bouwde in de jaren 70. Daar schreef hij jarenlang en probeerde zich aan de publiciteit te onttrekken. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten