Translate

Posts tonen met het label boerenprotesten tegen stikstofreductie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boerenprotesten tegen stikstofreductie. Alle posts tonen

dinsdag 1 september 2026

Tro op de bo

De zomervakantie is definitief voorbij, iedereen is uitgerust dus ik neem aan dat er weer energie is voor een longread als deze (circa 10 minuten leestijd). Deze gaat over de terugkeer van boze boeren. De omgekeerde vlaggen op het platteland en langs de wegen verschenen weer in het straatbeeld. Ik erger mij groen & geel aan dat blauw-wit-rood en daarin ben ik bepaald niet de enige.

Er zijn weinig maatschappelijke dossiers die mij zó ergeren als de manier waarop Nederlandse boeren met de stikstofcrisis omgaan. Ik begrijp dat voedselproductie zonder landbouwsector onmogelijk is maar die sector moet zich hoognodig en drastisch aanpassen aan de werkelijkheid. Het is nu of nooit. De landbouwsector, en dan met name de veehouderij, is verantwoordelijk voor het overgrote deel van de ammoniakuitstoot (NH₃). Een deel van de boeren gedraagt zich al jarenlang alsof iedere poging om de omvang en milieubelasting van de veehouderij aan te pakken, een onrechtmatige aanval op het boerenleven is.

Aangezien alle plannen om het land vooruit te helpen in de afgelopen jaren stillagen, is deze situatie niet langer houdbaar. De stikstofproblematiek is niet van gisteren. De radicaalste boeren en hun vertegenwoordigers menen echter dat dit probleem niet bestaat. Het zou een door de overheid zelf gecreeërd juridisch en politiek probleem zijn. Het boek ‘De stikstoffuik 2.0’ van Arnout Jaspers onderschrijft die mening. De strenge rekenmodellen van de overheid en de rigide regels van de EU zouden er debet aan zijn. Critici noemen dit boek vooringenomen en op halve waarheden gebaseerd. NRC noemt het ‘een selectief pleidooi’. “De school van Jaspers vindt dat natuur de economie niet in de weg mag staan.” Tja. 

De Raad van State, 's lands hoogste bestuursrechter, maakte in 2019 al duidelijk dat de overheid niet eindeloos kon blijven gedogen en wegkijken. Het patroon is door de jaren heen steeds hetzelfde: nieuwe plannen worden aangekondigd, boerenorganisaties protesteren, politici zwakken de plannen af en vervolgens worden ze uitgesteld. Daarna begint het hele circus opnieuw. Ook binnen de landbouwsector wordt erkend dat de onzekerheid mede door jarenlang politiek gedraaikont, is toegenomen. Ik hoop dat landbouwminister Van Essen (D66) en collega’s van het kabinet-Jetten deze keer hun rug recht houden.

Intussen is de werkelijkheid ronduit ontnuchterend. Nederland is een klein, dichtbevolkt land met een enorme veestapel. Volgens CBS-gegevens (2025) lopen er op Nederlandse bodem -in stallen en daarbuiten- 3,546 miljoen runderen, 9,658 miljoen varkens en 81,734 miljoen kippen rond. Ruim 90 miljoen dieren tegenover 18 miljoen inwoners; geen gezonde verhouding, letterlijk en figuurlijk. In 2025 werd door die veestapel in totaal 439,6 miljoen kilo stikstof uitgescheiden. Daarmee zat Nederland vrijwel exact op het afgesproken stikstofplafond van 440 miljoen kilo. Sinds 2017 is de stikstofuitstoot in Nederland weliswaar met 14% gedaald maar dat betekent niet dat het probleem is verdwenen; integendeel.

Probeer zo’n hoeveelheid stikstof maar eens inzichtelijk te maken voor de lezer! In gewicht is dat gelijk aan 73.000 volwassen Afrikaanse mannetjesolifanten. In logistieke termen komt dat neer op ongeveer 11.000 volle vrachtwagens (40-tonners) die samen een file vormen van 160km; van Amsterdam tot Maastricht (vrijwel de gehele A2).

Nederland wordt in menige publicatie ‘kampioen verlies van biodiversiteit’ genoemd. Het land heeft nog maar ongeveer 15% van zijn oorspronkelijke biodiversiteit over en scoort daarmee het slechtst in Europa en de wereld. Een ongewenste situatie. 

Het totale grondoppervlak van Nederland is 4,2 miljoen hectare (land en water). Volgens de recentste CBS-landbouwtelling (2025) bedraagt de cultuurgrond in Nederland circa 1,80 miljoen hectare. Dat is grond die daadwerkelijk onderdeel is van landbouwbedrijven en bestemd voor landbouwproductie: akkerbouw, tuinbouw en veehouderij, inclusief grasland en de teelt van voedergewassen. 

Daarmee is ruim 43% van het totale grondoppervlak van Nederland in gebruik door boeren. En dan te bedenken dat de meerderheid van de landbouwsector niet produceert voor de Nederlandse consument maar voor export naar het buitenland. Daar komt het narratief vandaan dat Nederlandse boeren ‘de wereld voeden’. Het is een veelgebruikte leus die niet blijkt te kloppen. Daar zit een luchtje aan, zoals verderop zal blijken. 

1.039.000 hectare van die cultuurgrond is eigendom van agrarische ondernemers (boerenbedrijven), ofwel ruim 58%. De overige boeren hebben te maken met erfpacht (een zakelijk recht op onroerend goed), pacht (persoonlijke huurovereenkomst van landbouwgrond) of andere vormen van exploitatie.

Het Kadaster komt uit op 2,021 miljoen hectare landbouw- of cultuurgrond, verdeeld over circa 280.000 eigenaren. Van die grond is ongeveer 64% in handen van particulieren (gegevens uit 2026). In dit geval hoeft het niet altijd te gaan om boeren. Het kan ook (lagere) overheden, kerkelijke instellingen, stichtingen, natuurorganisaties en anderssoortige grondeigenaren betreffen. 

Maar dat is nog lang niet het gehele plaatje. Als je kijkt naar het landoppervlak dat buiten Nederland nodig is om de Hollandse veestapel te voederen, pakt het nóg gekker uit. Wageningen University & Research berekende dat recent. Voor de huidige Nederlandse voedselproductie, consumptie en export is ongeveer 4,7 miljoen hectare landbouwgrond in het buitenland nodig. Dat komt neer op een grondgebied dat groter is dan heel Nederland. Dat buitenlandse grondoppervlak wordt gebruik voor de productie van veevoeder, dat Nederland vervolgens importeert.

Circa driekwart van het ‘basisruwvoer’ voor koeien wordt in Nederland zelf geproduceerd. Het gaat hier om gras en snijmaïs dat op eigen cultuurgrond wordt verbouwd. Het krachtvoer voor de gehele veestapel (varkens, pluimvee, runderen, geiten en schapen) komt voor 60 à 70% uit het buitenland. Voor het in stand houden van die veestapel is dus meer buitenlandse landbouwgrond nodig dan waarop we met ons 18 miljoenen wonen. Bizar, nietwaar?! (P.S. Natuurboeren die geen kunstmest gebruiken, helpen de bodem gezonder te maken. Zo ontstaat er ruimte op het land voor kruiden, insecten en vogels. Als koeien dan grasgevoerd worden, kan er een circulair systeem ontstaan waarmee de natuur kan herstellen.) 

Dat maakt het beeld van Nederland als exportland van landbouwproducten complexer dan de exportcijfers doen vermoeden. Nederland exporteert inderdaad veel landbouwproducten maar importeert per saldo meer calorieën en eiwitten dan het exporteert. Op deze manier is Nederland dan ook geen netto-exporteur van voedsel maar juist importeur. De belangrijkste consument van al dat buitenlandse voer (ook soja en granen) is de Nederlandse veehouderij. 

Als boeren alleen landbouwgrond in Nederland zouden verbouwen, zou dat genoeg zijn om de eigen bevolking van voedsel te voorzien. Daarna blijft er niet genoeg over om de wereld te voeden’. Je zou dus beter kunnen zeggen dat de wereld ons voedt... 

Sommige belanghebbenden blijven desalniettemin pleiten voor het behoud van export om ‘de wereld te voeden’. Het is dan ook goed om je te realiseren dat de waarde van de primaire landbouw (inclusief bloementeelt) slechts 1,4% van het bruto binnenlands product is. Daarmee is die sector nog niet half zo belangrijk voor de Nederlandse economie als bijvoorbeeld de cultuursector, die goed is voor 3,7% van het bbp (maar steeds minder subsidie ontvangt).

De aangehaalde Wageningen-studie, die in juni 2026 in het blad Nature werd gepubliceerd, zet dus vraagtekens bij het sleetse narratief van de boeren. Deze studie is echter geen pleidooi voor het afschaffen van de voedselhandel. Handel kan nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer producten niet in Nederland kunnen worden geteeld, zoals koffie of citrusfruit. Ook zou toekomstige voedselexport volgens de onderzoekers vooral plantaardig moeten zijn. Dierlijke producten passen binnen zo’n systeem alleen als dieren vooral regionaal beschikbare biomassa eten die niet geschikt is voor menselijke consumptie. De toekomstige rol van Nederland ligt dus volgens deze studie niet meer in volume-export. Neerlands kracht kan voortaan liggen in het overdragen van kennis en het toepassen van innovatie.

Dit gaat niet uitsluitend om cijfers. Dit gaat vooral over meer ruimte voor mens en natuur. Het gaat ook over woningbouw, infrastructuur en bedrijvigheid die in een overvol land sowieso niet eindeloos kunnen doorgroeien. Zeker niet als de landbouwsector alles bij het oude wenst te houden. Boeren moeten inzien dat de landbouwsector een uitzonderlijk grote claim legt op grond en leefruimte in het land. Het is dan ook geenszins verwonderlijk dat de Nederlandse regering een keer zegt: ‘zo kan het niet langer’. Het roer moet om. 

Kabinet-Jetten heeft voor de aanpak van het stikstofprobleem 20 miljard euro gereserveerd, een substantieel bedrag. Het geld moet onder meer worden gebruikt om veehouderijen te verduurzamen, bedrijven minder intensief te maken en te laten stoppen. Rond natuurgebieden zijn stikstofarme zones gedefinieerd en er komt een norm van maximaal 2,6 grootvee-eenheden per hectare.

Boeren protesteren nu weer, met hun intimiderende trekkers en omgekeerde vlaggen. Ze spreken over bestaansvernietiging en een aanval op hun manier van leven. Natuurlijk moet een overheid zorgvuldig omgaan met mensen die hun bedrijf, grond, woning en opgebouwde vermogen dreigen te verliezen. Een fatsoenlijke overheid moet ruimhartig compenseren, perspectief bieden en vrijwillige beëindiging aanmoedigen. Maar compensatie is iets anders dan het recht om een economisch model, dat niet eens zo rendeert en schadelijk blijkt voor land en bewoners, onveranderd en onverminderd voort te zetten.

20 miljard euro voor een sector die slechts een fractie vertegenwoordigt van de Nederlandse economie en de beroepsbevolking. Als je dat bedrag grofweg deelt door de circa 17.300 veehouders die het land ‘rijk’ is (volgens de Jaarlijkse Landbouwtelling van het CBS), kom je uit op ruim 1,1 miljoen euro per boer. Zijn we hierin dan niet doorgeschoten? Toen de mijnen in Limburg dichtgingen, werden arbeiders die hun baan verloren niet gecompenseerd. Toen de tabaksindustrie instortte, was er geen compensatie. Als jouw boekhandel nu op omvallen staat vanwege het bestaan van Bol.com of door AI, moet je het zelf maar uitzoeken. Er komt geen overheidssubsidie om je overeind te houden. Deze vorm van ongelijkheid is onhoudbaar.

Juist hierom vind ik de houding van de boeren zo moeilijk te verdragen. Je zou toch verwachten dat een relatief kleine beroepsgroep die de samenleving om miljarden aanpassings- en beëindigingsgeld vraagt, op zijn minst bereid is het maatschappelijke probleem te erkennen?! Maar nee, hoor. Men gaat de snelweg op met de tractor om te protesteren. Een gotspe.

Journalist en voltijd-provocateur Jort Kelder heeft een punt als hij boeren oproept minder te klagen. Hij hekelt hun ‘zieligheidscultuur’. Hij deed die uitspraak recent in ‘Heilige Huisjes’ voor WNL. Gemiddeld gesproken berust 40 à 50% van het boereninkomen op belastinggeld van Nederlandse burgers. Volgens een berekening van het Financieele Dagblad ging er sinds 1962 in totaal 3,200 miljard euro aan subsidie naar de landbouwsector, wat neerkomt op een bijdrage aan boeren van 7.000 à 8.000 euro per huishouden. 

De landbouwsector ontvangt dus aanzienlijke publieke steun via de Nationale Rijksbegroting. Voor 2026 is 1,4 miljard euro aan subsidie gereserveerd. Voor de Nederlandse belastingbetaler kan dit oplopen tot €90 per persoon. Vanuit de EU ontvangen Nederlandse boeren ook nog eens jaarlijks bijna 1 miljard euro aan landbouwsubsidies, eveneens belastinggeld van burgers. De vraag is dan ook volkomen legitiem waarom de Nederlandse samenleving daarvoor zo'n enorme grondclaim en milieubelasting zou moeten accepteren.

De kern van mijn betoog is dat de omvang van het boerenbestand in Nederland niet in steen is gebeiteld. De wereld verandert en ook boeren moeten mee veranderen. Door klimaatverandering en vervuilende methodes zal de landbouwsector zichzelf opnieuw moeten uitvinden. Het wordt al op bescheiden schaal gedaan dus het kan. 

Er moet ook een langetermijnvisie worden geformuleerd: waar willen we als land zijn over 20 of 30 jaar? Welk type landbouw past daarbij?  

Voor mij is het duidelijk voor nu: minder vee, minder landbouwgrond, minder intensieve landbouwbedrijven, minder macht aan multinationals in de agro-business als levensmiddelenfabrikant Unilever, zadenbedrijf Syngenta, kunstmestproducent Yara (zelf een van de grootste ammoniakuitstoters van Nederland), zuivelonderneming FrieslandCampina en grootgrutter Ahold Delhaize. 

En ja, piekbelasters in de landbouw (landbouwbedrijven die vanwege hun ligging onevenredig veel stikstof neerlaten op kwetsbare natuur), moeten weg. Deze piekbelasters zijn vrijwel altijd intensieve of grootschalige vee-, varkens- of  pluimveehouderijen. Dat zouden er in Nederland circa 3.000 zijn. Meer dan de helft hiervan is gevestigd in de provincie Gelderland. Eigenbelang is in dit geval ondergeschikt aan de staat van de natuur en het welzijn van de bevolking. Dat is geen boerenhaat; dat noem ik verantwoord regeringsbeleid. 

De landbouwsector krimpt al enige tijd dus laten we die trend steunen, in het algemeen belang. In 2025 daalde het volume van dierlijke productie (wederom). De varkens- en pluimveestapels namen af en de stikstofuitstoot door varkens en pluimvee daalde navenant. Maar er moet meer gebeuren. 

Wat mij vooral tegenstaat, is de hardnekkige suggestie dat Nederland zich de afgelopen decennia zou hebben verplicht om individuele boeren koste wat kost hun bedrijf te helpen behouden. Niemand is daartoe verplicht. Een boer is een ondernemer die risico’s neemt, geen onaantastbaar staatsmonument; alhoewel Jort Kelder dat tegenspreekt. Agrariërs zijn volgens hem eerder ambtenaren want als de subsidie wegvalt, kunnen ze niet voortbestaan. Het alternatief dat Kelder ziet, is stoppen met landbouwsubsidies en consumenten iets meer laten betalen voor voedsel.

Gedwongen uitkoop is eveneens een optie, wat mij betreft. Compenseer boeren fatsoenlijk wanneer de overheid hen vraagt te stoppen. Koop bedrijven uit die op de verkeerde plek zitten. Stop elke subsidie aan onwillige boeren die geweld prediken en al jarenlang de kont tegen de krib gooien. Maar vooral: help die boeren die willen omschakelen of al zijn omgeschakeld en een extra steuntje in de rug kunnen gebruiken. Vooral jonge, welwillende boeren. Zorg dat degenen die op constructieve wijze willen doorgaan een toekomst hebben met een goedbelegde boterham. 

Laten we niet accepteren dat een onwillige groep het land opnieuw in een houdgreep neemt. Als 20 miljard euro nodig is om eindelijk van het stikstofslot te komen, dan vind ik dat op zichzelf een schokkend bedrag maar het is wel de uitweg uit een jarenlange impasse en de weg naar een betere toekomst voor iedereen. Dat het leven in Nederland weer gebukt zou gaan onder jarenlange boerenprotesten tegen noodzakelijke krimp, maakt de rekening voor de rest van Nederland alleen maar hoger en moeilijker te verteren. Dus boeren: stop met ouwehoeren!

Afgelopen zondag sprak (kinderboeken)schrijfster en milieu-activiste Bibi Dumon Tak haar maandelijkse column uit in mijn favoriete radioprogramma Vroege Vogels. Die ging ook over omgekeerde vlaggen die terug zijn in haar woonomgeving, nu in dubbele aantallen. Zij zon -met vrienden- op een tegenactie. 
Ze verbaasden zich erover dat boeren zichzelf zo op de schouders kloppen. 

‘Wie doet dat in hemelsnaam? Om de haverklap staat er een spandoek langs een van onze snelwegen met de tekst: 'trots op de boer'. Ooit zo’n beroepsgroep gezien? Tijdens de vorige boerenprotesten fietste ik dagelijks langs een van de boerderijen die zo’n spandoek had hangen. Het was losgeraakt en rafelde iedere dag een beetje verder tot er alleen nog maar Tro op de bo stond. Tro op de bo, dat vond ik grappig, omdat boze boeren zich op die manier zelf langzaam lieten verdwijnen’.

Ik zocht nog een pakkende blogtitel. Die vond ik. 


zondag 9 oktober 2022

Kijk nou!

Illustratie: Sigmund - Peter de Wit
Dit is het vervolg op een eerdere blog, getiteld ‘Het wordt steeds gekker op de trekker’ van 6 juli jongstleden. Er was in de afgelopen dagen één document waarnaar werd uitgezien en dat de gemoederen bezighield in Nederland: het rapport van onafhankelijk gespreksleider Johan Remkes (1951, VVD) in het kader van de stikstofcrisis in het land. Hij functioneert in dit dossier vooral als Haarlemmer olie.

In artikelen en gesprekken werd Remkes vaak ‘bemiddelaar’ genoemd maar dat was hij juist niet. Er valt namelijks niet te bemiddelen. De stikstofuitstoot is veel te hoog in Nederland, de status van belangrijke natuurgebieden holt achteruit en lokale veehouderijen en enkele reuzen uit de chemische industrie zijn de grote vervuilers. Daarin moet hoognodig worden ingegrepen. Remkes moest het stilgevallen gesprek tussen de agrarische sector en de overheid weer vlot trekken. Of dat gaat lukken, blijft nog even de vraag. Aanstaande dinsdag wordt een stemming gehouden onder de leden van LTO Nederland over de inhoud van het rapport. Die organisatie vertegenwoordigt 35.000 agrarische ondernemers. Als er tegen wordt gestemd, is men terug bij af.

Cabaretier Youp van 't Hek beschreef Remkes in zijn wekelijkse column als een man “met rustieke boerenkiespijnkop en murmelende praatjes. Een schitterende stripfiguur”. Geen idee of daaruit veel waardering spreekt... Het rapport draagt de titel ‘Wat wel kan’ en werd tamelijk goed ontvangen door de meeste betrokkenen. Er moest weer een verstandhouding gaan ontstaan die de inhoud en het gesprek over een duurzame toekomst voor agrarische ondernemers centraal stelt. Een van de eisen van boeren was dat de Stikstofkaart van Nederland van Christianne van der Wal, minister van Natuur & Stikstof, van tafel moest. Dat werd overgenomen. De terreur van Het Kaartje. Tja. In mijn ogen was er weinig mis mee. Eindelijk maakte een minister haar aanpak duidelijk, na al die bange voorgangers op dat departement. Ondanks het weglaten van de kaart blijven alle natuurbelastende bedrijven in het vizier.   

Illustratie: Marc-Jan Janssen
Uit de titel van het Rapport Remkes (60 pagina’s) blijkt dat onze onafhankelijke gespreksleider, de man die door politieke verslaggevers ook wel “de minister-president die het land nooit kreeg” wordt genoemd, nog kansen ziet voor de agrarische sector. De punten waartegen de boeren al maandenlang protesteren, blijven echter in beeld met hier en daar een verschuiving. 

Er valt wederom te lezen dat het noodzakelijk is om op zeer korte termijn veel minder stikstof te gaan uitstoten om natuurherstel  in het hele land mogelijk te maken. Als dat niet gebeurt, zullen de consequenties ook voor andere aspecten van het leven heel groot zijn. Nederland gaat dan op slot, omdat het juridisch nauwelijks meer mogelijk is om nog vergunningen te verlenen. Niet voor de bouw van huizen, niet voor boerderijen, niet voor wegen. En als de bouw stilvalt, heeft dat forse economische en sociale gevolgen. 

Remkes presenteert een denklijn om uit de ontstane impasse te komen en de agrarische sector een toekomstperspectief te bieden. Zijn denklijn moet niet worden verward met een definitief plan. In deel I van het document vat hij het vraagstuk samen en doet hij aanbevelingen. In deel II werkt hij die uit. Bovendien zet hij uiteen wat er met de onderlinge relaties tussen betrokkenen moet worden gedaan ter ondersteuning. Burger(stad vs platteland)-provincie-overheid, agrariër-subsector-sector-provincie-Rijk. En hun belangenbehartigers.   

Zijn belangrijkste boodschap vind ik dat er 500 à 600 piekbelasters in de nabijheid van natuurgebieden moeten worden uitgekocht in één jaar tijd. Met vrijwillige uitkoop, verplaatsing of onteigening. Dat wordt nog een hele klus want dit jaar zijn tot nu toe slechts 24 boerenbedrijven uitgekocht, ondanks de woest aantrekkelijke regeling van de Nederlandse overheid. Deze piekbelasters, 's lands grootste uitstoters van ammoniak en/of stikstofoxiden, tref je zowel in de agrarische sector als in het bedrijfsleven aan. Remkes voegde geen lijst aan zijn rapport toe maar die is er ongetwijfeld wel. Die toont waarschijnlijk verdacht veel overeenkomst met de dikke stippen op de eerdere stikstofkaart...

In een recent artikel in de Volkskrant las ik dat van de lijst (uit 2019) van de 100 grootste ammoniakuitstoters er 90 veebedrijven zijn. De uitstoot van ammoniak, grotendeels toe te schrijven aan de landbouw, nam de laatste jaren nauwelijks af. De uitstoot van stikstofoxiden, vooral afkomstig van weg- en vliegverkeer en industrie, is sinds 2010 bijna gehalveerd. Op een lijst van de 100 grootste uitstoters van stikstofoxiden, aangevoerd door Tata Steel (IJmuiden), is geen veehouderij te vinden.

Ik trof genoeg nieuwe info aan in het rapport om geïnteresseerd verder te lezen. Zo las ik dat er in Nederland 52.500 agrarische ondernemers zijn. Ik viel van mijn stoel van dat grote aantal! 2.700 van hen zijn tuin- of champignonbouwers, 5.600 opengrondtuinbouwers, ruim 11.000 akkerbouwers, ruim 25.000 in de veeteelt, van wie 14.500 melkveehouders zijn, waarvan 5.500 intensieve veehouders. Circa 3.000 ondernemers combineren minimaal twee sectoren in hun bedrijf. 

Van alle agrarische ondernemingen heeft 70% een bedrijfshoofd ouder dan 50 jaar. Ruim 60% van hen heeft naar verwachting geen opvolger. In totaal zou het gaan om ongeveer 20.000 bedrijven. Hier liggen dan ook volop kansen voor vrijwillige uitkoop, wat mij betreft. Een klein aandeel van de markt wordt bediend door biologische boeren; variërend per sector (rond de 4%) is dat erg laag vergeleken met het EU-gemiddelde. Dit groeit gestaag maar de betalingsbereidheid onder Nederlandse consumenten van de meerprijs voor bioproducten valt tot dusver tegen. De Europese ambitie ‘Farm to Fork’ is erop gericht 25 à 30% van de overall productie biologisch te maken. Groen boeren verdient een realistische positie en vraagt samenwerking in de hele voedselketen. 

60% tot 75% van de huidige productie in Nederland is bedoeld voor de export (afhankelijk van de sector), slechts 25% tot 40% wordt geproduceerd voor Nederlandse consumptie. Daarvan is grofweg 50% voor supermarkten en 50% voor food services bestemd (bedrijfskantines, verpleeghuizen, ziekenhuizen, maaltijdservices, horeca). Dat Nederland een voedseltekort zou krijgen met minder boeren is kletspraat. 

Remkes conclusie is dat er plekken zijn in Nederland waar specifieke vormen van landbouw niet meer kunnen, maar ook dat er plaatsen zijn waar die nog wél passen. Vandaar de positieve rapporttitel. Er lijkt echter nergens plek meer voor intensieve veeteelt. Tijdens zijn gesprekken met boeren kwam hij tot de ontdekking dat het voor de meeste agrarische partijen niet acceptabel is dat het kabinet agrarische ondernemingen gaat onteigenen of hun vergunning gaat intrekken. Eens vergund blijft vergund”, stellen zij. 

Maar zo zit de wereld niet (meer) in elkaar, denk ik. Dat is valsspelen voordat de wedstrijd is begonnen. Een afgegeven vergunning is niet in marmer gebeiteld, die is te allen tijde afhankelijk van de omstandigheden en die veranderen nu eenmaal. Bovendien zou het bij het uitgesproken aantal uit te kopen piekbelasters slechts gaan om 1% van de agrarische populatie. Gaan de boeren daarvoor weer de snelweg op met hun trekkers? Weer overal omgekeerde vlaggen op het platteland? Weer dreigend op de stoep staan bij de minister thuis? Toe nou! 

Allereerst moet worden gezorgd dat de natuur in Nederland niet verder verslechterd en dat de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden kunnen herstellen. Het stikstofgehalte dat daar wordt uitgestoten, moet komend jaar al fors dalen; bij voorkeur naar nul of daaromtrent. Zonder dalende lijn in de emissie is er geen ruimte voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen en blijft het land deels op slot. Om daaraan een einde te maken, is een ambitieus en juridisch houdbaar kortetermijnplan nodig. De keuze aan kortetermijnmaatregelen is echter beperkt en de tijd dringt.

Wat daarnaast ook broodnodig is, voor zowel de agrarische sector als het hele land, is dat er een langetermijnvisie op de landbouw wordt gevormd. Waar wil Nederland op termijn naartoe met landbouw en veestapel? In welke zones in het land kan nog wel worden geproduceerd? Door hoeveel en welk soort bedrijven? De boerenbedrijfsvoering moet in lijn worden gebracht met de eisen die klimaat, dierenwelzijn, water, bodem, gezondheid en cultuur stellen. Landsbelang boven eigenbelang. Dat de veestapel moet worden verminderd, lijkt mij (en Johan) onvermijdelijk. Op termijn moet voor alle betrokkenen helder zijn hoe uit een nieuwe landbouwstrategie een goed verdienmodel volgt. Daarvoor is effectieve overheidscoördinatie nodig en slimme Europese samenwerking. Gaat dat lukken?


vrijdag 2 september 2022

Boer Murk minister-president!

Illustratie: Jos Collignon
(voor de Volkskrant)
Laatst stak er een Engelstalig liedje als een storm in mijn hoofd op. Dat had ik jarenlang niet gehoord. Het stamt uit de tijd waarin ik een piepklein meisje was. Het was van Unit Gloria, een band uit Utrecht die in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw suksesvol was. De titel luidt ‘The Last Seven Days’ en het gaat over de slechtheid op aarde. Het zinnetje dat in mijn hoofd opkwam, was “He saw his world and cried”... 

Dat klonk bijbels. Omdat ik niet bepaald bijbelvast ben, moest ik de tekst opzoeken. Het blijkt te gaan om een passage uit Genesis 6:6. ‘Then the Lord saw that the wickedness of man was great upon the earth and that every inclination of the thoughts of his heart was altogether evel all the time. And the Lord regretted that He had made man on the earth, and He was grieved in His Heart’. 

Precies die associatie kreeg ik na de uitspraak van Wopke Hoekstra, Minister van Buitenlandse Zaken in kabinet Rutte IV. Hij sprak in zijn rol als CDA-partijleider. Hij zwichtte voor de acties van intimiderende relboeren, met hun ronkende trekkers en stinkende mestvaalten op de openbare weg. Met hun omgekeerde vlaggen. Het hele land staat op zijn kop. De nationale driekleur is niet alleen van boeren, die is van alle Nederlanders! Wel, die man is een slappeling. Een man die zijn politieke collega´s een dolk in de rug stak. Een Judas. Een man die partijbelang boven landsbelang stelt. Een opportunist. Die man wordt nooit baas van het land, als het aan mij ligt. All the wickedness of man is in hem verenigd...  

Wapke staat achter het akkoord van de huidige regering én achter het interview dat hij zelf aan een krant gaf. Daarin sprak hij zich uit tegen het regeerakkoord terwijl coalitiepartners worden geacht met één mond te spreken. Hij is dus tegelijkertijd voor en tegen. Hoe dan?! Tja. Hij kwam ermee weg. Teun van de Keuken, columnist van de Volkskrant, verklaarde eerder deze week dat premier Rutte dat monster creëerde. De politiek is rot en het imago kapot. Als Hoekstra en de zijnen hun zin krijgen (wat de Lord verhoede), gaat de natuur in Nederland geheid naar de knoppen. 

Het verbeteren van de biodiversiteit is één van de speciale verantwoordelijkheden van de Nederlandse overheid. De grutto, de nationale vogel, verdwijnt als broedvogel in rap tempo uit het land. Waren er in 1970 nog 120.000 broedparen van deze weidevogel, nu resteren er nog slechts 25.000 en die achteruitgang gaat onverminderd door. 2020 was het slechtste jaar ooit voor deze vogelsoort.

Critici en milieusceptici zullen zich afvragen of we  al die moeite moeten doen voor een eenvoudige grutto maar je zou kunnen zeggen dat de treurige staat van onze nationale vogel de kanarie in de kolenmijn is. Het staat voor veel grotere problemen, op wereldschaal. De wereld moet wel leefbaar blijven! 

Vanmorgen ging het hoofdartikel in de NOS-app over het feit dat een deel van de Nederlandse beschermde natuur nóg meer last heeft van stikstof dan tot nu toe werd aangenomen. Dat blijkt uit een rapport van internationale wetenschappers dat later deze maand verschijnt. Zelfs als het kabinet zich aan de eigen afspraken houdt, moet een deel van de stikstofnormen in het land verder worden aangescherpt. Partijen moeten zeker samenwerken maar men moet niet zwichten voor druk. Polderen moet nu eenmaal in een land als Nederland. 

Maar natuurherstel moet ook en uitstel is geen optie. Wie dat gedachtengoed zeker omarmt, is boer Murk Nijdam (62) uit Friesland. Ik zag hem laatst in een Nederlands natuurprogramma op tv. Een innemende, integere boer. Kom er eens om! 

Nijdam is gruttoboer (boerenlandvogelboer) en daarvoor zou hij moeten worden geridderd (hij wel). De familie van Nijdam woont al sinds 1914 in een traditionele stolpboerderij in het Friese Wommels. Opa Kees begon daar met boeren, zoon Tjeerd volgde in diens voetsporen. Destijds huurden zij landerijen en boerderij van het pensioenfonds van de Heidemij. Daar wordt al ruim een eeuw traditioneel en kleinschalig op het land gewerkt. 

De liefde voor vogels en het bloemrijke landschap kreeg Murk mee van huis uit. Zijn vader nam hem in het voorjaar altijd mee het veld in om kievitseieren te zoeken. In de jaren '90 kocht Murk het ouderlijk huis en de landbouwgrond. Zijn melkveebedrijf is niet biologisch maar wel extensief. 

Hij wierp zich op als beschermer van de weidevogels op zijn land. Murks inspanningen leveren een rijk weiland op. Op zijn landerijen houdt hij 1 hectare grond aan met 1 juni als uitgestelde maaidatum en 27 hectare met een uitgestelde maaidatum van minimaal 15 juni. Een lange rusttijd voor de vogels combineert hij met kruidenrijk grasland. Er staan twee vogelkijkhutten met kijkgaten, op diverse hoogten. Van daaruit heb je goed zicht op een aantal plasdrasgebieden, waar de weidevogels zich met tientallen tegelijk ophouden. Murk bouwde de kijkhutten zelf en legde ook de plasdrassen aan. De bekende vogelaar, ecoloog en ambassadeur van de Nederlandse Vogelbescherming Camilla Dreef keek haar ogen uit naar de vele grutto´s, kluten, tureluurs, visdieven, een kleine plevier, een groep kemphanen (geen broedvogels) en knobbelganzen. 

Voor die inspanningen ontving hij in 2016 de Gouden Grutto van Vogelbescherming Nederland. De grutto is de nationale vogel en het icoon van de weidevogel-gemeenschap. Het prijzengeld dat boer Murk ontving, besteedde hij aan een reuzengrutto op zijn erf. 

In 2018 bevonden zich op zijn landerijen wel 90 gruttonesten met ongeveer 70 broedparen met kuikens. Daarnaast leven ruim 100 verschillende vogelsoorten op en rond het bedrijf. Ze broeden en foerageren vooral bij de twee plasdrassen, maar ook de omliggende percelen horen bij het weidevogelgebied. 2020 ging de geschiedenisboeken in als een slecht jaar voor weidevogels. Door droogte en predatie werd een laagterecord van vliegvlugge kuikens bereikt. Boer Murk bracht zijn kuikens echter wel groot. “Als boer moet je soms dingen laten, zelfs als dat niet goed is voor het bedrijf. Dat is een keuze. Ik ben veel in het veld om te volgen hoe het gaat en probeer zoveel mogelijk verstoring tegen te gaan.” Zo las ik in een regionale krant. 

Eerder dit jaar nam Stichting Agrarisch Natuurfonds Fryslân (ANF) alle grond (38 hectare) van deze gruttoboer over. Daarmee stelde de stichting het vogelbeheer op dit stuk agrarische grond veilig voor de toekomst en kan de boer aan zijn pensioen beginnen. Ook elders in Friesland wil men dit gaan doen. Boer Murk onderhoudt zelf voorlopig nog 30 koeien in een traditionele Friese grupstal. De mest komt de weidevogels ten goede. 

Er is een groot aantal bekende Friezen die Murk en het ANF steunt in hun inspanningen voor het behoud van weidevogels in dat deel van Nederland. Zij zijn zogenaamde pommeranten (ambassadeurs). Het gaat onder andere om Syb van der Ploeg (zanger van De Kast), Henk Angenent (marathonschaatser en winnaar van de Elfstedentocht in 1997), Joop Atsma (CDA-man en lid van de Eerste Kamer), Jochem Myjer (komiek), Foppe de Haan (gelauwerd voetbaltrainer), Lutz Jacobi (voormalig PvdA-politica en nu directeur van de Waddenvereniging). Allen brengen ze hulde aan boer Murk en zijn Gruttoland. Mensen als zij brengen licht in donkere tijden. 

Waarin een klein en door crises geteisterd land groot kan zijn!


woensdag 6 juli 2022

Het wordt steeds gekker op de trekker


Illustratie: Bas van der Schot
Dit wordt weer een longread. Tijdens de coronapandemie hadden we viruswappies, nu hebben we relboeren. Deze groepen lijken veel op elkaar, beiden lijden aan dezelfde kwaal: verdraaiing van de feiten, verspreiden van desinformatie, compolottheorieën aanhangen, wetenschap en wetenschappers in twijfel trekken, intimidatie en bedreiging van ‘tegenstanders’ en wantrouwen jegens de overheid. En populistische politici huilen met de wolven mee. Ik erger mij groen en geel -gras en ei- aan deze boeren op klompen; aan hun wetteloosheid en oost-Indische doofheid. Nee, dan liever de familie Kneupma, het plattelandsgezin dat de eergisteren overleden schrijver Remco Campert (92) in zijn columns tot leven wekte!

Mijn liefje en ik wonen aan de kust maar ook in de nabijheid van een kleinschalig landbouwgebied. Ik kijk wekelijks mijn ogen uit naar wat er uit de vruchtbare rode aarde komt en hoe snel dat gaat. Donkere mannen in gele hesjes halen hier de oogst van het land. Zij protesteren niet, ze zijn blij met de werkverschaffing. Een enkeling herken ik inmiddels. Mijzelf noem ik geen boerenbasher. De foto op de kop van dit blog nam ik in Tasmanië (zuidpunt van Australië) in 2016, tijdens de lavendeloogst. De combinatie van natuur en techniek heeft mij altijd geboeid. Met die combinatie is nog veel te winnen.  

Maar de heftige boerenprotesten van nu leiden alleen tot verliezers. Die acties lijken in rap tempo te escaleren. Sinds de publicatie van de Stikstofkaart van Nederland is het hommeles tussen de boeren en de overheid. Als zij doorgaan met hun wegblokkades, keert het overgrote deel van het publiek zich juist tegen hen. (Want kom niet aan de privileges van de Nederlanders...) De nieuwe minister van Natuur en Stikstof, Christianne van der Wal (VVD), accepteerde de ondankbare taak om de puinhopen van haar voorgangers op te ruimen. Dat doet zij vastberaden en dapper, wat mij betreft. Zelfs als de kwaadste boeren met hun intimiderende trekkers pal oor haar voordeur staan, blijft ze luisteren. Nederlandse boeren moeten verduurzamen, daar valt niets tegen in te brengen. Het land behoort in Europa tot de koplopers in de uitstoot van stikstof. Het gemiddelde ligt op ruim 11 kg per hectare (dat geldt bijvoorbeeld voor Spanje), in Nederland ligt het op rim 46 kg per hectare. Ik hoop echt dat De Wal het (stront)schip gaat keren. 

Op de betreffende kaart staan de gebieden waarin sprake is van veel te veel stikstof. De agrarische sector produceert 61% van de totale stikstofuitstoot. Koeien zijn in Nederland met afstand de grootste stikstofbron. Om de teloorgang van belangrijke natuur in die gebieden een halt toe te roepen, moeten veeteeltbedrijven hun uitstoot drastisch reduceren. Het Nederlandse kabinet nam het besluit dat de stikstofbelasting in 2030 in 74% van de Nederlandse natuurgebieden onder de kritische grenswaarde moet zijn gedaald. Niet elk daar gevestigd boerenbedrijf moet de uitstoot met de aangegeven percentages  verminderen. Deze kaart dient vooral als richtlijn maar dat wil er bij vele boeren niet in. De Nederlandse overheid stelde een grote zak geld beschikbaar (25 miljard euro) om de stikstofcrisis op te lossen. 

Al decennialang moest alles in de Nederlandse landbouw bij voorkeur groter en meer. Boeren zijn daarin verkeerd voorgelicht door de veevoerindustrie, zuivelcoöperaties en de banken. Die adviseerden hen te investeren in megastallen, zodat ze voor een lage prijs op de wereldmarkt konden produceren. In die sfeer onstond de intensieve veehouderij. Dit zijn boerenbedrijven waarbij heel veel dieren op een klein oppervlak worden gehouden. Verreweg de meeste ammoniak komt voort uit deze vorm van landbouw. In dit soort bedrijven wordt ook de meeste stikstof gebruikt om de productie op te voeren. Stikstofhoudende stoffen komen terecht in de natuurlijke omgeving en veroorzaken daar problemen die zonder ingrijpen op enig moment niet meer zijn op te lossen. Bovendien veroorzaken ze overlast in de buurt van de bebouwde kom. Het risico op ziektes bij omwonenden vergrootte in de loop van de tijd. 

Nederland heeft ruim 17 miljoen inwoners maar ook 100 miljoen kippen, twaalf miljoen varkens, bijna twee miljoen koeien en ook nog eens honderdduizenden schapen, geiten en paarden. Dat is een enorme veestapel voor zo’n klein land. Waar laten we al die dieren? Dier en mens gaan om ruimte concurreren. Eigenlijk gebeurt dat nu al. Zoiets blijft niet zonder gevolgen. Varkenspest, mond- en klauwzeer (MKZ), Q-koorts en meermalen vogelgriep.

De totale oppervlakte van Nederland is 4.2 miljoen hectaren, daarvan is 1.8 miljoen hectaren in gebruik als landbouwgrond. Op deze postzegel wordt de opbrengst van slechts 800.000 hectaren (van de ruim 4 miljoen hectaren grondoppervlakte) daadwerkelijk door de Nederlandse consument genuttigd; daarnaast is 600.000 hectare bestemd voor grasland en veevoer. Dat kan niet zo doorgaan. Corrigerende acties zijn dus hard nodig. 

Veeboeren in de directe omgeving van Natura2000-gebieden moeten drastisch minderen en dat is terecht. (Die gebieden kleuren felrood op de kaart.) Daar en binnen een straal van 1 kilometer eromheen lijkt vrijwel geen landbouw meer mogelijk in de nabije toekomst.    

Natura 2000 is de naam van het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden dat sinds het jaar 2000 werd ingesteld. In deze gebieden worden specifieke dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Nederland wees 162 van die gebieden aan binnen de landsgrens, zowel op land als in zee. De Waddenzee, Oostvaardersplassen, de Veluwe, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde, Ijsselmeer en Markermeer, Brunssemerheide, Roerdal, de Rijntakken en Kennemerland zijn de bekendste.

Spanje heeft 1.468 van dit soort gebieden, eveneens aan land en op zee. 23.4 miljoen hectaren land en zee behoren tot de zogenaamde Natura2000-gebieden; die zijn beschermd. Dat is bijna de helft van Spanje's grondgebied. In onze omgeving gaat het onder andere om Sierra de Escalona en Dehesa de Campoamor, lagunes van La Mata en Torrevieja, litoraal van Cabo Roig, duinen van Guardamar, eiland Tabarca, Salinas van Santa Pola, Clot de Galvany (een geliefd vogelgebied), Sierra de Espuña, Cabo de Palos. Stuk voor stuk kwetsbare gebieden die moeten worden behouden. Voor de leefbaarheid van dier & mens. En niet te vergeten: Mar Menor, net over de provinciegrens. Voor deze grootste binnenzee van Europa loopt het helaas gierend uit de hand door jarenlange illegale praktijken van boeren in de land- en tuinbouw.

Je zult wellicht zeggen: jij hebt gemakkelijk praten als Nederlandse buiten de landsgrenzen en wonend in een giga-tweede vaderland qua oppervlakte. Dat klopt. Spanje heeft 50 miljoen hectaren grondgebied en dat delen wij met ruim 52 miljoen mensen. 28% van dat landoppervlak wordt gebruikt als landbouwgrond, ruim 36% wordt ingenomen door bossen, ruim 16% door struikgewas en kale grond, bijna 14% wordt gebruikt als grasland en de overige 5% voor bebouwde kom, wegen en spoorwegen. 

Spanje heeft al jarenlang de ambitie 's werelds grootste varkensvleesfabriek te worden. (Hier komt de veelgeprezen jamón ibérico vandaan.) Dit land heeft meer dan 88.000 varkenshouderijen, vaak ingericht met megastallen. Die zorgen er met elkaar voor dat de limiet voor de uitstoot van ammoniak die Europa stelt, al meer dan tien jaar wordt overschreden. Dus ook in Spanje is zeker niet alles koek en ei. 

In Nederland is een dergelijke ambitie aan de orde. Na de Verenigde Staten is dit kikkerlandje de grootste vleesexporteur (niet de grootste producent) ter wereld. Moeten we daar trots op zijn? We horen vaak als verweer van Hollandse boeren dat ze de wereld moeten voeden. Wie kwam ooit op dat megalomane idee? Dat is in de loop der tijd toch volledig uit verhouding geraakt? Sanderine Nonhebel, universitair hoofddocente Milieukunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, vindt het een onzinverhaal dat de Nederlandse boeren de wereld voeden. “We zitten gevangen in een frame”, meent zij. Van de 100 varkens in Europa produceert Nederland er slechts zes. “Wij heffen de honger in Afrika niet op, produceren vooral voor Duitsland en België”. Volgens haar verandert er niet  veel voor de Nederlandse consument als de boerensector zou inkrimpen.

Gemiddeld gaat 60% van alle Nederlandse landbouwproducten (80% van het vlees) naar het buitenland. Nederland importeerde in 2018 2.4 miljard kilo sojabonen uit het buitenland. Het land importeert veel ruwe grondstoffen en verwerkt en verwaardt die. (Is dat de zogenaamde ‘boerenslimheid’?) Veel van het geïmporteerde eiwitrijke meel wordt gebruikt als veevoer. Dat product zou een veel betere bestemming moeten krijgen in de wereld! 

De reductie van stikstof had in Nederland al jaren geleden moeten worden doorgevoerd. Maar vorige regeringen -zeker de twee voorgaande van Rutte- deden niets op dit punt. Men keek twintig jaar weg van het steeds nijpender wordende probleem, wilde hun achterban niet tegen de haren instrijken. De typisch Hollandse uitdrukking ‘pappen en nathouden’ is hiervoor uitgevonden. Die van ‘zachte heelmeester maken stinkende wonden’ eveneens. De hoogste rechter van het land moest er aan te pas komen om bestuurders in het gareel te krijgen. Boeren zelf staken jarenlang hun koppen in de koeienvlaai. Menigeen moest in het leven een andere baan zoeken. Ik weet er alles van... Menige tak van industrie ging teloor, denk aan de mijnbouw. Dat is niets nieuws onder de zon. Er zal altijd plek blijven voor boeren maar anders boeren is nu de enige optie. De almaar stijgende hoge melkprijzen van dit jaar zouden die transitie naar duurzaam boeren kunnen faciliteren. Willen is kunnen! (Misschien moeten ze hun weiden wel inruilen voor akkers?)

Zij die het goed met Nederland voor hebben -en die zijn er volop-, zoals bio-veeboeren, aanhangers van kringlooplandbouw, eigenaren van kleinschalige bedrijven, boeren in de extensieve landbouw, beheerders van voedselbossen, hightech-boerenbedrijven, boeren die samenwerken met Natuurbeheer en zij die investeren in alternatieven voor vlees en zuivel moeten met hun bedrijf en producten een dikbelegde boterham kunnen verdienen. Dat verdienen ze. Mindere veedichtheid is beter voor het land, minder boeren ook.  

de koeien zijn verkocht
de tractor staat te roesten in het hoge gras
het erf is netjes aan kant
en er is nog hout voor één winter

Remco Campert