Translate

Posts tonen met het label rondreis Andalusië. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rondreis Andalusië. Alle posts tonen

vrijdag 29 oktober 2021

We zijn het niet (meer) gewend! – deel 3

Dit is het laatste deel van mijn drieluik over de Andalusiëreis die ik onlangs ondernam met mijn liefje en vriendin Bernadette. In de vorige blog stonden we op het punt Tarifa te verruilen voor de zuidelijkste stad van Spanje en de oudste van Europa: Cádiz. Voor de verandering kreeg deze stad zijn naam niet van een Arabische veroveraar die eeuwen geleden naar dit deel overstak maar werd gesticht door de Feniciërs en heette aanvankelijk ‘Gadir’ (ommuurde vesting). De Berbers noemden deze plaats later Agadir, de Romeinen Gadeira en de Moren Quadis. Al die namen verwijzen naar de imposante stadswal. Cádiz was ooit de belangrijkste bestemming waarnaar de afgeladen schepen van kolonisator Spanje uit Zuid-Amerika en elders terugkeerden. Nu wordt de haven alleen nog aangedaan door cruiseschepen.

De eerste keer reden we Cádiz binnen via een omweg, langs een onaantrekkelijk industriegebied. Dat zouden we de daaropvolgende dagen anders doen: via de kortste route over de Brug van de Grondwet van 1812. Deze La Pepa-brug, opgeleverd in 2014 -twee jaar later dan gepland vanwege de economische crisis-, is een fraaie hangbrug van bijna 600 meter over de baai van de stad. Ik vroeg Bernadette als bijrijder een foto van deze constructie te maken; die lukte goed! (Je vindt 'm in het nu volledig bijgewerkte webalbum.) 

In eerste instantie parkeerden we de auto in een openlucht parkeergarage langs de stadswal, op het terrein van het Antiguo Hospicio, een verlaten gebouw uit de 18de eeuw. Dat zullen we vaker zien in deze stad: prachtige gebouwen met een rijke geschiedenis die aan hun lot worden overgelaten… We lieten ons per taxi naar het hotel brengen. Gemak dient de mens. We zouden wederom tegenover de kathedraal gaan logeren. De kamers en badkamers waren deze keer heel groot en er was een klein openluchtzwembad op het dakterras maar we zwommen wederom niet. 

Geen van ons sloot Cádiz direct in het hart. Deze stad moest ons veroveren en deed dat tenslotte ook. Het aardige is wel dat ‘Gaditanos’ (benaming voor de stadsbewoners) nog volop in het stadscentrum wonen. Er is hier nauwelijks sprake van gentrificatie, zoals in Málaga wel het geval is. Deze stad zou ik niet hip noemen al is die aan een opmars in de reiswereld bezig. Wat ook opviel, is dat je moet betalen voor een eenvoudige stadskaart (€1) en voor toegang tot de cetrale kathedraal (€7 per persoon). Het gaat niet om grote bedragen maar het is wel tekenend, denk ik. De aangeprezen visserswijk La Viña had veel tapasbars maar niet per se restaurants naar onze smaak. 's Avonds liepen wij terug naar het hotel door verlaten straten.

Er was zeker het een en ander te beleven maar we deden relatief weinig in de stad zelf (anders dan eten); dat was ook te merken aan het aantal foto´s. Zelfs het -gratis!- museo de Cádiz sloegen we over; niet opzettelijk maar zo pakte het uit. De smalle straatjes noopten mij ´s avonds tot het dragen van een mondkapje. Afstand houden met de vele mensen op de been, was lastig. Dat was ik niet meer gewend. We aten er in drie memorabele restaurants: La Marmita’, ‘Sonambulo’ en La Mafia se sienta a la mesa. Ze waren alledrie suggesties van Bernadette. (Haar nemen we nog eens mee!) 

Bij het eerstgenoemde restaurant werd ik van mijn sokken geblazen door de Almadraba-tonijn. Dit woord komt van het Arabische almadrába, plaats waar de klappen vallen. Deze manier van tonijn vangen wordt daar al sinds mensenheugenis toegepast en is slechts enkele maanden per jaar toegestaan. Vissers jagen de tonijnen in de Straat van Gibraltar op, vangen ze in netten waar ze dier voor dier met de hand worden geselecteerd, bekeken en teruggegooid of niet. De vissen die door de inspectie komen, worden handmatig gedood. In dit restaurant kozen we dus de rauwe rode tonijn op drie wijzen bereid, als gedeeld voorgerecht (tartaar, tataki, sashimi). Je kon de vis opzuigen. Heerlijk! Daarop volgde een even mooi en smakelijk kaasplateau. Mijn liefje stond erop dat ook haar gekozen tussengerecht van bao (gestoomd broodje) met langzaam gegaard draadjesvlees van ossenstaart en een spiegelkwarteleitje hier wordt genoemd. Sic. Vanwege dat enthousiasme gaan we dit gerecht binnenkort zelf proberen te maken. Het restaurant ‘Sonambulo’ wordt in de Michelingids genoemd. Het is een stemmig buurtrestaurant dat door twee Spaanse mannen wordt gerund. Alles liep op rolletjes en de gerechten waren super. De aparte pizza´s van La Mafia die we op de bonte avond in aanwezigheid van enkele mafialeden nuttigden, waren eveneens om te zoenen of op te vreten.

Cádiz was voor ons de perfecte uitvalsbasis voor een bezoek aan de belangrijkste stad in de regio: Sevilla, de hoofdstad van Andalusië. En weer later was het vertrekpunt voor een bezoek aan het bekendste witte dorp: Ronda.

Toen mijn liefje en ik begrepen dat Bernadette Sevilla nog niet had bezocht, konden we niet anders dan de route ernaartoe inplannen. Zij maakte een lijst van stadse bezienswaardigheden. We begonnen met de bezichtiging van Metropol Parasol, bijgenaamd ‘De paddenstoelen’. Een primeur voor ons drieën! 

Dit ontwerp van de Duitser Jürgen Mayer werd in 2011 geopend. Het is het grootste houten object ter wereld: 150 x 70 meter en 26 meter hoog. Je kunt erin, eronder en erop. De bijnaam kreeg het omdat de constructie lijkt op zes paddenstoelen (of parasols). Voor de bouw werden 3.500 delen hout gebruikt die met 3.000 verbindingen en 16.000.000 moeren en bouten aan elkaar zitten; het totale gewicht van de constructie is 1.300.000 kilo. Hoe kon iemand zoiets bedenken? Ik vond het prachtig. Vanaf het hoogstgelegen panoramadak heb je goed zicht over de stad. We konden ver kijken want het was een heldere dag. We zagen enkele bezienswaardigheden van Bernadette´s lijstje al in de verte liggen: de kathedraal van Santa Maria de la Sede, La Giralda en het koninklijk paleis (Real Alcazar). Die bezochten we later.

In een paar honderd meter gingen we van hypermodern naar eeuwenoud. De kathedraal van Sevilla, waarvan de bouw aan het begin van de 15de eeuw startte, is de op drie na grootste kathedraal ter wereld maar wel de grootste gothische kerk op aarde. De bouw duurde ruim 100 jaar. Het is UNESCO-Werelderfgoed. We liepen om het immense gebouw heen. Bernadette beloofde terug te keren voor de bezichtiging van het imposante interieur waar zich onder andere het graf van Christoffel Columbus bevindt. En voor de Torre del Oro aan de Guadalquivir-rivier. Deze stad verdient een meerdaags bezoek en enkele overnachtingen ter plaatse om van het avondleven te proeven. De belendende klokkentoren (La Giralda) deed oorspronkelijk dienst als minaret van de grote moskee van de stad. De Christenen die daar na hun verdrijving kwamen en bleven, zette er iets van hun religieuze voorkeur op. De bronzen weervaan op de top, el giraldillo, geeft de toren zijn huidige naam.

Na de lunch, op het plein tegenover de kathedraal, liepen we naar het koninklijk paleis. Dit grote complex om een imposante binnentuin heen, vind ik vooral interessant vanwege de rijke Mudéjar-stijl. Gouden plafonds, vergulde balken, de typisch hoefijzervormige deuren en ramen en veelkleurige ‘azulejos’ (tegels) die je teletransporteren naar de tijd van Al-Andalus (711-1212). We kwamen ogen te kort. Ook omdat we een botsing met andere bezoekers wilden vermijden... Die mensenmassa was ik niet meer gewend. 

Deze rondreis sloten we af met een bezoek aan het witte dorp Ronda, gelegen op 750 meter hoogte. Bernadette en ik bezochten onder andere de een na oudste rijschool ter wereld (na Wenen) en betraden er de, in ongebruik geraakte, stierenvechtersring. We kwamen er zonder kleerscheuren van af. We zetten onze vriendin af op de luchthaven van Málaga waar zij op het vliegtuig naar Nederland stapte. Dat is inmiddels een week geleden maar dat voelt langer. 

Zelf reden we door naar onze laatste overnachtingsplek voordat ook voor ons de thuisreis begon. Een hotel op een wijngaard aan de voet van de Sierra Nevada, net boven Lanjarón. Ik las dat traditionele wijnlanden in het zuiden van Europa het moeilijk hebben. In delen van Frankrijk, Italië, Griekenland en Spanje wordt het langzaamaan te heet om druiven te verbouwen. In Spanje zijn om die reden in de afgelopen decennia al duizenden hectares wijnbouw verdwenen. In Andalusië is 3/4 van de wijngaarden weg. Door klimaatopwarming.

Bernadette schreef het onlangs gepast in een bericht: wie reist kan veel verhalen. ¡Olé! Andalusië was ons uitermate goedgezind. Het is de mooiste, boeiendste regio van Spanje, wat mij betreft. 

Nogmaals hartelijk dank lieverd, voor jouw vriendschap, gezelligheid, gulheid en hulp bij het voorkomen van ongelukken -zowel in de auto als erbuiten. Aan al die goede kwaliteiten raakten we snel gewend. En veel dank ook aan de andere lieverd van dit gezelschap. Zij vergezelt mij op ál mijn reizen; virtueel en in het echt, dichtbij en naar verre oorden. 

Vanaf nu is bloggen weer business as usual!


dinsdag 26 oktober 2021

We zijn het niet (meer) gewend! – deel 2

Daar zijn we weer! Zoals ik in mijn vorige reisblog reeds meldde, werd dit dé gevleugelde uitspraak van ons recente Rondje Andalucía. Alhoewel het lekker thuiskomen was met 24 graden en een zonnetje, verlang ik alweer terug naar onderweg zijn. Je kunt het mij, reislustige Nederlandse in een prachtig tweede Vaderland, niet kwalijk nemen. Reizen is zelfs dichtbij verslavend.

Waar waren we gebleven? Na een onderhoudend verblijf in Málaga gingen we nieuwsgierig op weg naar Gibraltar, het stukje Verenigd Koninkrijk in Spanje dat niet onomstreden is. De naam komt uit het Arabisch en betekent ‘berg van Tariq’. Deze Tariq ibn Zijad stak de Straat van Gibraltar over aan het begin van de 8ste eeuw, veroverde dat deel van Spanje en noemde die rots naar zichzelf. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat we wèl enkele bezienswaardigheden van die rots in het hoofd hadden maar niet de weg er naartoe. We kwamen in een van twee smalle, lange wachtrijen terecht. Een voor bezoekers en een voor de ‘Gibs’ (bewoners van Gibraltar). Deze rijen kronkelden naar een punt waar de douane zich moest bevinden; dat weet ik niet zeker want de kronkels weerhielden ons van dat zicht.

Na ruim een half uur zonder noemenswaardige progressie begon ik te schuifelen op mijn stoel en om mij heen te kijken. Ik ben namelijk een van twee (van drie) die niet per se beschikt over veel geduld. Was ik de enige die genoeg had van deze situatie? Bepaald niet. Bernadette was het direct met mij eens. We kregen een meevaller: ook mijn liefje opperde dat we wat haar betreft moesten omkeren zodra we konden. De fuik waarin we belandde, werd namelijk steeds knellender… totdat ik een uitweg zag (die een voorganger benutte). Ik schoot de stoep op en draaide krachtig aan het stuur. Een soort Brexit maar dan anders: wij, halve Spanjolen, stapten eensgezind uit de Britse rij. Voor ons geen grotten, tunnels en apen op de rots maar niemand vond dat jammer. Aangezien het rond het middaguur was, stopten we in een restaurant aan het lokale strand, aan de voet van de rots. Daar at ik het vieste lunchgerecht in tijden. Dat was ik niet meer gewend.

Opgelucht reden we door naar Tarifa (provincie Cádiz); de volgende stop aan de Costa de la Luz, de kust van het licht. Die plaats ligt pal tegenover Marokko. Ook die plaats werd vernoemd naar een Arabische veroveraar: de Berber Tarif ibn Malik. Dit stadje werd door de Brazilaanse auteur Paulo Coelho beschreven in zijn boek De Alchemist. Mijn liefje en ik kennen het van een eerder bezoek, Bernadette nog niet. Het was een mooie route naar onze bestemming maar op enig moment kroop een laaghangende wolkenpartij over de heuvels. Die dikke laag lag als een witte deksel op de omgeving. (Dat was niet voorspeld…) Verwachtingsvol koersden we naar ons nieuwe onderkomen voor een paar dagen: hotel ‘Codorniz’.

Deze keer zouden we verblijven in kleine bungalows aan een bloeiende binnentuin met zwembad. We checkten in, pakten de auto uit en liepen naar onze naast elkaar gelegen huisjes. Het waren niet de geboekte... Wij, dames op leeftijd, wensen namelijk niet meer te douchen in een ligbad. We vroegen om twee huisjes met inloopdouche en kregen die alsnog, al moest het slot van Berndette´s casita worden vervangen. (Dat was waarschijnlijk de reden voor de niet-uitgifte.) De inloopdouches waren dermate ruim dat je er hink-stap-springend in kon, de waterstraal was hard en zalig warm. De bedden bleken echter planken. Bernadette drukte het kernachtig uit: “Ik krijg een Sulawesi-gevoel…” Refererend aan een gezamenlijke reis door deze Indonesische provincie in 2014. Ik moest grinniken om de herkenning. Maar daar accepteer je het! De eerste nacht deed ik geen oog dicht, mijn heup deed pijn door die hardheid. De tweede nacht kwam ik goed door met een aspirientje. Mijn liefje was tijdens dit verblijf een gewillig plaagobject, als boeker van deze accommodatie.

Tarifa is dé plek in Spanje voor wind- en kitesurfen. Daar blaast bijna altijd een straffe wind; ofwel de oostenwind uit Afrika, of de westenwind vanaf de Atlantische oceaan. Voordat de avond inviel, verdween de zeemist. We wandelden door de duinen waar we interessante flora & fauna in het wild ontdekten: blauwe zanddistel, strandlelie, zeeraket en vetkruid, een groep kuifleeuwerikken en plevieren. En honderden wildparkerende surfhippies met hun -vaak opgelapte- campers, uit verschillende landen van Europa.

Op de smalle wandelboulevard in zee die de stad verbindt met La Isla (een klein eiland), brachten we de volgende dag een uurtje in verwondering door. Zelf keek ik mijn ogen uit naar de capriolen die ervaren surfers (in wetsuit) op het water en vooral in de lucht uithaalden. Ze lieten zich metershoog meevoeren door hun kites. De foto links is van mijn liefje. Google Photos vond dit de mooiste. Mijn bodyboard bleef achterin de auto. Kurkdroog, net als wij. Bernadette en ik hadden geen zin om te water te gaan.

Tarifa is ook interessant vanwege de Romeinse ruïnes van Baelo Claudia, het kasteel van Santa Catalina en de bewegende duinen van La Bolonia. Er loopt een goed onderhouden houten wandelpad langs de duinrand richting de lichtroze zandheuvel. Voor de lunch troffen we daar bij toeval een juweeltje aan: het  verstopte restaurant Bahía de Bolonia. We aten er heerlijk (salade met een dressing van amandelolie, verse tong, octopustentakel) en dronken er een zalige rosé uit Cádiz bij (Barradillo). 's Avonds bestelden we iets eenvoudigs in het eigen restaurant waar we werden vergezeld door de koppen van geschoten everzwijnen en herten aan de schouw. We vroegen de ober een portie jamón iberico af te snijden. Een poot van het merk 5Jota stond klaar in de klem. Dat is het merk dat in de meeste toprestaurants van Spanje wordt geserveerd. Bernadette at daar, naar verluidt, de lekkerste plakjes rauwe zwartpootham van haar leven. Hulde aan het ibericovarken! De huisgemaakte chips bleken ook likkerbaardend lekker. We hadden op dat moment al twee culinaire ‘best of’-momenten op deze reis… Hoe leuk is dat?! 

Daarna was het tijd om op weg te gaan naar Cádiz, met een tussenstop in Vejer de la Frontera, een van de bekendste witte dorpen van dit deel van Andalusië. Dat dorp ligt tegen een berg geplakt, met hier en daar zeer steile wegen. Bernadette hielp mij deze keer met het kiezen van de juiste route. In samenspraak met de troela van Google Maps stuurt mijn liefje mij als co-chauffeur nog weleens het bos in dus we veranderden van tactiek. Met Bernadette verliep het vinden van de bestemming uitstekend. Logische, ondubbelzinnige aanwijzingen stroomden mijn kant op. Ik zeg het eerlijk: dat was ik niet meer gewend. En steil werd het er... Bovendien was in het dorpscentrum geen parkeerplaats te vinden. We doorkruisten het dorp en parkeerden op een lager gelegen, kleine parkeerplaats aan de rand van het dorp. Vervolgens wandelden we langs smalle straten met minstens 10% stijgingspercentage terug naar boven. Deze reis was er sowieso een van gemiddeld 15.000 stappen per dag. Dat waren mijn liefje en ik niet meer gewend maar we stiefelden vastberaden achter de Haagse akela aan.

Er valt veel te vertellen over Vejer. Zo is er de mysterieuze, in het zwart geklede vrouw die haar gezicht deels afdekt met haar hoofddoek; ze wordt ‘la cobijá’ genoemd. Deze kledingdracht is een Castillaanse traditie die de vrouwen daar overnamen; waarschijnlijk stammend van een Moorse traditie van eeuwen geleden. Er is tevens een joodse wijk. Er ontvlamde zich daar een felle strijd van de dorpsbewoners tegen hun heersers. De bevolking stond op tegen het machtsmisbruik van edelman Juan Alfonso de Guzmán die als grootgrondbezitter de bijzondere rechten van deze dorpelingen (door koning Ferdinand IV in de 14de eeuw aan hen toegekend) vanaf de 15de eeuw met voeten trad. Het volk overwon. Het is een boeiend verhaal. Op heel veel gevels van Vejer worden deze zogenaamde ‘hazas de suerte’ (privileges) genoemd. De rebel die de opstandige burgers aanvuurde en voorging heet Juan Relinque en heeft een standbeeld in het dorp. 

We reden verder naar het stadje Jerez de la Frontera, geen wit zusje van Vejer maar wel een bezoek waard. Mijn liefje had als reisleidster bedacht dat we dit deel van Andalusië niet konden bezoeken zonder sherry te drinken en flamenco te aanschouwen. Aangezien Jerez zich als het epicentrum aan de buitenwereld presenteert, reserveerde ze een tafeltje voor drie in een tabanco voor zang en dans in het stadscentrum. Het zou een toeristenval kunnen zijn maar het was te laat voor die twijfel; we gingen het beleven. 

Ook in Jerez gidste Bernadette auto met chauffeur vakkundig naar de dichtstbijzijnde parkeergarage. Ik las dat Jerez in 2031 culturele hoofdstad van Europa zal zijn. Men heeft potentie maar moet nog wel verder aan de weg timmeren, wat mij betreft. Aangezien we ruim op tijd waren, brachten we eerst een bezoek aan de plaatselijke VVV waarna we de kathedraal bezichtigden en het luxe hotel van de eigenaren van Bodegas Tio Pepe (waar we een selfie maakten bij zijn standbeeld). De Nederlandse auteur Arnon Grunberg schreef een boek vol over deze oom. We dronken iets op het grote plein, luisterden naar geslaagde en minder geslaagde versies van flamenco en zang en keken uit naar de eigen voorstelling. 

Dat optreden bleek gelukkig niet in een grote zaal plaats te vinden maar in een klein, intiem etablissement waar wij helemaal vooraan een tafeltje kregen toegewezen. De zang- en dansshow werd opgeleukt met uitgebreide tapas. Onder het genot (not!) van een glaasje droge sherry keken we naar de opwarming van Alberto Franco op gitaar, Jaime Villar als zanger en danseres Carmen Moncada. Zij bleken niet de minste artiesten al moesten ze het doen met een piepklein podium. Carmen, op haar vurigst dansend en stampend met haar hakken, leek er soms bijna doorheen te zakken. Bernadette raakte in de ban van haar en schoot de mooiste foto. De geslaagde close-up links in de collage is van haar. Deze 38-jarige uit Algeciras begon haar flamencoleven op haar zesde en bouwde een internationale carrière op.

Zelf raakte ik vooral geïntrigeerd door Jaime, zanger en meesterklapper. ‘Palmas’ wordt het begeleidende klappen genoemd. (Close-ups van hem vind je in het webalbum.) Hij wist wat hij deed, dat kon ik horen al verstond ik zijn gezongen teksten niet of nauwelijks. Ik begrijp dat een flamencozanger vaak melismatisch zingt: een lettergreep wordt over meer noten aangehouden. Sindsdien oefen ik deze manier van zingen zelf, onder de douche. Wel met het badkamerraam dicht. Ik wil niet dat er nodeloos een ambulance voor de deur staat. 

Flamencozang begon ooit als klaag- en protestzang en dat leek Jaime tot in de perfectie te kunnen. Hij zong met zijn hele lichaam, vertrok zijn mond steeds meer naarmate het optreden vorderde. Hij leek echt te lijden, kwam af en toe uit zijn stoel omhoog en begon drukker met zijn handen te gebaren en met zijn voeten te stampen. Wij Noorderlingen lurkten ondertussen aan een volgend glaasje droge sherry (not!) en hapten plakjes vlees van de tablas weg. Dit optreden had ik voor geen goud willen missen.

De volgende en laatste blog zal gaan over het bezoek aan de steden Cádiz en Sevilla en het beroemdste witte dorp van Andalusië: Ronda. Het bijbehorende webalbum is bijgewerkt.


zondag 24 oktober 2021

We zijn het niet (meer) gewend! - deel 1

Dit werd dé gevleugelde uitspraak van onze rondreis door Andalusië. We waren een heleboel niet meer gewend, na bijna twee jaar niet te hebben gereisd. De eerste keer dat we dit tegen elkaar zeiden, was toen ik stopte voor de eerste tolpoort. Als chauffeur hield ik de betaalpas in mijn hand en zag niet waar het ding in moest. Wel stak er een bonnetje uit een gleuf… “Ik denk dat mijn voorganger zijn of haar kaartje is vergeten te pakken” zei ik onnozel tegen mijn liefje. Nee dus. Dat was mijn kaartje dat eruit stak. Stom, hè? Het bleef niet bij deze ene keer. We zeiden tijdens deze trip vaker dat we iets niet meer waren gewend. Mensenmassa´s, musea, lange trajecten in de auto, kilometers te voet, driemaal per dag buiten de deur eten en meer.

De eerste en laatste nacht brachten mijn liefje en ik samen door, de overige nachten deden we dat met reismaatje Bernadette (in haar eigen kamer) die uit Nederland naar Málaga vloog. Zij en ik gingen op weg naar de Sierra Nevada die uitzonderlijk groen oogde. Er was geen vlok sneeuw op de toppen de herkennen. We maakten de eerste stop in Tabernas bij oliefabriek ‘Oro del Desierto’, waar we koffie dronken en biologische olijfolie kochten voor vrienden en onszelf. Dat was niet de eerste keer. Deze olie (voor koud gebruik) is goudgeel en heerlijk. De eigenaren vertelden ons dat ze drie weken voorlagen op de gemiddelde oogst. We hoorden de machines werken. 

Vervolgens passeerden we enkele witte dorpen van Andalusië die als verfvlekken in een overwegend groen maar soms roodbruin landschap liggen. Het is altijd een prachtig gezicht. Verderop langs de route kwamen we in een file terecht die voor een uur vertraging zorgde. Het oponthoud werd veroorzaakt door een vrachtwagen die schaarde, tegen de vangrail knalde en volledig uitbrandde. We zaten er ongeveer 300 meter achter, na een bocht en zagen de inktzwarte wolken tegen een strakblauwe hemel opstijgen. Die truck vervoerde materialen die zouden worden gerecycled (papier, plastic). Ik hoop van harte dat de chauffeur het ongeval overleefde. Het hoogste punt dat we die dag op de route aandeden, lag op 1.380 meter. Onze oren plopten ervan… dat zijn we ook niet meer gewend!

Onze eerste overnachting was in een voormalig Franciskaner klooster in Antequera, ten noorden van Málaga. Het is eigendom van een Spaanse lokale familie die grootse plannen heeft met de stad en zijn omgeving. Het hotel van bescheiden omvang ligt aan een uit de kluiten gewassen golfbaan waarop tevens huizen te koop worden aangeboden. (Allemaal eigendom van dezelfde familie.) De chef van het restaurant zou leerling zijn geweest van topkok Ferrán Adría. Dat laatste trok ons over de streep, net als het aantal sterren dat de accommodatie zou bezitten. 

De plek was heel mooi en het klooster is fraai gelegen tussen de heuvels en olijfbomen maar het voldeed niet aan onze verwachtingen. Jawel, er was een overdekt zwembad en een aardig terras, de kamer en badkamer waren zeer ruim maar daarmee was alles gezegd. Er hingen dikke badjassen op ons te wachten en badslippers voor maat 50+ maar de service was onder de maat. Op dit soort plekken verwacht je door de wol geverfd horecapersoneel, geen lokale boerenzonen die een baantje bezetten. Het diner was prima maar niet spectaculair (secreto de cerdo met teriyakiglace en solomillo met portsaus) al was de mandarijnensorbet van vers fruit en eetbare bloemen fraai en heerlijk fris. De rosé die men aanbood, was zo donker als druivensap dus die sloegen we liever over. Dat en andere dingen zou ik de Spaanse eigenaar graag laten weten. De kamer was aardedonker en het was die nacht best koud. De volgende ochtend stonden we opgewekt en fris op. Reizen is verslavend, de reis zelf is vaak het hoogtepunt. Het ontbijt was overigens uitgebreid en goed (gelukkig geen buffet). Vanuit het restaurant heb je prachtig zicht op de eindeloze rijen olijfbomen en de eerste zonnestralen die over de toppen van de heuvels glijden. 

We gingen tevreden op weg naar de dolmen van Antequera, door mijn liefje de hele dag ‘de dildo´s’ genoemd. (Dat soort grappen was ik ook niet meer gewend.) Dolmen zijn de hunnebedden van Spanje. Bovendien gingen we het natuurpark El Torcal bezoeken, in de omgeving van Antequera. Deze stad in de provincie Málaga staat sinds 2016 op de UNESCO-werelderfgoedlijst. In een buitenwijk temidden van flats liggen drie van die ‘dolmenes’ (zoals ze in het Spaans worden genoemd): die van Viera, Menga en Tholos de Romeral. Deze neolitische bouwsels behoren tot de oudsten van Europa, meer dan 6.500 jaar oud. De eerste twee mochten we betreden. De dolmen van Menga was interessanter dan de kleinere Viera omdat deze grafkamer (met vijf verticale stenen zerken aan elke kant) rechtop kon worden betreden en bezichtigd. Het verhaal gaat dat een lokale tuinman ze op een dag ontdekte. Het was er behoorlijk druk vanwege de herfstvakantie. De mondkapjes moesten op in de wachtrij.

Daarna was het tijd voor het letterlijke hoogtepunt van die dag: een bezoek aan El Torcal. In geologische zin is dit park een juweeltje. Dat hele gebied lag ooit onder de Tetiszee en vormde zich in 150 miljoen jaar (vanaf het Mesozoïcum) tot het kalkstenen werelderfgoed dat het thans is. En terecht, wat mij betreft. Je loopt dus over schelpen en skeletten van vergane zeedieren! Het reservaat herbergt enkele van de opvallendste karstformaties van Europa. Het hoogste punt ligt daar op ruim 1.300 meter. Het is thuisbasis van onder andere gieren en adelaars; we zagen ze hoog boven de grillige steenstapels cirkelen. Die stapels deden mij denken aan de Pancake Rocks van Punakaiki (zuidereiland van Nieuw-Zeeland); ook dat is een kalksteenformatie. We deelden het wandelpad met een kudde grazende schapen. Je snapt ´m al… dat zijn we ook niet gewend.

Die avond zouden we overnachten in een appartement in het stadscentrum van Málaga, tegenover de grote kathedraal van de stad. De route naar het stadshart verliep zonder haperen, we reden de dichtstbijzijnde parkeergarage in. Een licht appartement voor max. 4 personen, met twee badkamers en een kleine keuken. Goed genoeg voor ons drieën. De stad werd overlopen door buitenlandse toeristen, Nederlanders waren de eerste die we hoorden praten. Er zouden er  nog honderden volgen. Er was veel stadslawaai en twee cruiseschepen tegelijkertijd in de binnenhaven. Die konden we zien liggen vanaf de eigen balkons.´s Avonds ontdekten we een heel goed en stemmig Spaans restaurant tegenover het appartement. Voor de volgende ochtend gingen we op zoek naar yoghurt en vers fruit voor het ontbijt en dat was zo eenvoudig nog niet. Het stadscentrum heeft nauwelijks supermarkten en hier en daar een kleine buurtwinkel. Slapen kon niet zonder oordoppen vanwege straatgeluiden: het legen van de afvalbakken, dronken Italianen, scheldende echtparen. Het grotestadseleven zijn we zeker niet meer gewend.

Het wachten was nu op de komst van onze vriendin Bernadette. Wij reden met de bus naar de luchthaven (de auto bleef staan in de ondergrondse parkeergarage) en gedrieën keerden we per taxi terug. Daarna eerst een caña & tapa in de buurt en dan op zoek naar een goed restaurant voor de avond. En bijpraten, bijpraten, bijpraten. Wat was het fijn om weer samen te zijn, na bijna drie lange jaren! Die avond streken we neer in een modern Spaans restaurant met leuk, jong personeel. De volgende dag was deels gevuld met museumbezoek: Centre Pompidou Malaga en museo Thyssen aldaar; een hereniging met oude en minder oude meesters en de ontdekking van jonge Spaanse kunstenaars. We lunchten feestelijk op het strand bij ‘Chiringuito Playa Maraqueta’, met sardines, chipirones, witte garnalen, witte wijn en salade.

Diezelfde avond at mijn liefje de lekkerste steak tartar van haar leven bij restaurant ‘Palocortado’. (Niet hiernaast gefotografeerd.) Ze vond het bijzonder genoeg om te vragen of ze de kok even mocht spreken. Zij maakt namelijk zelf al jarenlang overheerlijke steak tartare… Voor mij nog steeds de lekkerste van de wereld dus dit gerecht eet ik bij voorkeur thuis. Deze restaurant uitvoering was met kleine blokjes merg gelardeerd en opgediend in het bot van de merg. De chef kwam en was verguld met het compliment. Of we het sukses wilde melden op internet. Nou, graag! Bernadette en ik genoten van oesters, tomatensalade met burrata (had ik nog nooit gegeten), kalfszwezerik en entrecote. Het toetje-voor-3 was dulce de leche en was vurrukkuluk. We gingen niet te laat naar bed want de dag erna wilden we bijtijds op weg naar Gibraltar. Tot zover deze blog. 

Inmiddels zijn we weer thuis. Je houdt de avonturen tijdens ons bezoek aan Gibraltar (geen sukses), Tarifa (waar we werden gedwongen tot ´planking´), Cadiz (het gevecht om de rode tonijn), Jerez de la Frontera (waar Bernadette fan werd van oom Pepe en aan de voeten van Carmen belandde), Vejer de la Frontera (waar de kuiten van mijn liefje het begaven), Sevilla (waar ikzelf viel voor paddo´s) en de stad Ronda tegoed. Andalusië is prachtig, het is onze favoriete Spaanse regio. De andere hoogtepunten beschrijf ik in volgende blogs. Het begin van een webalbum is gemaakt en kun je met deze link bekijken. Dat zal ik in de komende dagen uitbreiden. Dat ben je immers van mij gewend?!