Translate

dinsdag 24 maart 2026

50 jaar op zoek naar waarheid

Vorige week donderdag, altijd op donderdag, maakten de Moeders van de Plaza de Mayo in Buenos Aires (Argentinië) hun 2.500ste ronde over het beroemdste plein van de stad. De vrouwen met de witte hoofddoeken gingen opnieuw de straat op, tegenover het presidentiële paleis, Casa Rosada. Ze lijken nooit op te geven. Hun stappen werden in de loop van de tijd weliswaar langzamer en hun aantal kleiner maar hun boodschap resoneert nog als vanouds: ‘¿Dónde están?’ Waar zijn hun echtgenoten, zussen, broers, kinderen en kleinkinderen? 

Vandaag wordt daar de 50ste verjaardag van de militaire staatsgreep herdacht. Op 24 maart 1976 pleegde het Argentijnse leger een staatsgreep tegen de linkse president Isabel Perón. De macht kwam in handen van een militaire junta onder leiding van generaal Jorge Videla. Wat volgde werd later bekend als ‘la guerra sucia’ (1976-1983), de vuile oorlog. In naam van de strijd tegen ‘subversieve elementen’ begon de staat een geheime campagne van ontvoeringen, martelingen en moorden. Studenten, politieke activisten, advocaten, journalisten, kunstenaars, vakbondslieden, priesters en nonnen die de armen hielpen: iedereen die maar enigszins verdacht was van oppositie, kon verdwijnen. Mensen van alle leeftijden en sociale klassen. 

De slachtoffers van dit schrikbewind kregen een naam die inmiddels ook wereldwijd bekend is: ‘los desaparecidos’ (de verdwenenen). Volgens mensenrechtenorganisaties en nationale historici ging het om ongeveer 30.000 mensen. Zij werden vaak 's nachts van bed gelicht, naar clandestiene detentie- en martelcentra gebracht, gemarteld en vermoord. Sommigen werden levend uit een vliegtuig boven zee gegooid tijdens de beruchte dodenvluchten. ‘Visvoer’ was de term die de daders voor de slachtoffers gebruikten.

In 1977 begonnen moeders van verdwenen jongeren elkaar te ontmoeten op de Plaza de Mayo, het politieke hart van Argentinië. Die vrouwen hadden allen politiebureaus, kazernes en ministeries bezocht om te achterhalen waar hun dierbaren waren gebleven. Nergens kregen ze antwoord. Daarop besloten ze zelf zichtbaar te worden. Op zaterdag 30 april 1977 kwamen 13 vrouwen openlijk bijeen op het plein. Demonstreren was verboden, stilstaan op het plein ook. Samenkomen als groep idem dito. Tijdens die eerste samenkomst realiseerden ze zich het probleem: zaterdags waren de gebouwen in het centrum gesloten. Zo zouden ze te weinig aandacht trekken.  

De volgende keer spraken ze op vrijdag af op het plein. Ook dat bleek geen goede keuze: vrijdagen waren ‘witches days’, een soort bijgeloof dat vrijdag ongeluk zou brengen. De derde keer spraken ze af op donderdagmiddag. (Driemaal is  scheepsrecht!) Daar zaten ze aanvankelijk met elkaar op de harde bankjes aan het plein. Daar werd hun geuzennaam bedacht. Daarna begonnen ze er rondjes te lopen, twee aan twee. Daartegen kon de junta niets inbrengen. Het werd het begin van een wekelijks ritueel dat niet meer zou stoppen. 

De militaire regering probeerde hen eerst te negeren en daarna te bespotten. Staatsmedia noemden hen ‘las locas’, de gekke vrouwen. Dat werd door internationale media vertaald als ‘de dwaze moeders van Plaza de Mayo’. Maar dwaas waren ze niet, deze vrouwen. Ze bleven komen, elke donderdagmiddag. Stipt om 15:30 uur. Volgend jaar bestaan hun organisatie 50 jaar.

Ze bleven rondjes lopen, ook nadat de repressie zeer dichtbij kwam. Begin december 1977 werd de oprichtster, Azucena Villaflor, ontvoerd door een doodseskader. Haar zoon Néstor, architectuurstudent en lid van de Peronistische Jeugdbeweging, verdween in 1976, samen met zijn vriendin. Later die maand spoelde een lichaam aan de Atlantische kust van de provincie Buenos Aires aan. De doodsoorzaak was ‘inslag op hard voorwerp na val van grote hoogte’. Conclusie: uit een vliegtuig gegooid. Ze werd plaatselijk begraven als N.N., ‘Ningún Nombre’ (naamloos). Villaflors lichaam werd pas formeel geïdentificeerd in 2005. Haar as ligt nu aan de voet van de Pirámide de Mayo, het monument middenop Plaza de Mayo. Een andere vrouw van het eerste uur was Hebe de Bonafini (overleden in 2022) over wie ik eerdere blogs schreef. De meeste vrouwen van het eerste uur zijn overleden.

Toen de militaire dictatuur in 1983 instortte en Argentinië weer een democratie werd onder de democratisch gekozen president Raúl Alfonsín, waren de moeders al een internationaal symbool van verzet. Hun eisen, erkenning van de slachtoffers, de waarheid achter de verdwijningen en de berechting van de misdadigers, waren hun bron van volharding. Het duurde decennia voordat daders daadwerkelijk werden veroordeeld. Hun bijdrage aan de historische ‘Juicio de las Juntas’ (1985), het proces tegen de militaire junta waarin leiders van de dictatuur terechtstonden, was groot. Ondertussen bleven de moeders lopen. 

Door de hele stad (en het land) werden in de loop van de tijd witte hoofddoeken geschilderd, op muren en in straten. Ter herinnering. Opdat hun strijd om gerechtigheid zichtbaar zou blijven. Nog steeds lopen er elke donderdag vrouwen over het plein met hun geborduurde hoofddoeken om. Ze dragen nog steeds zwart-witfoto’s met de gezichten van hun dierbaren. Gezichten van mensen die nooit ouder werden dan twintigers. 

Ongeveer rond dezelfde tijd ontstond er ook een groep die zich ‘Las Abuelas de van Plaza de Mayo’ noemen, de grootmoeders van het plein. Een organisatie die onder leiding kwam te staan van mensenrechtenactiviste Estela de Carlotto, lerares tijdens haar werkzame leven. De grootmoeders waren niet op zoek naar één generatie maar naar twee. De witte hoofddoek die hun symbool werd, was oorspronkelijk niets meer dan een babyluier.

Deze organisatie schat dat het gaat om circa 500 kinderen van ontvoerde personen tussen 1975 en 1980. Vaak werden ze geboren in gevangenschap. Sommige kinderen werden weggegeven aan families die dicht bij het personeel van de nationale strijdkrachten en veiligheidsdiensten stonden. Anderen werden als onbekende baby’s achtergelaten in instellingen. Haar groep heeft tot op de dag van vandaag 140 kleinkinderen teruggevonden. 

Inmiddels lopen nieuwe generaties mee: kinderen, kleinkinderen, jonge activisten en onderzoekers. En soms een enkele buitenlandse, zoals mijn liefje en ik. Dat deden we in 2014 en 2018, om onze solidariteit te betuigen aan deze illustere vrouwen. Zo ontmoetten wij ‘dwaze grootmoeder’ Estela persoonlijk. Wij liepen rond op het plein voordat de mars begon. Op een bankje zat een intelligent ogende vrouw met grijs haar die bezig was een foto op te spelden. Ik sprak haar aan en ging naar haar zitten. Ze vroeg waar ik vandaan kwam en zo ontstond een gesprek. 

Haar dochter Laura was politiek activiste, werd ontvoerd en later in detentie vermoord, met haar partner. Señora Estela wist op dat moment niet dat haar dochter drie maanden zwanger was. De baby -de moeder noemde hem Guido- werd geboren in gevangenschap, van de moeder gescheiden en weggegeven. De jonge moeder werd in 1978 doodgeschoten (van dichtbij in gezicht en buik geschoten). Via-via kreeg oma pas na onze ontmoeting in 2014 bericht over het bestaan van haar kleinzoon - die Ignacio werd genoemd door zijn adoptieouders. Inmiddels zijn oma en kleinkind herenigd. 

Eerder dit jaar ontvingen vertegenwoordigers van de (groot)moeders van de Plaza de Mayo in Madrid de ‘Abogados de Atocha’-prijs, een erkenning voor hun status als wereldwijd symbool van de strijd voor herinnering, gerechtigheid en herstel. 

Onlangs las ik een mooi interview in een Nederlandse krant met een Chileense vrouw die als kind met haar moeder naar Nederland vluchtte. Haar overkwam iets vergelijkbaars als wat er destijds gaande was in Argentinië. Haar vader, arts in een sloppenwijk van hoofdstad Santiago, werd in de jaren '70 opgepakt door de militaire junta (onder Pinochet). Zijn lichaam werd nooit gevonden. Indertijd werd een groep Chilenen door koningin Juliana uitgenodigd om naar Nederland te komen. De vrouw zou nu wel een aanvraag tot onderzoek naar het lot van haar vader willen doen bij de Chileense regering maar de huidige officier van justitie is zoon van een man die destijds in verband werd gebracht met een martelcentrum in de stad.  

Na al die jaren is de prangende vraag van toen (‘¿Donde están?’) dus nog altijd niet volledig beantwoord. Niet alle lichamen van de slachtoffers zijn immers gevonden en niet alle daders berecht. De uiterst rechtse Argentijnse regering-Milei bagatelliseert niet alleen de verantwoordelijkheid van het Videla-regime maar zette ook de financiering van instellingen stop die verband houden met de historische herinnering. 

De volhoudende (groot)moeders van Plaza de Mayo bereikten iets wat in 1977 onmogelijk leek: ze dwongen de leiders van hun land om te blijven herinneren. Hun mars over het plein is een van de langst aanhoudende protesten ter wereld. Vandaag wordt er een mars georganiseerd in Madrid ter herdenking van deze dag 50 jaar geleden. 

Momenteel lees ik het meeslepende boek ‘A Flower Travelled Through My Blood’ dat vorig jaar verscheen, van de Amerikaanse journaliste (The Economist) en ex-Argentinië-correspondente Haley Cohen Gilliland. Zij beschrijft in detail de internationale zoektocht van de grootmoeders van de Plaza de Mayo. Aanrader!


Geen opmerkingen:

Een reactie posten