Translate

Posts tonen met het label Spaanse burgeroorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Spaanse burgeroorlog. Alle posts tonen

woensdag 12 maart 2025

Herdenkingsjaar 2025

Het is dit jaar op de kop af 50 jaar geleden dat de Spaanse dictator Francisco Franco overleed. Francisco Franco Bahamonde (1892-1975) was de Spaanse generaal die de nationalisten aanvoerde bij het omverwerpen van de Tweede Spaanse Republiek. Hij regeerde het land daarna decennialang met harde hand. Die tijd wordt de Francoïstische dictatuur genoemd. De Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) ging aan dit Franco-regime vooraf. Na de dood van Franco ging Spanje op weg naar democratie en vrijheid. Die tijd wordt ‘La Transición’ genoemd. Het eindresultaat van deze transitie was een parlementaire monarchie, gebaseerd op een democratische grondwet, met een groot aantal rechten en vrijheden voor burgers. 

Franco’s overlijdensjaar was voor de regering van Pedro Sánchez (PSOE) reden om 2025 uit te roepen tot herdenkingsjaar. Herdenking is het streven van een samenleving om de fouten uit het verleden niet te herhalen en stil te staan bij de beginselen van waarheid, rechtvaardigheid en herstel die door de Verenigde Naties zijn erkend. 

Er zijn dit jaar veel activiteiten en evenementen in het land om de vrijheid en democratie te vieren op scholen, universiteiten en andere instellingen; met conferenties, documentaires, beeldende kunst, films en tentoonstellingen. De festiviteiten vinden een jaar lang plaats, binnen maar ook buiten de landsgrenzen; ook op Spaanse ambassades in Frankrijk, Portugal, Verenigde Staten en Latijns- en Zuid-Amerika. 

Veel Spaanse historici zijn het erover eens dat 1975 het begin was van een lang en moeilijk proces van politieke, economische en sociale transformatie. Spanje groeide van een geïsoleerde dictatuur uit tot een complete, open en welvarende democratie. “Spanje in vrijheid. 50 jaar” zal als reizende tentoonstelling door het land gaan en in elke provincie specifieke onderwerpen aan de orde stellen. De provincie waarin wij wonen, Alicante, was bijvoorbeeld de laatste Spaanse provincie die loyaal was aan de Tweede Republiek. Na de nederlaag vertrokken de laatste Republikeinse regeringsleiders vanuit de haven van Alicante naar hun ballingsoorden elders. 

De socialistische regering van Sánchez is schatplichtig aan de toenmalige strijders aan Republikeinse zijde. De premier trapte dit herdenkingsjaar af met een toespraak in het Spaanse parlement. Daarin zei hij onder meer het volgende. “Er is geen harmonie wanneer slachtoffers en beulen met elkaar worden vergeleken, wanneer historische leugens worden verspreid of wetten worden overeengekomen met vijanden van vrijheid en gelijkheid. Er is geen harmonie mogelijk als er sprake is van opzettelijke vergeetachtigheid en van vervalsing van de geschiedenis.” 

En ook “vrijheid is niet je arm heffen en ‘Cara al sol’ zingen”. Hiermee refereerde Sánchez aan de acties van de politieke oppositie; vooral die van Vox, de extreem-rechtse partij die alles uit de tijd van het Franco-regime vereert en deze pijnlijke geschiedenis liever uit de geschiedenisboeken weert. De Partido Popular -vergelijkbaar met de Nederlandse VVD- smeedde sinds de vorige verkiezingen in sommige Spaanse dorpen en steden een regeringspact met Vox en daarmee werd het cordon sanitaire doorbroken; net als wat de VVD in Nederland deed met de PVV. 


Illustratie: José Pablo García
De tekst van het strijdlied ‘Cara al sol’ is van José Antonio Primo de Rivera en dateert uit 1935. Deze Primo de Rivera was zoon van Miguel Primo de Rivera, een man die als eerste militaire dictator over Spanje regeerde (1923-1930). Ze waren van adel, zoon studeerde rechten en werd in 1934 zelf partijleider van de Spaanse Falange-beweging; dat was een nieuwe conservatieve nationaal-monarchistische partij. Het lied was een veelgezongen hymne met een martiale, heroïsche en strijdlustige toon die doet denken aan militaire en patriottische lofliederen. De falangisten sloten zich tijdens de Spaanse Burgeroorlog bij Franco’s franquisten aan. Franco won die oorlog in 1939. Net als de Duitse nazi’s en de Italiaanse fascisten hieven de Spaanse falangisten/franquisten hun rechterarm als groet. 

Het ‘Pact van het Vergeten’ was de titel van de overeenkomst waarin de voorwaarde werd verwoord die de franquisten stelden na de dood van Franco (1977), bij de overgang van dictatuur naar democratie. Deze wet verleende amnestie aan alle plegers van misdaden tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en de dictatuur van Franco (1939-1975). Geen franquist zou worden gestraft voor zijn of haar daden. Eerlijk gezegd, vind ik de naam mooier dan de gedachte erachter... Maar als die wet er niet was gekomen, had er geen democratie kunnen ontstaan in dit tot op het bot verdeelde land. 

De ‘Wet op de Democratische Herinnering’ stamt uit 2007 en biedt genoegdoening aan slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog en de daarop gevolgde Franco-dictatuur. Deze wet kwam tot stand tijdens de linkse regering van voormalig premier Zapatero. Openlijk fascisme zou hiermee worden verboden. (Partij Vox houdt zich echter niet aan die regels...) 

Spaanse extreem-rechtse activisten promoten het zogenaamde ‘Platform 2025’ dat mij sterk doet denken aan ‘Project 2025’ van Trumps regering. Deze Spanjaarden zijn er voorstander van om de 50ste sterfdag van Franco juist te gebruiken als eerbetoon aan de man. Je kunt dit zonder twijfel een actie ter ondersteuning van de dictatuur noemen. In een Spaanse krant las ik recent dat meer dan 40 hoge legerfunctionarissen die vorig jaar afzwaaiden, onlangs hun handtekening zetten onder dit project. Zij zijn van mening dat Franco een heldhaftige soldaat was, een goede directeur van de Militaire Academie, terecht hoofd van een legioen dat belangrijk was voor Spanje. Een aantal van deze figuren werd in detail beschreven maar het gaat te ver om hierover uit te wijden. Mannen die regionaal lijststrekker werden voor Vox, die de PSOE onterecht van zaken beschuldigen. De wederzijdse hekel zit nog steeds diep. 

Spanje wil zich in dit herdenkingsjaar herinneren wie het ooit was, vieren wie het nu is en zich voorstellen wat het in de komende 50 jaar van vrijheid en democratie kan worden. Dit jaar is het tevens gastland van EUROPALIA, een tweejarig internationaal kunstenfestival dat het culturele erfgoed en de kunstscene van één land in de kijker zet. Aan Spanje dit jaar de eer. Vanaf oktober zullen de (150) festiviteiten starten. De belangrijkste expositie zal het werk van Fransisco de Goya (1746-1828) als middelpunt hebben. 

De Spaanse schrijfster Irene Vallejo, auteur van de bestseller ‘Papyrus’ die weer een nieuw boek schreef, werd laatst geïnterviewd door de boekenredactie van De Volkskrant. In dat interview zei ze dat boeken opslagplaatsen zijn van het geheugen. Tijdens de Franco-dictatuur waren veel boeken verboden in Spanje. In die tijd konden Spanjaarden hun eigen klassiekers dus niet lezen. De grootste dichters en schrijvers van het land, zoals Federico García Lorca, Miguel Hernández en Antonio Machado vielen onder deze censuur. 

García Lorca werd door de Franquisten vermoord in Granada aan het begin van de burgeroorlog, Hernández werd aanvankelijk door hen ter dood veroordeeld maar dit werd omgezet in levenslange gevangenisstraf. Hij overleed aan tuberculose, in een Alicantijnse cel. Vele Spaanse intellectuelen ondergingen eenzelfde lot. 

Gelukkig waren er boekhandelaren die verboden boeken vanuit Latijns-Amerika, waarnaar veel Spaanse ballingen waren uitgeweken, naar Spanje wisten te smokkelen. Vellejo’s ouders gingen naar deze handelaren. Je moest bevriend met hen raken en hun vertrouwen winnen zodat ze je meenamen naar de geheime plek in hun winkel waar de verboden boeken werden bewaard. Die kon je dan kopen voor een hoge prijs en thuis moest je die goed verstoppen. Die tijd ligt ver achter ons. ¡Fortunadamente! 

En vandaag begint in Nederland de 90ste Boekenweek. Ook iets om uitgebreid te vieren! 


zaterdag 4 november 2023

Un balcón al Mediterráneo

Twintig jaar lang reden we er langs zonder te stoppen. Met enige regelmatig zei ik dat we er toch een keertje moesten afslaan. Tot dusver gebeurde dat niet. We komen langs de afslag als we van vliegveld Alicante naar huis rijden, als we gaan vogelen in Clot de Galvany en als we naar de provinciehoofdstad gaan voor een uitje. Je kunt je dus voorstellen hoe vaak we die plek passeerden. Maar het is nooit te laat om te stoppen. (Met of voor wat dan ook!) 

Op Allerheiligen -1 november, een nationale feestdag hier- besloten we weer vogels te gaan kijken in natuurpark Clot de Galvany (bij Gran Alacant). Ik stelde deze keer voor dat we eerst stopten om de vuurtoren te bekijken. Ook zij vond dat een goed idee. We sloegen dus -eindelijk- af en zetten koers naar het lichtpunt, over een deels slechte toegangsweg van ruim vier kilometer lengte. Er zaten hier en daar enorme gaten in het nogal smalle wegdek. Slalommen was geboden om assen, banden en wielkassen te sparen, oppassen voor egoïstische en incapabele tegenliggers evenzeer. Op een paar honderd meter van de vuurtoren bevond zich een parkeerplaats waar we de auto stalden. 

We waren daar die dag niet de enigen. Wat een volk was er op de been! Sommige Spaanse bezoekers droegen een boeket bloemen met zich mee. Ik vermoed dat zij daar, aan de rand van de Middellandse Zee, hun overledenen gingen eren. Wellicht familieleden van vissers die vergingen of anderen die er verdronken? Mijn liefje las uit een lokale krant voor dat op de dag van Allerheiligen in Elche 45.000 mensen de begraafplaatsen van hun overleden dierbaren bezochten. (Allerzielen op 2 november is hier geen vrije dag.) Op de begraafplaats van Torrevieja stond de hele parkeerplaats langs de N-332 op de ochtend van ons uitje mudvol. Na dat bezoek is het voor velen de gewoonte om buñuelos (heiligenbotten) te eten, een soort zoete donut. Men eert hier de doden jaarlijks op die manier. Zo gebeurt het ook in Mexico en menig Zuid-Amerikaans land. Ik vind het wel een mooie traditie.

Ondanks de drukte waren we blij dat we waren afgeslagen voor een bezoek aan de vuurtoren. Dat statige witte gebouw staat waar vroeger een Romeinse wachttoren stond. Ik vond het leuk om te lezen dat de eerste lamp in de vuurtoren werd verlicht met olijfolie. Deze toren stamt uit 1858 en werd in recente jaren opgeknapt. Het ligt mooi tussen oude pijnbomen die typisch zijn voor grote delen van de Spaanse kustlijn. Het stadsbestuur van Santa Pola investeerde 300.000 in het verfraaien van de omgeving van de vuurtoren en in de aanleg van een wandelpad naar de uiterste oostpunt van de kaap. Dit is de meest oostelijke punt van de provincie Alicante. Architectenbureau RAS uit Elche tekende voor het ontwerp. De loopbrug is zodanig geplaatst dat het deels boven de Cabo de la Sierra de Santa Pola uitsteekt zodat je het idee hebt dat je op het balkon van de Middellandse Zee staat en boven zee zweeft. Het doet zijn naam als ‘skywalk’ eer aan. Mijn liefje checkte hoe hoog we daar stonden: 140m boven zeeniveau. 

Op een plaatselijk infobord las ik dat deze kaap een fossiel koraalatol is dat zes miljoen jaar geleden werd gevormd (eind Mioceen) toen de Middellandse Zee opdroogde. Je kunt nog steeds riffen zien liggen in het kristalheldere water; ideaal om er te snorkelen. Deze kaap steekt ver uit in zee zodat je op een heldere dag ver naar het noordwesten en zuidoosten kunt kijken. De luchten in deze tijd van het jaar zijn fantastisch qua blauw en qua wolken. Wolken geven sowieso perspectief aan een foto, vind ik. Recht tegenover het uitkijkpunt (el mirador) ligt het eiland Tabarca (dat we een paar keer eerder bezochten met de ferry). De leuke loopbrug van Santa Pola was die dag niet de enige verrassing. 

De stadsgemeente investeerde ook in het herstel en de verbetering van de overblijfselen en ruïnes van de militaire nederzetting die daar werd gebouwd tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Daarmee ging ook een wereld voor mij, liefhebber van geschiedenis, open. De verhalen die zich tijdens die oorlog afspeelden in Santa Pola, zouden boeken kunnen vullen. (Die zijn ook verschenen in het Spaans.)

We bekeken daar twee zogenaamde ‘baterias’ van dichtbij al ben ik niet per se liefhebber van militair gedoe. Op die plekken stond voorheen luchtafweergeschut van de Spaanse Republikeinen. Als ik de borden niet had gelezen, had ik ze afgedaan als betonnen rommel met lelijke graffiti. Die installaties zijn met elkaar verbonden door diepe tunnels. Er bevonden zich daar ook schuilplekken voor bange Santapoleros. De tunnels hadden wanden van een à anderhalve meter dikte dus ze waren bestand tegen vijandige bommen. 

De Spaanse Burgeroorlog brak uit in juli 1936 en Santa Pola kwam in de Republikeinse zone terecht. Dat was hoofdzakelijk doordat het in Alicante gestationeerde militaire regiment niet in opstand kwam tegen de toenmalige regering, alhoewel generaal en plaatselijk bevelhebber José García Aldave in die eerste dagen zeker zijn twijfels had. (Voor wie het niet weet of is vergeten: de Spaanse Burgeroorlog begon met de rebellie van een groep rechtse generaals tegen de linkse regering.) 

Santa Pola wijdde zich destijds vrijwel uitsluitend aan de visserij. De Republikeinse regering nam na de opstand van de Franquistische generaals alle vissersboten en -bedrijven in beslag zodat vissers ambtenaren werden. Sommige van hen werden opgeroepen om te vechten aan het front of aan boord van oorlogsschepen. Aan het einde van de oorlog was de hongersnood daar niet zo erg als in veel andere delen van Spanje maar in Santa Pola begon men ook gebrek te krijgen aan basisproducten. Er werd veel geruild met buursteden als Elche (meel), Vega Baja (groenten) en Alicante (rijst). De provincie Alicante was voor de Republikeinen het belangrijkste distributiecentrum van voedselvoorraden aangezien de meeste goederen via de haven van Alicante aan land kwamen. 

Langs de hele kust van de provincie werden 60 luchtafweerinstallaties geplaatst. Radar bestond destijds nog niet dus het ging om andere vormen van vroege detectie van vijandige acties en om afweergeschut. Een groot aantal van die installaties werd vernietigd of verging maar in dit gebied werd veel behouden.

Alicante was de laatste provincie die door het leger van Franco werd ingenomen. Dat hield in dat het meer bombardementen door de lucht en op zee kreeg te verduren dan andere provincies van Spanje. De bloedigste aanval van het leger van Franco vond in mei 1938 plaats op de hoofdstad Alicante; daarbij vielen meer dan 300 doden. De vijandige vliegtuigen -gevlogen door Franquisten en fascisten van de Italiaanse bondgenoot Mussolini- stegen op van het vliegveld van Mallorca en kwamen over Santa Pola binnen (17km ten zuiden van Alicante). Ze lieten er 90 bommen vallen. 

In de eerste maanden van 1939, toen de Republikeinen de oorlog hadden verloren, probeerden velen van hen naar het buitenland te vluchten om de Franco-repressie te ontlopen. Ze verlieten Spanje onder andere via de haven van Santa Pola, ontsnapten aan boord van lokale vissersboten. Ze vluchtten naar Noord-Afrika, heel vaak naar Orán (Algerije). Sommige van deze vluchtelingen hadden pech, onder andere 100 burgers en belangrijke Republikeinse militairen die op de vissersboot ‘El Gallo’ werden onderschept door een van Franco’s marineschepen. Ze werden gevangengezet in een van de concentratiekampen op Mallorca. De vissersboot werd met kanonvuur tot zinken gebracht.   

Als je daar staat op een dag waarop de doden in Spanje worden herdacht, op zo’n mooi punt aan de kust van Alicante (onze eigen provincie), realiseer je je die oorlog en de vele slachtoffers des te meer. Ik dacht ook aan de bloedige conflicten die nu woeden aan de grenzen van Europa. Daarna had ik geen zin meer om vogeltjes te kijken. 


maandag 24 januari 2022

Memoria Histórica

De burgemeester van de stad Madrid, rechts afgebeeld in deze cartoon, gaf onlangs toestemming om een oude straatnaam uit de Francotijd in ere te herstellen. Het ging om de pijnlijke herinnering aan het verhaal van de Balearenkruiser. Dat was de naam van een oorlogsschip van generaal Francisco Franco. In 1937 bombardeerde het burgers die vanwege de repressie in Málaga naar Almería vluchtten. Toen Franco Málaga innam, besloten duizeden mensen te voet naar Almeria te lopen, dat destijds nog Republikeins grondgebied was. Het was een lange tocht, langs een heel smalle weg. Rechts bevond zich een steile klif met daaronder de zee. Links waren de bergen. De vluchtelingen moesten in rijen achter elkaar lopen, tussen de zee en de bergen in. Ze hadden geen ontsnappingsmogelijkheid. De franquisten begonnen de menselijke colonne halverwege de tocht te bombarderen, vanaf de zee, het land en vanuit de lucht. 

Tijdens dat bloedbad vielen meer dan 12.000 doden. Dit vond plaats in februari 1937, tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Over die zwarte bladzijde in de geschiedenis wordt in dit land nog steeds niet gemakkelijk of vrijelijk gesproken. Velen zagen deze straatnaamactie dan ook als pure provocatie van rechts. De presidente van de autonome regio Madrid (Isabel Ayuso) en de burgermeester van de hoofdstad (José Luis Martínez-Almeida) zijn beiden lid van de Partido Popular. Zij zijn dwarsliggers in alles. Als je naar hun daden kijkt, lijkt de partij verder naar rechts op te schuiven. Een verontrustende beweging. 

Ik denk dat een burgeroorlog een van de meest traumatische ervaringen is die een mens kan overkomen. Dat je als burgers tegenover elkaar komt te staan vanwege politiek, elkaar naar het leven staat en zelfs bereid bent landgenoten te doden… Een nachtmerrie, wat mij betreft. Er wordt beweerd dat de huidige polarisatie in de Verenigde Staten, die onder Trumps presidentschap begon en op 6 januari 2021 zijn dieptepunt bereikte, in de nabije toekomst zou kunnen uitmonden in een heuse burgeroorlog. Ook zijn er kwalijke politici in Nederland, zoals Thierry Bidet en andere aanhangers van extreem-rechtse complottheorieën, die kokketeren met een mogelijk aanstaande burgeroorlog. Ze realiseren zich niet met welk vuur ze spelen!

In 2007 werd onder leiding van de socialistische premier Zapatero (PSOE) een wet aangenomen die La Ley de Memoria Histórica, de Wet op de Historische Herinnering ging heten. Deze wet wilde genoegdoening bieden aan de slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog en de daaropvolgende 40 jaar dicatuur van Franco. Burgers ter linkerzijde van het politieke spectrum werden slachtoffers van deze oorlog en dit regime. Een van de bepalingen in deze wet was het verwijderen van Francoïstische symbolen en namen uit openbare gebouwen en de openbare ruimte; waaronder straatnaamborden. 

De Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón wilde destijds aan de hand van deze wet massagraven openen en voormalige leden van het Franco-regime in staat van beschuldiging stellen. Hij noemde de misdaden die in die jaren werden begaan ‘misdaden tegen de menselijkheid’. Daarvan moest hij in 2008 afzien, onder politieke druk. Vanuit conservatieve hoek -onder aanvoering van de PP- werd de wet bekritiseerd omdat die oude wonden zou openrijten. 

Garzóns onderzoek zou dat zeker doen maar dat betekent niet dat het niet moest gebeuren. Deze gitzwarte periode in de Spaanse geschiedenis mag niet worden vergeten of onder het carpet worden geveegd. Een land moet zijn geschiedenis onder ogen zien om het heden te kunnen omarmen en aan een gezonde toekomst te beginnen. Dat geldt zowel voor Spanje als voor Nederland. De historische herinnering aan de VOC, de slavernij waaraan Nederland bijdroeg en de koloniale oorlog in Indonesië zijn zwarte bladzijden in de Nederlandse geschiedenis. Als collectief moet men juist de demonen uit het verleden recht in de bek kijken. Dat gebeurt tot dusver mondjesmaat, zowel in mijn eerste als mijn tweede Vaderland.

De huidige regering Sánchez (wederom PSOE) diende in september 2020 een wetsontwerp in die tot herziening van de bestaande wet moest leiden, omgedoopt tot ‘La Ley de Memoria Democrática’, de Wet op de Democratische Herinnering. De herziene wet verbood voortaan de verheerlijking van Franco en diens decennialange dictatuur wettelijk in Spanje. Die wet werd vorig jaar aangenomen. Het maakte ruim baan voor de verwijdering van de stoffelijke resten van de oud-dictator uit de Vallei van de Gevallenen en zijn herbegraving op een minder prominente plek. Leden van de PP en Vox stemden tegen.

Grootmoeder Antonia met een zoon van
Santiago Rodríguez Salinas
 
Onlangs verscheen hier een boek postuum, getiteld ‘Illote P, Barraca 16’. Het tekent het verhaal op van de Madrileen Santiago Rodríguez Salinas (1917-1985) die in 1936 lid werd van het Volksfront om tegen Franco en diens fascisten te gaan vechten. Na de val van Barcelona vluchtte hij naar Frankrijk en daar kwam hij achtereen in drie concentratiekampen terecht. 

Het werd een dermate bittere ervaring dat hij er jarenlang niet over sprak. Hij legde zijn bevindingen vast in de memoires die vorige week werden gepubliceerd en veel aandacht in de Spaanse media kregen. Het boek verhaalt over de erbarmerlijke levensomstandigheden van ballingen in de geïmproviseerde Franse concentratiekampen. Opgepropt in kazernes, achter prikkeldraad, zonder warme kleren en met nauwelijks voedsel of drinkwater, was hij elke ochtend getuige van verwoestende taferelen. De auteur legde die ervaringen ook in tekeningen vast.

Het aantal vluchtelingen uit Spanje dat destijds in Zuid-Frankrijk arriveerde, overweldigde de Franse autoriteiten. Men verwachtte 4.000 ballingen maar er arriveerden, naar schatting, circa 500.000 personen die toen al een barre tocht door de winterse Pyreneeën achter de rug hadden. Rodríguez Salinas doorliep daar de kampen Saint Cyprien, Le Barcarès en kwam tenslotte met 100.000 andere vluchtelingen in Argelès-Sur-Mer terecht. Voor elke 25 personen was er dagelijks één brood om uit te delen.

In de eindjaren '70 van de vorige eeuw ging ik met mijn middelbareschool-vriendin Eliza en twee andere vrienden op vakantie naar Argelès-Sur-Mer. Als ik destijds had geweten wat ik nu weet, was ik daar zeker op zoek gegaan naar het verhaal van dat concentratiekamp. Tja.  

Het Franco-regime vestigde zich na de overwinning op het Republikeinse Volksfront definitief in Spanje, Frankrijk verklaarde de oorlog aan Duitsland en daarna bezette Hitler Frankrijk. Elke dag stortte het toekomstperspectief meer in voor deze Spaanse ex-strijders. Als ballingen probeerden ze zo goed mogelijk met de ontberingen om te gaan, door te voetballen en samen muziek te maken. 

Kennis van de Franse taal stelde Rodríguez Salinas in staat een baan te krijgen als postbediende. Hij sorteerde brieven tussen ballingen en hun families. Zelf ontving hij op enig moment een brief van zijn moeder Antonia, waarin ze hem vertelde dat haar partner Alberto Marín Alcalde (niet zijn biologische vader) -een vooraanstaande linkse intellectueel en destijds journalist van de krant La Vanguardia- gevangen was genomen in Madrid, ter dood was veroordeeld en in een gevangenis in de buurt van Vigo zat. Antonia besloot dichter bij haar partner te gaan wonen. Rodríguez Salinas had geluk maar veel ballingen waren onvindbaar en namen hun post nooit in ontvangst. Die brieven konden niet worden teruggezonden naar families in Spanje want dat zou te gevaarlijk voor hen zijn. Onbezorgbare brieven werden verbrand, iets was de postbediende tot het einde van zijn leven diep betreurde. 

Na 16 maanden als balling in Frankrijk te hebben overleefd, werden hij en vele lotgenoten in 1940 op een trein gezet en overgedragen aan de Franco-autoriteiten. Na terugkeer op Spaanse bodem belandde hij eerst in een concentratiekamp in Reus en daarna in twee disciplinaire bataljonskampen. Uiteindelijk moet hij gedwongen in militaire dienst op de Canarische eilanden. Deze bijna zeven jaren straf worden tevens in het boek beschreven. Rodríguez Salinas bleef in leven en ging wonen in de woonplaats van zijn moeder. Hij trouwde, kreeg drie kinderen (waarvan er een overleed), had vele banen. Na zijn pensioen en na een decennialange stilte, begon hij aan zijn memoires. Hij overleed op 68-jarige leeftijd. 

Zelf denk ik dat dit vluchtelingenverleden weleens een verklaring zou kunnen zijn van de groter dan gemiddelde tolerantie in Spanje (in Europese context) jegens tegenwoordige vluchtelingen uit oorlogslanden als Syrië en anderen die de hel in hun land ontvluchtten. Ik heb er geen bewijzen voor maar het lijkt mij plausibel.  

Afgelopen week las ik tevens een interessant artikel in El Diario over de dwangarbeid waarmee het Franco-regime een deel van de treinsporen in Spanje aanlegde. Franco zette duizenden Republikeinse gevangen als dwangarbeiders in voor de reparatie en aanleg van duizenden kilometers spoorlijn in het land. Dit is een tamelijk onbekend facet van de repressie die tot het einde van de jaren '50 van de vorige eeuw duurde. 

De Spaanse Spoorwegen (Renfe) en het ministerie van Openbare Werken zetten vorig jaar een website op (Memoria Histórica Ferroviaria) ter nagedachtenis aan deze spoorwegarbeiders. Het was zeer zware arbeid, onder mensonterende omstandigheden. Jaren van zeer harde discipline, honger, kou, voortdurende vernedering en fysieke straffen regen zich aaneen. Er bestonden strafbataljons (rondtrekkende groepen dwangarbeiders) en -detachementen (barakken op één plek). In het laatste geval ging het om hutten van twee vierkante meter waarin ook echtgenotes en kinderen leefden; ook zij leden onder het gevangenissysteem.

Een anoniem gedicht dat werd geschreven in de ruïnes bij een treinspoor waar regisseur Alberto Pascual (67) in zijn jeugd speelde, leidde tot het project ‘Estos Muros’ (Deze muren). "Deze vervallen muren / omgeven door mysterie / zijn niet van een beroemd kasteel / noch van een klooster (...)". De documentaire die eruit volgde, werd recent in Madrid gepresenteerd. Die is gebaseerd op het lot van het strafdetachement van Soto del Real (voorheen Chozas de la Sierra). Het is een eerbetoon aan de meer dan 2.000 dwangarbeiders van dat detachement dat werkte aan de aanleg van de spoorbrug en de andere 4.000 gevangenen die tussen 1942 en 1955 gedwongen werden aan de treinverbinding Madrid-Burgos te werken. 

Een andere parallel met Nederland dringt zich hier op. De Nederlandse Spoorwegen vervoerden op bevel van de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog Joodse Nederlanders naar concentratiekampen -hun laatste station- en tewerkgestelden naar Duitse werkkampen. In twee jaar tijd vervoerden de NS 107.000 Joden naar het oosten des land, de meesten naar doorvoerkamp Westerbork en van daaruit naar de grens. NS verdiende heel veel geld aan deze transporten. De toenmalige directie accepteerde het Duitse gezag met tegenzin, aldus de president-directeur in een verklaring in 2005. In dat jaar bood het bedrijf voor de eerste keer excuses aan de Joodse gemeenschap aan. Pas vele jaren later, vooral door toedoen van de strijdbare Holocaustoverlevende Salo Muller (1936), kwam er een financiële tegemoetkoming aan overlevenden en nabestaanden.

Ook ‘Estos Muros’ zal wel een keer op de Nederlandse tv verschijnen. Zoiets gaat ons immers aan als Europeanen. Gisteravond was bij 2Doc de documentaire ‘El Silencio de los Otros’ te zien; ook over slachtoffers van het Franco-regime. De opnames duurden zes jaar en leverden 450 uren film op van rechtzaken die nabestaanden van slachtoffers van het fascistische regime van Franco aanspanden in Spanje en Argentinië. (Ik schreef er in 2018 deze blog over.) Ik bekeek 'm eerder op Netflix. Eveneens om niet te vergeten. 



maandag 29 november 2021

Haar toekomstige afwezigheid

Zaterdag jongstleden overleed mijn favoriete Spaanse schrijfster Almudena Grandes op 61-jarige leeftijd in haar huis in Madrid, aan de gevolgen van kanker. Een van de indrukwekkendste vrouwelijke auteurs van deze generatie. Ik kreeg een brok in mijn keel toen ik dat hoorde... Haar grootste bekendheid kreeg Grandes door het boek ‘Het ijzig hart’ (2007) dat ik ooit aantrof in een bibliotheek in Noord-Bali. Met ezelsoren en nogal beduimeld. Het was bijna stukgelezen door anderen voordat ik het onder ogen kreeg. Dit boek las ik in één adem uit en daarna kon ik er niet over ophouden. Het was een eye opener voor mij en vanaf dat moment was ik groot fan. Dat was de eerste keer dat ik over een van haar boeken blogde. Er zouden er meer volgen. Wie van Spanje houdt of iets van het land wil begrijpen, moet Grandes lezen!   

Die roman is een aangrijpende en schitterend geschreven familiegeschiedenis die zich afspeelt in de Franco-jaren. Dat wordt haar grote thema. Het is onderdeel van wat een epos in zes delen zou worden: ‘Episodes van een oneindige oorlog’. Dat refereert aan de Spaanse Burgeroorlog (en de jaren erna), een inktzwarte bladzijde in de geschiedenis van Spanje in de 20ste eeuw. Grandes, historica en Republikein in hart & nieren, had met deze Episodes een groot en belangrijk doel voor ogen. Ze wilde een ​​historische fresco maken, in de stijl van de Spaanse romancier Benito Pérez Galdós (een grote favoriet van haar) die dat deed voor de 19de eeuw. Ze wilde een land beschrijven zowel op micro- als op macroniveau, verscheurd door oorlog. En de verhalen vertellen die tot dusver verborgen bleven. Grandes' epos  speelt zich af tijdens de dictatuur van generaal Franco die van 1939 tot 1978 met harde hand regeerde. 

In het El País-artikel van afgelopen zondag, dat als een laatste eerbetoon aan de schrijfster geldt, stelt de journaliste dat “Grandes de nieuwsgierigheid had van de historica en de kracht van de romanschrijfster. Beide kwaliteiten stelden haar in staat om kunstwerken te maken, waarbij wetenschappelijke nauwkeurigheid en documentatie ten dienste stonden van een plot dat was ontworpen om te bewegen en te roeren. Met dat doel ontstond literatuur: om levens van anderen te kunnen leiden en andermans verdriet te bewenen.” Mooier kan ík het niet zeggen.

Alle romans die volgden, las ik op dezelfde manier uit: ik verslond ze, praatte en blogde erover met wie het wilde horen, raadde ze aan boekenvrienden aan, gaf soms een papieren exemplaar aan een medeboekenwurm kado. Enkele van die werken probeerde ik in de afgelopen jaren in het Spaans te herlezen maar die pogingen gaf ik op. Prachtig taalgebruik maar lezen was eerder hard werken dan genieten... Boek nummer 5 in de serie, getiteld ‘De moeder van Frankenstein’, werd begin 2020 gepubliceerd. (Toen wist ze nog niet dat ze ziek was.) Na de diagnose van vorig jaar sloot ze zich op om het laatste deel, in het Spaans getiteld ‘Mariano en el Bidasoa’, tot een goed einde te brengen. Dat was ze aan zichzelf, haar status en haar fans verplicht. (Bidasoa is de naam van een rivier in Baskenland.) Deze roman zal in januari 2022 postuum verschijnen. Ik kijk ernaar uit.

Haar politieke inzet verbond haar met de generatie Republikeinse landgenoten die de burgeroorlog had verloren en in ballingschap ging. "Republikeins, links, antiklerikaal", zo werd ze in januari 2008 voor het eerst in een column in El País neergezet. En ze was overtuigd feministe. De vrouwelijke personages in haar boeken waren eigenzinnig, vastberaden en moedig. Net als hun geestelijk moeder. Dat maakte Grandes ongemakkelijk voor een deel van de Spaanse gevestigde orde.  

Als historica zag ze scherp wat zich afspeelde in haar vaderland. Dat is wellicht nóg een reden waarom ik haar werk, dat daarvan immers een weerslag is, zo waardeer. Ze is politiek zeer geëngageerd maar wordt nooit drammerig in haar boeken. In Spanje is tot op de dag van vandaag een deel van de bevolking zelfverklaard “vijand van het geheugen”. Die groep is van mening dat men in dit land niet meer achterom moet kijken, naar het verleden. “Wat ze niet begrijpen is dat herinnering niets met het verleden te maken heeft. Wat met het verleden te maken heeft, is geschiedenis”. Geheugen heeft te maken met het heden.” Aldus de verstandige Grandes. In een ander interview zegt ze “Spain became a country of silences, where the safest thing was to be silent. It made the Spanish their own worst enemy. It drowned out any spontaneity”. In de Spaanse krant El Mundo werd ze afgelopen weekend omschreven als het literair geweten van een verontwaardigd Spanje. De Spaanse president Pedro Sánchez schreef afgelopen weekend op Twitter dat Spanje hiermee een van de beste vrouwelijke auteurs verloor. Ze was betrokken en moedig, beschreef de recente Spaanse geschiedenis vanuit een progressief perspectief.

Op 10 oktober jongstleden schreef ze zelf voor de eerste (en laatste) keer publiekelijk over haar ziekte in de weekendeditie van El País. Daarin las ik dat ze dit nare bericht een jaar geleden ontving. Bij een routinematige medische controle werd bij haar een kwaadaardige tumor ontdekt. De prognose was echter goed. Ze besloot die informatie op dat moment voor zichzelf te houden.

Kanker, een ziekte als alle andere, zeker een leerschool, maar nooit een vloek, noch een schande, noch een straf, was sindsdien bij mij. Ik voelde me over het algemeen heel goed.” 

In september 2021 traden darmcomplicaties op en tijdens de Madrileense Boekenweek, waarbij ze aanwezig had moeten zijn, lag ze in het ziekenhuis. Daar begon ze zich het een en ander te realiseren en begon ze spijt te krijgen van de manier waarop ze het voorgaande jaar aanpakte.

Ik wist al dat ik een gelukkige vrouw ben want er zijn veel mensen die van me houden. Nu betreur ik het dat sommige van hen zo bezorgd om mij zijn geweest, vanwege een afwezigheid die ik eerder had moeten toelichten. Ik ben hun  bezorgdheid pas scherp gaan zien vanuit mijn ziekenhuisbed en ik wil me verontschuldigen, hen vertellen hoe ik me voel. Ik verontschuldig me voor dat stilzwijgen en bij voorbaat voor mijn toekomstige afwezigheid.” 

Mijn lezers, die mij goed kennen, weten dat ze heel belangrijk voor me zijn. Telkens wanneer ze mij naar hen vragen, antwoord ik hetzelfde: zij zijn mijn vrijheid omdat ik dankzij hun steun de boeken kan schrijven die ik wil schrijven, en niet die waarvan anderen verwachten dat ik ze schrijf. Ze weten ook dat schrijven mijn leven is, en het is nog nooit zo intens geweest als nu. Gedurende dit hele [ziekte]proces werkte ik aan een roman die mij heel hield. Het stippelde een doel voor de toekomst uit dat me net zo hielp als mijn medische behandeling. Nu moest ik haar (het nieuwe boek) alles teruggeven dat ze me had  gegeven, mezelf met haar opsluiten, haar verwennen, haar afronden. Daarom beantwoordde ik geen berichten of oproepen meer en verschafte ik geen nieuws. Ik denk dat velen dat begrepen. Ik vermoed dat sommigen dat niet deden maar ik vertrouw erop dat ze mijn beslissing respecteren.”  

Ze wilde geen afscheid nemen zonder mensen te bedanken voor het lezen van deze  column die zo belangrijk voor haar was. 
Een van haar laatste boekrecensies voor de krant (een roman over vogels van de Finse schrijfster Marja-Liisa Vartio) sloot ze af met de woorden “Als je enige beroering voelde tijdens het lezen van mijn recensie, neem haar boek dan zelf ter hand. Je zult er geen spijt van krijgen.” Kom er eens om?! Zij schreef zoiets wel. Een bijzonder mens is niet  meer.  

Almudena Grandes (1960-2021) laat een echtgenoot, drie kinderen en miljoenen boekenfans wereldwijd in verdriet achter. Ik zal haar columns, boekrecensies, interviews en romans gaan missen.

Descanse en paz (RIP). 

zondag 20 juni 2021

De dienst van toen en die van nu

We maakten recent een uitje naar natuurpark Clot de Galvany en troffen daar niet alleen mooie flora en fauna aan, er zijn in dit gebied ook vijf bunkers (kasematten) en twee loopgraven uit de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) te bezichtigen. De Republikeinen, die streden ter linkerzijde van het politieke spectrum, bouwden ze in voorbereiding op een mogelijke invasie vanaf zee (Mallorca) door Franco´s troepen. De Balearen waren Franco-gebied vanaf het begin van de burgeroorlog. Menorca bleef als enige eiland republikeins tot 1939.

De franquisten (ook wel falangisten of fascisten genoemd) werden terzijde gestaan door de monarchisten (Carlisten en Alfonsisten). Deze partijen stonden samen lijnrecht tegenover de medestanders van de Republiek: de communisten en anarchisten. Rechts tegen Rood. Er vielen tienduizenden slachtoffers, aan beide zijden. Jaren geleden, tijdens lezing van de eerste boeken over dit onderwerp, bedacht ik mij dat een burgeroorlog waarschijnlijk het ergste is dat een land kan overkomen. Dat twee groepen burgers elkaar dood wensen en er alles aan doen om dat te bewerkstelligen; vaak op de wreedste wijze. Dat buren, vrienden en zelfs familieleden elkaar diep haten en elkaar als vijanden naar het leven staan. Ver-schrik-ke-lijk! Dat vind ik overigens nog steeds.

De kasematten van Clot de Galvany bevinden zich in vrij goede staat; nog niet zo lang geleden werden ze gerestaureerd. Het feit dat daar in werkelijkheid nooit een invasie plaatsvond, zal hebben bijgedragen aan hun behoud. Dit complex van bunkers is onderdeel van de Middellandse Muur die van Cadíz naar Gerona loopt. (De latere Atlantikwal van de nazi´s zou hiervan zijn afgeleid.) Je vindt de eerste bunker op een verhoging net na de ingang tot het natuurgebied; het is goed verstopt. Een kleine trap voert naar beneden, brengt je naar een ondergrondse tunnel van 20 meter lengte. 

Even verderop op de wandelroute tref je een dubbele bunker aan als je naar de verhoogde uitkijkpost loopt die zicht geeft op de watervogels in grote plas. Deze kasemat heeft twee schietgaten die je als wandelaar gemakkelijk ziet. Met een kleine trap daal je af naar de beide ruimten. 

Bunker nummer 3, de centraalst gelegen en de grootste, vind je dichter naar de grote poel toe. In de winter is deze kasemat geheel omringd door water. Deze kasemat is gebouwd in de stijl van de Maginotlinie van Frankrijk, de verdedigingslinie op de grens met België, Duitsland en Luxemburg. Hier stonden tijdens de Spaanse burgeroorlog de kanonnen opgesteld; daar zou tevens ruimte zijn geweest voor het gevangenzetten van politieke tegenstanders. De overige twee kasematten (als 4 en 5 genummerd op de kaart) liggen verderop aan de grote ronde in het park. Nummer 4 is de kleinste bunker, 5 is ook een dubbele met aan de ene kant zicht op de route Cartagena-Alicante en aan de andere kant volledig zicht op het hele gebied van Clot de Galvany. Daar begint ook de eerste van drie loopgraven in het gebied. Dit alles wordt tegenwoordig gerekend tot historisch en architectonisch erfgoed. Zo lopen ze van de voorgaande naar de nieuwe eeuw door.

Onlangs wachtte ik bij het gezondheidscentrum op mijn beurt toen daar een agent van de Guardia Civil opdook voor zijn vaccinatie. Mijn liefje wilde mij aanvankelijk met hem op de foto zetten en dan aan bevriende ontvangers van deze foto melden dat ik onder politiedwang naar de coronaprikplaats was vervoerd voor deel 1 van mijn vaccinatie. (Zo erg was het niet met mij gesteld!) Haar snode plan werkte niet. 

Al was ik als jonge Hollandse nooit erg gezagstrouw, ik heb geen principiële hekel aan de agenten van deze Spaanse dienst. Dat neemt niet weg dat ik ze liever uit de weg ga. Sommige van die kerels hebben echte boeventronies. Laatst stond er zo eentje in zijn uniform op een rotonde, met een fluitje in zijn mond. Die had het uitgevonden! Mijn liefje zegt vaak dat kandidaten voor deze dienst op hun uiterlijk lijken te worden geselecteerd…

Je kunt deze Spaanse politiedienst het best vergelijken met de Koninklijke Marechaussee in Nederland. Beide diensten hebben zowel civiele als militaire functies. In Spanje legt de Guardia Civil verantwoording af aan de minister van Binnenlandse Zaken en die van Defensie. We zagen deze politieagenten in hun olijfgroene uniformen overal tijdens het dieptepunt van de pandemie. Ze moesten ervoor zorgen dat iedere burger zich aan de strenge coronaregels hield. We leven hier niet in een politiestaat -zoals door sommigen onterecht werd gesuggereerd tijdens het strenge huisarrest- maar de politie straalt hier nog steeds veel gezag uit, veel meer dan in het Vaderland. Daar wordt Blauw op Straat tegenwoordig door jong en oud weggewuifd, hun gezag genegeerd.

De Guardia Civil had ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog en het daarop volgende Franco-regime een heel slecht imago. Bij veel Spanjaarden roepen die agenten nog steeds negatieve gevoelens op, al heeft de dienst van toen niets meer te maken met de dienst van nu. Hedentendage heeft die vooral als taken de bevolking te beveiligen, terrorisme te bestrijden en dieren en natuur te beschermen (met gespecialiseerde afdelingen). 

Het is wel zo dat, als ik zo´n guardia zie, mijn gedachten vaak uitgaan naar die pikdonkere periode in de Spaanse geschiedenis. Ik vraag mij dan of iemand van zijn familie destijds aan de foute kant van de geschiedenis stond? In vele families ging deze baan over van grootvader op vader op zoon. Om te vermijden dat tegenwoordige leden van de Guardia Civil burgers bevoordelen, wordt burgercontact zoveel mogelijk vermeden. Agenten worden aangesteld in een andere streek dan hun geboortestreek of waar ze op het moment van hun aanstelling leven. Vroeger woonden ze met hun families in de kazerne, die gang van zaken neemt af. (Ongeveer eenderde doet dat nog.) 

Recent las ik het meeslepende boek van Spaanse auteur Almudena Grandes (1960) uit, getiteld ‘De vijand van mijn vader’ dat in 2013 in het Nederlands verscheen. Grandes putte daarvoor deels uit eigen leven. Benita Hernández, de moeder van Grandes, vluchtte ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog noodgedwongen vanuit Madrid naar Marokko. Tijdens een rondreis in 2004 met haar echtgenoot en een van zijn oude vrienden door het noorden van dat land (het voormalige Spaanse protectoraat), hoorde de schrijfster voor het eerst het verhaal van die vriend. Hij was zoon van een guardia civil en woonde destijds met zijn ouders in de kazerne van Fuensanta de Martos, in Andalusië.

Zijn verhaal inspireerde Grandes tot dit boek. Grandes´ versie speelt zich ook in dat dorp en andere omringende dorpen rondom Jaén af, tussen 1947 en 1949. Die periode wordt door sommige geschiedschrijvers –men is het in Spanje over de tijd nog steeds volledig oneens– de Driejarige Terreur genoemd. Het land had destijds geen rechtbanken meer die de naam verdienden, geen onafhankelijke rechters, geen zekerheden. Alleen open graven bij de muren van de kerkhoven’ (p.169).

Hoofdpersoon van het boek is de jonge Nino, zoon van een guardia, klein van stuk maar groot in aantallen grijze cellen. Als zoon van een politieagent wordt hij in die tijd niet geacht een mening te hebben over wat wel of niet rechtvaardig is, wat goed of slecht is. Onder Francisco Franco vindt een zuivering plaats van iedereen die ook maar het geringste blijk van sympathie voor de Republikeinse zaak betoont. Guardias maken zich in de regio schuldig aan opsluiting, marteling, verkrachting en moord op plaatselijke guerrillero’s (Republikeinen) en hun vrouwen. De Guarida Civil wordt halverwege het boek een moordenaarsbende’ genoemd.

De 9-jarige Nino, bijgenaamd ‘ukkepuk’, blijft achter in groei waardoor hij later waarschijnlijk niet in de voetsporen van zijn vader kan treden. (Elke potentiële kandidaat moet tenminste 1.60 meter lengte bereiken.) Hij wordt daarom als kind al gedwongen te leren typen voor een latere kantoorbaan. Nino´s jeugd en latere leven wordt sterk beïnvloed door de mensen die hij in die periode ontmoet: de intellectuele vrouw van een overleden arts die hem leert typen en hem boeken -onder andere van Jules Verne-  leent, Pepe el Portugués die uit het niets op de berg neerstrijkt (en in het geheim communist blijkt te zijn) en zijn grote vriend wordt.

Zo komt hij als jongeling in contact met het Republikeinse gedachtengoed. Langzaamaan begint hij weerzin te voelen voor de leugens en wrede daden van zijn vader en diens collega´s. De vijanden van zijn vader worden zijn beste vrienden. Als volwassen, lange (!) man zal hij zelf zijn sporen in de opstand tegen Franco verdienen. Een deel van dit boek is gebaseerd op het heroïsche leven en de dood van de beroemdste plaatselijke guerrillero van de Sierra Sur (Jaén, Andalusië): Cencerro; hij bereikt mythische proporties die tot op de dag van vandaag worden gekoesterd.

Het is overduidelijk waar de solidariteit van rasverteller Grandes ligt maar nooit wordt dit boek een politiek pamflet. Het is een aanrader voor iedereen die van mooie historische romans houdt en meer wenst te weten over het verloop van de burgeroorlog in dat deel van Spanje. Als je de geschiedenis kent, kun je het heden ook beter begrijpen. 


zaterdag 9 juni 2018

40 jaar later

Ik ben blij dat de Partido Popular, de Volkspartij in Spanje, onlangs uit het zadel werd gewipt. De regelmatige lezer weet dat ik zeer intolerant ben jegens corruptie. Deze  politieke partij maakte er op een dermate grote schaal een potje van dat deze ‘boevenbende’ niet langer aan de macht kon blijven. Ze werden weggestuurd door een motie van wantrouwen. Enkele dagen later las ik dat voormalig minister-president Rajoy niet alleen aftrad maar zich volledig uit de politiek terugtrekt. Zelf zal ik er niet van wakker liggen.

Het is nu tijd voor de PSOE en de eerste stappen van de nieuwe regering zijn veelbelovend. Zo installeerde Pedro Sanchez elf vrouwen in zijn nieuwe kabinet, een historisch record. Daar kan premier Rutte nog heel wat van leren. 

De vice-president is een vrouw die tevens de nieuwe functie van Minister van Gelijkheid vervult (Carmen Calvo). Vrouwen bekleden voorts de functies van Minister van Economie (eurofiel Nadia Calviño), Minister van Justitie (Dolores Delgado), Minister van Defensie (Margarita Robles), Minister van Financiën (María Jesús Montero), Minister van Werkgelegenheid, Migratie en Sociale Zaken (Magdalena Valerio), nieuwe Minister van Ecologische Transitie (Teresa Ribera), Minister van Onderwijs en Bestuur (Isabel Celaá), Minister van Gezondheidzorg en Welzijn (Carmen Monton) en nieuwe Minister van Territoriale Politiek en Openbare Diensten (Meritxell Batet). Slimme vrouwen die hun sporen verdienden, met veel relevante ervaring. Gelijkheid, migratie en ecologie, enkele typisch linkse hobby’s, krijgen veel aandacht en dat lijkt mij een goede zaak. De belasting zal volgend jaar wel omhoog gaan maar dat moet dan maar…

Waar ik ook op hoop, is dat de nieuwe regering serieuze stappen voorwaarts gaat zetten als het gaat om de herdenking en verwerking van Spanje’s Franco-verleden. Iedereen weet dat Francisco Franco een dictator was die in 1939, na de Spaanse burgeroorlog, de macht greep. Hij overleed in 1975 op hoge leeftijd, als vrij man. In 1978 werd een nieuwe Spaanse grondwet ingesteld en werd het land officieel een democratische monarchie.

Tijdens Franco’s dictatuur werden politieke tegenstanders vermoord, vakbondsmensen en intellectuelen naar heropvoedingskampen gestuurd, baby’s bij ouders weggehaald en in francistische kinderloze families geplaatst. Er liggen meer dan 100.000 lichamen in ongemarkeerde massa- en oorlogsgraven door het hele land. Hoe is het mogelijk dat vandaag de dag Spanjaarden overlijden die nog steeds niet weten wat er destijds met hun geliefden gebeurde? Dat er duizenden kinderen zijn die niet weten wie hun echte ouders zijn? In een katholiek land als Spanje, mijn tweede Vaderland? Tja.

Wat wellicht minder bekend is, is dat de Partido Popular, partij van conservatieve christen-democraten, na de dood van Franco werd opgericht door diens Minister van Binnenlandse Zaken (Manuel Fraga). Deze -vaak regerende- partij sprak zich nooit openlijk uit over de gruweldaden die door Franco en zijn fascisten werden begaan;  laat staan dat de partij zich ervan distancieerde. De Franco-aanhang gaf zich over na diens overlijden en in ruil daarvoor kreeg men de toezegging dat niemand zou worden vervolgd of veroordeeld voor gepleegde misdaden. Er zou zelfs niet meer over de periode worden gerept.

In een amnestiewet van 1977 legde een PP-regering officieel vast dat niemand ter verantwoording kon worden geroepen voor diens daden. Franco’s geschiedenis verdween in de beginjaren van de prille democratie zelfs geheel onder het carpet. Daarmee begon het grote zwijgen in Spanje. Dit ongeschreven Pact van Vergeten duurde tot 2000, het jaar waarin het eerste graf met Franco-slachtoffers werd geopend.

De vorige socialistische regering introduceerde in 2007 de Ley de Memoria Histórica. (Minister-president Zapatero’s grootvader werd als een van de tienduizenden door Franco’s fascisten geëxecuteerd.) De doos van Pandora moest open. Hiermee werden de slachtoffers aan beide zijden van de Spaanse burgeroorlog voor de eerste keer in de 20ste eeuwse democratie erkend, werd recht gedaan aan de slachtoffers van het Franco-regime en recht verleend aan hun nabestaanden, en werd het fascistische regime formeel veroordeeld. De PP stemde destijds tegen de wet, samen met een Catalaanse linkse partij die de wet niet ver genoeg vond gaan.

In The Guardian las ik onlangs dat vandaag op een festival in Sheffield (Verenigd Koninkrijk) een Spaanse documentaire wordt vertoond, getiteld ‘El Silencio de los Otros/The Silence of Others’. Deze film verscheen eerder op het internationale filmfestival van Berlijn (februari 2018) waar het prijzen won. De bekende Spaanse broeders Almodóvar waren bij dit project betrokken. Het is een poging om de lange stilte te doorbreken. De opnames duurden zes jaar en leverden 450 uren film op van rechtzaken die nabestaanden van slachtoffers van het fascistische regime van Franco aanspanden in Spanje en Argentinië. Die rechtzaken worden 40 jaar later gevoerd door kleinkinderen die met de wet van 2007 in de hand opening van graven afdwingen via de rechter. Rechtzaken duren voort, nieuwe zaken dienen zich aan. Vergeten worden de slachtoffers nooit.

Ik heb geen idee of de documentaire in roulatie gaat in Spaanse bioscopen maar ik houd mijn ogen en oren wijd open. Wel bekeek ik de trailer alvast online. Daarin zie je een oude vrouw langs de kant van een snelweg zitten; een bosje bloemen is aan de vangrail bevestigd. Onder het asfalt van die snelweg ligt een geliefde, in een anoniem massagraf. Ontroerend.


zondag 19 augustus 2012

Spanish eyes

We luisterden de afgelopen dagen weer eens naar de CD-box getiteld 'De beste 100 uit de Evergreen Top 1000'. Ik kocht de set drie jaar geleden, toen mijn liefje ziek in bed lag en ons gezinnetje wel wat muzikale gezelligheid kon gebruiken. Het is muziek uit drie decennia: de jaren '50 t/m '70 van de vorige eeuw. Relatief veel Spaanse teksten, Griekse klanken, relatief veel Frans en Duits en heel veel Nederlandstalige muziek. Mijn liefje liet haar zuiverste fluitje klinken. Wij dansten door het huis, vooral slow. Sommige songs deden mij zwijmelen, anderen deden mij aan reizen denken, reeds gemaakte en toekomstige.
Vooral het lied van Al Martino 'Spanish Eyes' (1965), met de regel 'Please say sí, sí'- raakte bij mij een gevoelige snaar.

Van de ene gedachte kwam de andere. Een associatieve geest is a joy forever. Je kent de schilderijen en posters van huilende zigeunerjongetjes vast wel. De oorspronkelijke schilderijen zijn ondertekend met J. Bragolin, pseudoniem van Bruno Amadio. Bragolin was een Italiaanse schilder met een klassieke (schilder)opleiding. Hij was overtuigd fascist, vocht aan het front en maakte propagandakunst in de jaren '30. Na de Tweede Wereldoorlog zou Amadio zich hebben gevestigd in het Spanje van Franco, in Sevilla. Zijn modellen vond hij in het plaatselijke weeshuis. Men denkt dat Bragolin 27 olieverfschilderijen van huilende jongetjes en -meisjes vervaardigde. Het waren geen zigeunerkinderen. Spanje had overvolle weeshuizen ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. De periode daarna was voor de Spanjaarden een even grote nachtmerrie als tijdens de burgeroorlog.

In een eerdere blog schreef ik over de zuiveringen die fascistenleider Franco met zijn Falange tijdens en na de burgeroorlog op zijn tegenstanders, de republikeinen, uitvoerde. Republikeinen werden vermoord en als gevangenen naar werkkampen gestuurd. Hun kinderen kwamen in weeshuizen terecht. Die tehuizen stonden onder leiding van de, in ere herstelde, katholieke kerk die erop toezag dat die weeskinderen van alle 'onzuivere' invloeden werden ontdaan en werden heropgevoed. Tijdens de daaraan voorafgaande Republiek werden kerken verwoest, priesters gedood en nonnen verkracht. De meeste weeshuizen waren wrede, liefdeloze instituten. Sommige geestelijken werden gedreven door wraakgevoelens. Tja.

Op mijn eReader las ik afgelopen week het boek 'Winter in Madrid' van C.J. Sansom dat hij schreef ter nagedachtenis aan de duizenden kinderen van republikeinse ouders die uit de weeshuizen van Franco’s Spanje verdwenen. In dit deels historische, aangrijpende en ook spannende boek spelen de steden Madrid, Burgos en Cuenca een hoofdrol. In de directe omgeving van Cuenca plaatst de auteur een van de werkkampen van het Francoregime, zo een 'schuldig landschap' creërend. Dat bleek fictief; in werkelijkheid bevond zich daar geen kamp. 

Wat wel waar is, is dat Cuenca met haar hangende huizen UNESCO-werelderfgoed is. Ik was in 2005 in die stad (foto van eigen hand). Het toeval wil dat er een katholieke geestelijke op figureert. 
Het is afschuwelijk om over het verpauperde en door en door corrupte Spanje van toen te lezen. Er was hongersnood door een chaotisch distributiesysteem en aanhoudend mislukte oogsten. Executies, verdwijningen en andere wreedheden waren aan de orde van de dag. Spanje was in die tijd voor vele van haar inwoners de hel onder de zon. Diezelfde zon van nu. Dat vind ik tè bizar voor woorden.

Terug naar Bragolin. Op enig moment neemt het verhaal van zijn schilderkunst mythische proporties aan. Hij zou een pact hebben gesloten met de duivel om zich al schilderend van grote rijkdom te verzekeren. De afrekening komt als het weeshuis kort na het voltooien van het 27ste schilderij in vlammen opgaat. Alle kinderen die model stonden, kwamen in de vlammen om maar Amadio werd schatrijk. Zoals het vaak gaat bij dit soort verhalen, zijn de olieverfschilderijen en alle (miljoenen!) reproducties vervloekt. In een Spaans televisieprogramma waren mensen die hun ingelijste posters hoorden jammeren en om hun mama roepen. Sommigen hadden de stemmen zelfs op de band staan... Een medium legde vervolgens uit hoeveel negatieve energie je met zo'n Bragolin in huis haalt. Ziektes, branden en ander onheil zouden zijn toe te schrijven aan de wraak van de huilende kinderen.

Spaanse kinderen die thans aan de Costas van Orihuela verblijven, hebben gelukkig weinig reden tot droefenis. Nu Spanjaarden massaal -dat wil zeggen: nóg grootschaliger dan in voorgaande jaren- in eigen land vakantie houden vanwege de economische crisis, zie ik veel verwennerij om mij heen. Spaanse kinderen worden door hun ouders en grootouders doorgaans als heuse prinsjes en prinsesjes behandeld. Maar beter zo dan liefdeloos! Het boek bevestigde: familie is alles voor Spanjaarden. Op het strand van La Glea vinden thans volop zomerfestiviteiten plaats voor jongeren, met sport & spel en koek & zopie. Een deel van het strand is daarvoor vrijgemaakt. Wij genieten mee, al vraag ik mij constant af wat ouderen in hun jonge jaren zoal zagen met hun Spanish eyes...


vrijdag 29 juli 2011

Spaanse toestanden

In Bali las ik net voor ons vertrek naar Spanje het boek 'El corazón helado', in het Nederlands vertaald als 'Het ijzig hart' van de Madrileense schrijfster Almudena Grandes (1961). Een dikke pil van ruim 800 bladzijden die mij van begin tot einde boeide.

Alhoewel het boek fictie is, is het gebaseerd op waargebeurde feiten. Het centrale thema is de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) waarin republikeinen (anarchisten, communisten en socialisten) streden tegen de nationalisten (monarchisten, carlisten en falangisten). De republikeinen werden verslagen al ben ik van mening dat geen enkele oorlog ooit een winnaar kent. Zeker geen burgeroorlog. Aanhangers van links werden gemarteld, gefusilleerd en kregen levenslang. Men schat dat in die periode een half miljoen Spanjaarden omkwam.

De roman beschrijft het lot van twee families die door de burgeroorlog uiteenvielen. Spaanse ballingen die het land met lood in de schoenen verlieten en zich in Frankrijk verstigden, nemen een prominente plaats in het boek in. Enkelen hoofdpersonen vochten in Frankrijk (tegen de Duitsers) en in de Sovjetunie (samen met de Russen). Het boek stelt de wijze aan de kaak waarop de autoriteiten met solidaire Spanjaarden omgingen; sommigen van hen kwamen in gevangenissen en (concentratie)kampen terecht. Vele linkse Spanjaarden voelden zich in die tijd daadwerkelijk verworpenen der aarde.

Grandes situeert haar verhaal tijdens en na de Spaanse burgeroorlog. Ze is kritisch over de hypocriete houding van de geallieerden na de Tweede Wereldoorlog: in plaats van fascist en nazi-vriend generaal Francisco Franco te verdrijven, mocht hij blijven zitten waar hij zat. Ze beschrijft de gevolgen van de repressieve politiek van het Francoregime. Een van de beruchtste beslissingen was de 'Wet op de Politieke Verantwoordelijkheden' (1939) waarbij de Francogezinde autoriteiten het leven van Spanjaarden met linkse politieke ideeën zo goed als onmogelijk maakte.

Het land werd daarna systematisch van linkse elementen gezuiverd. Recht bestond niet meer, rechts destemeer. Angst regeerde, vertrouwen in de medemens was weg, nepotisme en corruptie tierden welig. Net als gevoelens van bitterheid en wraak onder de ballingen. Spanje was in die tijd voor veel mensen een slecht land om in te wonen. Het Francoregime zaaide tot 1975 terreur. Tot op de dag van vandaag worden meer dan 100.000 republikeinen vermist.

Ik was mij bewust van de burgeroorlog die het land splijtte, bezocht het stadje Guernica waar ik het indrukwekkende schilderij van Pablo Picasso met eigen ogen zag in het plaatselijke Museum voor de Vrede, wist van de moord op de homoseksuele dichter Federico García Lorca door de fascisten, maakte bewust het wetsvoorstel mee van de linkse regering Zapatero in 2006 die alle symbolen die herinneren aan de Francodictatuur uit het straatbeeld en het openbare leven verbande.
Desondanks was Grandes’ boek een eye opener voor mij. Ik vind het een aanrader voor iedereen die interesse heeft in Spanje en Spaanse geschiedenis.

Spanje wordt in het boek veelvuldig 'het kloteland' genoemd door enkele romanpersonages. Vanuit hun perspectief en in de historische context kan ik mij dat voorstellen. Ik zal voortaan anders aankijken tegen Spanjaarden van een zekere leeftijd. Net zoals ik dat deed toen ik mij realiseerde dat deze Zuid-Europeanen, autochtonen van het gastland waar ik permanent resident ben, nog maar 35 jaar in democratie leven...

Ook nu is het onrustig in het land. De gemiddelde werkeloosheid in Spanje bedraagt circa 20% en de werkeloosheid onder jeugdigen is nog schrikbarender: 40%. Het is dan ook niet verwonderlijk dat jongeren protesteren tegen de uitzichtloosheid van hun bestaan. Ze zijn ontevreden over de algehele gang van zaken en stellen de regerende partij van Zapatero hiervoor verantwoordelijk. L’histoire se répète en ik zit er met mijn neus bovenop.