Dit jaar was er een duidelijke win-winsituatie voor alle betrokkenen. We bleken een merelnest in de stoute jongens te hebben en een mussennest in de gele Bougainvillehaag. Het gepiep kwam dagelijks van twee kanten. Het is zoals Nederlands beste vogelaar zegt (Arjan Dwarshuis): ‘horen is scoren’. Je ziet ze niet maar ze zijn er wel!
Op een vroege avond streek een klein, donkergrijs bolletje veren met grote ogen neer voor onze neus. Wij zaten op de patio en keken naar de jonge merel (ook wel ‘takkeling’ genoemd) die weliswaar recht op zijn pootjes stond maar niet bewoog. Het dier stond stokstijf en reageerde niet op onze aanwezigheid. Ik moest denken aan jonge kinderen die verstoppertje spelen en dan de handen voor hun eigen ogen slaan, zo suggererend dat anderen hem of haar niet kunnen ziet.
Van deze vogelsoort (turdus merula) is bekend dat de jonkies uit het nest springen (of zich laten vallen) voordat ze kunnen vliegen; dat wordt de ‘uitvliegfase’ genoemd. Ze kunnen dan nog niet vliegen, zijn nog niet volledig op gewicht en hebben nog een kort staartje. Dat was hier ook het geval.
Het duurt dan nog ongeveer een week voordat ze aan hun vlieglessen beginnen. Gedurende die tijd op de grond winnen ze aan vliegkracht door veel met hun vleugens te wapperen. Ze worden dan nog steeds gevoederd door hun ouders, die in de buurt blijven. Mijn liefje stelde voor het diertje water te geven, ten faveure van het groeiproces. Dus even later kwam ik terug met een bakje vers water dat ik naast het vogeltje wilde neerzetten. Toen ik iets te dichtbij kwam naar zijn of haar zin hipte het weg, richting een hoek van het terras. Dat vond ik op zich een betere, meer verscholen plek dan middenop de patio; zichtbaar voor alles en iedereen. Ik zette het waterbakje neer en trok mij terug. Echter niet zonder foto’s te hebben gemaakt. Je kent mij.
Op de vroege volgende ochtend keek ik door het raam toen ik iets zwarts over de grond zag wegschieten. Was dat een kat? Vader merel vloog tegelijkertijd op. Dat gaf geen goed gevoel. Ik liep naar buiten en zag wat ik vreesde: de jonge merel lag dood in de buurt van de stoute jongens, zijn voormalig veilige nest. Met een bloedveeg op de tegel naast het diertje. Kasian. Een merel in je tuin is doorgaans een teken van een gezonde, gevarieerde leefomgeving; met voldoende beschutting en voedsel. Dat wil echter niet zeggen dat het er ongevaarlijk is. Dat blijkt! Samen namen we afscheid van het dode vogeltje.
De merel is geen vogel die in mijn nieuwste vogelboek wordt beschreven omdat deze soort niet wordt bedreigd. Tenminste, niet in de wijde wereld. Deze vogel wordt daarin wel terloops genoemd als ‘achtertuintroubadour’. Een toepasselijk en creatief woord. Vriend Piet bracht het boek onlangs mee uit Nederland.
De Nederlandse titel is ‘Het vogelboek’, geschreven door de Britse auteur en natuurkenner Robert Macfarlane en rijk geïllustreerd door de Britse schrijfster en illustratrice Jackie Morris. De Engelse titel is wat explicieter: ‘The Book of Birds. A Field Guide to Wonder and Loss’. Het tweetal werkte zes jaar aan dit bijzondere boek. Het moet ook een grote klus zijn geweest om het te vertalen, vanwege de hoge literariteit. Voor de Nederlandse vertaling tekende literair vertaler Nico Groen, neerlandicus, gerenommeerd vertaler van non-fictie en docent aan de Leidse Schrijversacademie. Hij is de vaste vertaler van Macfarlane.
Dit vogelboek werd inmiddels besproken in mijn favoriete natuurprogramma op NPO1-radio ‘Vroege Vogels’ en afgelopen weekend in het onderhoudende radioprogramma ‘Nieuwsweekend’. Beide besprekingen waren lovend. Het is een compendium van 49 vogelsoorten, waaronder de ijsvogel, nachtegaal, nachtzwaluw, zanglijster, stern, torenvalk en bosuil die in het VK worden bedreigd of waarvan de aantallen achteruithollen. (Dat is overigens ook van toepassing op Nederland.)
Dit prachtige boek begint met een sombere boodschap: de dagenraad en de lente zijn stiller, de lucht leger. ‘Een eeuwenoud vogelorkest verstomt.’ Er zijn nu drie miljard minder vogels in Noord-Amerika dan 50 jaar geleden en vijf miljoen minder vogels in Europa. Wereldwijd is bijna 50% van de vogelsoorten in aantal aan het afnemen.
Dit is geen klassieke vogelgids; het is veel meer. Waar traditionele veldgidsen vooral zijn gericht op het herkennen en classificeren van vogels, proberen Macfarlane en Morris een andere vraag te beantwoorden. Niet ‘wat is die vogel?’ maar ‘wie is die vogel?’ Daarmee plaatsen zij zich nadrukkelijk in de traditie van de literaire natuurbeschouwing, waarin verwondering en betrokkenheid even belangrijk zijn als kennis.
Elke vogel kreeg een eigen tekst waarin Macfarlane feitelijke observaties vermengt met poëtische beschrijvingen, met een sprankje folklore en veel persoonlijke fascinatie. Zijn schrijfstijl is heel beeldend. Soms balanceert hij op de grens van proza en poëzie. Daardoor geeft hij de lezer het gevoel dat vogels geen studie-objecten zijn maar medebewoners van dezelfde wereld.
De visuele kracht van het vogelboek komt door de prachtige illustraties van Jackie Morris. Haar aquarellen, verrijkt met subtiele kleuraccenten, zijn verbluffend mooi. Ze hebben niet de precisie van wetenschappelijke tekeningen maar stralen leven, beweging en karakter uit. Elke afbeelding lijkt een eerbetoon aan de vogel die zij verbeeldt. Tekst en beeld versterken elkaar voortdurend, waardoor het boek evenzeer een kunstwerk is. Goed voor op de koffietafel!Dit vogelboek is niet alleen een viering van schoonheid. Op vrijwel elke pagina ligt onder de tekst een gevoel van verlies. In het hoofdstuk over kievitten (vanellus vanellus) staat het als volgt: ‘Ooit waren er zo veel dat het was, wanneer ze keerden op hun vlucht, alsof de hemel draaide om zijn as.’ Dat is helaas van toepassing op alle vogelsoorten die in dit boek worden besproken en afgebeeld.
De auteurs wijzen op de wereldwijde afname van vogelpopulaties en laten zien hoe de lucht boven onze hoofden steeds stiller wordt. Dat gebeurt niet op moralistische toon maar door de liefde voor vogels centraal te stellen. Hun impliciete boodschap is helder: mensen beschermen alleen wat zij werkelijk leren waarderen.
‘Het
vogelboek is opgedragen aan alle vogels, om hun schoonheid en hun leven in het
wild’. Dit is de laatste zin van dit fraaie 383 pagina’s tellende boek. Het is een ode
aan de rijkdom van het vogelleven én een herinnering aan wat verloren dreigt te
gaan. Mijn eigen exemplaar leest als een liefdesbrief aan mijn gevederde
vriendjes. Aanrader!

Geen opmerkingen:
Een reactie posten