Laatst kwam ik het begrip ‘3-30-300-regel’ tegen in een tekst op het web. Die regel werd ooit bedacht door de Nederlandse professor dr Cecil Konijnendijk. Hij ontwikkelde het om groenere, gezondere en veerkrachtigere woonwijken te creëren. Deze Nederlander is werkzaam als hoogleraar Stadsbosbouw aan de Universiteit van Brits-Colombia. Momenteel woont Konijnendijk in Barcelona. Van daaruit leidt hij het Nature Based Solution Institute, een denktank die zich inzet voor de vergroening van steden wereldwijd.
Met zijn regel bedoelt hij het volgende. Een stads- of dorpsbewoner wordt gelukkig van de eigen woonsituatie als er drie volwassen bomen in het gezichtsveld staan, kijkend vanuit huis. Als 30% van de omgeving door boomkruinen wordt ingenomen. Als het dichtstbijzijnde park op 300 meter afstand van thuis ligt.
Op 3 en 300 scoort mijn woonomgeving goed en daar ben ik inderdaad gelukkig mee. Over het percentage boomkroonbedekking ten opzichte van het totaaloppervlak heb ik zo mijn twijfels. Het groen dat je hier vindt, bestaat voornamelijk uit palm- en olijfbomen, enkele kurkeiken en lage mediterrane struikgewassen. Palmbomen, hoezeer ze ook passen in deze Spaanse wijk aan zee, dragen nauwelijks bij aan het percentage boomkroonbedekking dat Konijnendijk voor ogen heeft als verschaffers van schaduw en verkoeling. Ze hebben een nogal smal silhouet en dat zorgt voor een minimaal boomkroonvolume (het bladerdek in de breedte). Voor beschutting en koelte kun je echter wel terecht in de talloze kleine parken met hoge bomen die wij in onze woonwijk hebben staan.
We lopen graag door de wijk en langs het strand, zeker sinds mijn liefje een nieuwe hobby heeft: het gebruik van Merlin. Deze gratis vogelapp, ontwikkeld door het Amerikaanse Cornell Lab of Ornithology, helpt je bij het determineren van vogels door hun gezang en gefluit op te nemen. Je kunt de vogels ook fotograferen en op basis daarvan laten determineren.
Vriendin Bernadette die afgelopen week bij ons logeerde, bracht een leuke bundel met vogelverhalen mee als kadootje, getiteld ‘Flierefluiters’ (ondertitel ‘De mooiste vogelverhalen’). Het boek is extra bijzonder door de contour-stans op de voor- en achterkant. De bovenkant van de harde kaft heeft de vorm van de vleugels van een roodborstje dat op de voorkant prijkt. Het eerste verhaal komt van Jean-Pierre Geelen, geliefd columnist van de Volkskrant en jurylid voor de verkiezing van het natuurboek van het jaar bij Vroege Vogels. Hij schrijft over de kunst van het vogels kijken. Hij is echter van mening dat je vooral kijkt met je oren.
We beleefden laatst iets leuks met de app van mijn liefje. Tijdens een wekelijkse rondgang door het gebied, merkte zij op dat de app een ijsvogel detecteerde, op basis van het gezang dat ze opnam. Voor de goede orde: in elk park in onze buurt hoort zij gemiddeld vijf à zes vogelsoorten volgens de app. Niet gek, toch?! We liepen langs een langgerekte sloot die vanuit de salinas van San Pedro (buurprovincie Murcia) afwatert naar de Middellandse Zee in onze provincie Alicante. Nog geen tien minuten later, terwijl we naar flamingo’s, reigers, meeuwen en aalscholvers stonden te kijken vanaf een hoger gelegen uitkijkpunt, kwam dat kleine blauw-groene vogeltje razendsnel voorbij! Het vloog vlak boven het water. Dat zijn kleine geluksmomenten voor ons, enthousiaste vogelaars.
Vorige week liepen we met logee Bernadette langs het strand van Los Alcázares (over een wandelpad langs de Mar Menor) toen zij (!) een scharrelende vogel in de branding opmerkte. Gedrieën staarden we naar het punt dat zij aanwees. Daar liep inderdaad een vogel alleen. Ik haalde mijn telelens tevoorschijn en legde een foto van de vogel vast om die later, in de schaduw, te kunnen bestuderen. Het bleek te gaan om een vogel die we nog nooit met eigen ogen hadden gezien: een groenpootruiter.Dat is een typische steltloper van middelgroot formaat met lange, groengrijze poten (die zijn alleen in broedtijd groen) en een stevige, licht opwippende snavel. Het dier is wit van onderen en overwegend grijs van boven. De vogel tippelde snel en maakte een tamelijk luid drieledig geluid dat leek op ‘tuw-tuw-tuw’. De groenpootruiter is een ‘doortrekker’ in Nederland, ofwel een migrant die overwintert ten zuiden van de Afrikaanse Sahara. Bij ons maakte de vogel kennelijk een tussenstop. Ik vermoed dat het door slecht weer onderweg in zijn eentje was gestrand, zonder groep of partner met wie doorgaans tijdens de najaarstrek wordt gevlogen.
Op de site van de Nederlandse Vogelbescherming deed ik mee aan de migratiequiz. Ik kreeg acht vragen voorgelegd en bleek er zes correct te hebben beantwoord. (Een van de twee foutief beantwoorde vragen was in mijn ogen een instinker. Tja.)
De tijd van de vogeltrek is weer aangebroken en dat brengt altijd reuring naar Huize Barefoot. Zoals sommige vogels aanvoelen dat het tijd is om naar elders te vertrekken, zo beginnen ook hier in huis de reiskriebels om dat avontuur mee te maken. We plannen weer een trip naar het Noorden van Spanje (autonome regio Aragón) om daar migrerende kraanvogels te gaan zien. Niet voor de eerste keer, het zou de derde keer worden als het uitje doorgaat.
Voor de tweede keer kiezen we voor de lagune van Gallocanta. Dit is het grootste zoutmeer van West-Europa en een van de belangrijkste ecosystemen op het Iberisch Schiereiland. Het is om veel redenen een Natura2000-gebied, een beschermd natuurgebied.
Volgens de weervrouw krijgen alle geplande dagen daar een tien (zonnig en meer dan 20 graden overdag). De warme jassen gaan wel mee voor de vroege ochtend en de late namiddag. 's Nachts wordt het er vijf graden. Ik ben weer van plan om vogelgeluidopnamen te maken van het getrompetter van de kraanvogels voor mijn favoriete radioprogramma Vroege Vogels (in te zenden via de Fenolijn).
Maar
voordat we vertrekken, wachten we eerst nog op een belangrijke afspraak. (Daar
kom ik op terug in een volgende blog.)





















