Translate

maandag 26 december 2016

Myanmore (part 1)

Wat zijn Birmezen aardig! Ik denk het op vele momenten van de dag. Het land is nog niet heel lang vrij toegankelijk voor toeristen en dat betekent waarschijnlijk dat mensen nog nieuwsgierig en open zijn. Er wordt flink gestaard. Sommige personen dwingen je bijna oogcontact te maken en dan te praten, anderen gluren stiekem maar kijken snel weg als je hen recht in de ogen kijkt. Bang om te praten met witten? Angst om niets te begrijpen of terug te kunnen praten? In een lokaal krantje las ik dat men dit jaar 6 miljoen toeristen verwacht; vorig jaar lag dat op 4.6 miljoen. Een groot deel van hen bestaat uit dagtoeristen die de grens met Thailand en China oversteken. Vandaag liet ik een groepje starende pubers schrikken door ‘boe’ te roepen. Enkele meiden sprongen een paar centimeter in de lucht, anderen deinsden geschrokken terug waarna een brede glimlach op hun gezichten verschenen. Zo eng zijn wij witten nou ook weer niet. Het is boeiend om te aanschouwen.

Gisteren deden we als heuse toeristen een rondje langs enkele bezienswaardigheden van Mandalay. We bezochten het eiland Mingun dat in de Irrawaddy-rivier ligt. We voeren er op een traditioneel schip naar toe. Het leven langs een rivier vind ik altijd fascinerend: of het nu de Mekong-delta, de watervlakten van Centraal Sulawesi of de Amsterdamse grachten zijn. Als liefhebber van zeezoogdieren hoopte ik nog op het spotten van een roze Irrawaddy-dolfijn maar het diertje is zó zeldzaam dat de kansen überklein zijn. Bovendien vertelde een lokale gids aan boord dat we meer kans zouden hebben in regenseizoen als de waterstand meters hoger is. Ik leg mij erbij neer. Er moet iets te wensen overblijven.

We bezochten daar de oudste stenen leeuw en de oudste niet-afgemaakte stupa ter wereld die in de loop van de tijd veel schade van aardbevingen opliep, de grootste gietijzeren bel (90.000 kilo), de immens witte pagode-met-zeven-lagen en een bejaardentehuis voor boeddhisten, man en vrouw. Rondom de heiligdommen werd gevoetbald door de lokale jeugd. Op het eiland wandelden we op ons gemak van dorp tot dorp. Mijn liefje werd vergezeld door een lokale vrouw die kettingen van natuursteen verkocht. Gemoedelijk wandelde zij mee, keuvelend over… eh, ik weet niet. Ik zag het van een afstand aan. Sinds de sneue hoop loop ik nog steeds aardig mee maar nauwelijks meer voorop. Op enig moment vertelde de lokale vrouw dat ze niet verder kon gaan want we hadden de dorpsgrens bereikt en zij mocht daar niet overheen. Een andere sales force nam het stokje daar van haar over. In dat nieuwe gebied werd ik ontdekt door de lokale Mimi, een leuke, zachtaardige jonge vrouw die ansichtkaarten verkocht. Ze zocht contact, vroeg naar mijn herkomst en naam en liep daarnaa gewoon naast mij. Ze wapperde mij koelte toe, wachtte mij bij tempels op met mijn schoenen en sokken in haar hand, vroeg naar mijn welzijn. Het roerde mij. Bij het afscheid gaf ik haar een flinke fooi maar kocht niets van haar waar. We lieten ons met een ossentaxi naar de boot terug brengen.

's Middags bezochten we onder andere Mandalay Hill, met fraaie boeddhistische pagodes aan de voet van en op de heuvel (236 meter hoog). De pagode op het hoogste platform bereikten we met een roltrap, believe it or not! Met blote voeten op een roltrap in Myanmar staan, is een aparte ervaring. In Myanmarese tempels moet je zowel je schoenen als je sokken uitdoen. Monniken mogen worden gefotografeerd als je vraagt of het oké is. Ze gaan er dan zelfs even goed voor zitten. Dat levert niet altijd het gewenste fotoresultaat op (spontaan gedrag is vaak zoveel leuker) maar vriendelijk is het. Vrouwelijke boeddhistische monniken, nonnen, zijn hier net zo kaal als hun mannelijke collega’s maar zijn in zoetroze gekleed. We zien ze hier overal in de stad, vanaf drie jaar oud.

Lokale bezoekers van tempels zijn bescheiden maar zouden het liefst vragen of ze met jou op de foto mogen. We staan reeds op enkele shots, openlijk en stiekem. Een gids vertelde mij tijdens zo’n omloop, nadat ik over de rondfladderende vlinders begon, dat er niet veel dieren over zijn in dit land. Huh?! ‘Waar zijn die dan?’ Opgegeten. ‘Op enkele mussen na’, naar verluidt. Ik moet dat tegenspreken. Ik zag en fotografeerde reeds luid orerende neushoornvogels, imposante roofvogels en kleurrijke kingfishers. Dat niet al mijn nieuwe gevederde vriendjes even scherp zijn gekiekt, is te wijten aan het enthousiasme van de amateurfotograaf!

Enkele weken geleden vond een Chinese wetenschapper een stuk amber op een markt in het noorden van Myanmar. De vondst bleek zeer opmerkelijk: in het amber trof men een deel van een dinosaurusstaart met veertjes aan. Het was voor het eerst dat wetenschappers een dinosaurusstaart vonden. Bovendien zou het kleinood kunnen aantonen dat meer dino’s dan gedacht waren bedekt met veren.

We raakten in de afgelopen periode in de ban van dino’s vanwege Freek Vonk’s AH-verzamelboeken, de 3D-brillen en de app voor de Balinese mannetjes dus dit nieuws bleef hangen. Amber en jade zijn enkele van de edelsteensoorten die in Myanmar veelvuldig worden gedolven. Het is een prachtding dat ik zelf graag zou hebben gevonden!

Vandaag namen we afscheid van chauffeur Aung Ko. Morgen vertrekken we met de bus naar Bagan, het epicentrum van Myanmar’s boeddhisme. We gaan daar met eigen ogen zien hoeveel schade de recentste aardbeving aanbracht aan de tempels. Naar verluidt, staat een aantal er in de steigers. Bloggen gaat niet vanuit het huidige hotel; we keerden met plezier terug naar onze vorige pleisterplaats. Terug naar al fresco-lunch en razendsnel wifi. Mijn liefje ligt nu in het zwembad terwijl ik zit te typen. Ons hotel in Bagan heeft ook een bad; het zou oase tussen de stoepa's zijn. En hopelijk goed werkende wifi. Ik ga het zien, ook jij zult het merken. Het Mandalay-webalbum heb ik geheel bijgewerkt. 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten